Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2008:1

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
2006/0598
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft geen recht op teruggaaf van invoerrechten omdat hij de ingevoerde goederen niet onverwijld heeft aangegeven voor de douaneregeling waarvoor zij zijn bestemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 21 februari 2008, nr. 2006/0598

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Curaçao,

inzake:

[ X ] N.V., te Curaçao, hierna belanghebbende,

tegen

de Directeur Douane Netherlandse Antillen.

1 Het procesverloop

1.1

Bij brief van 28 februari 2006 heeft belanghebbende teruggaaf verzocht van betaalde invoerrechten en omzetbelasting. De Directeur Douane Nederlandse Antillen, hierna: de Directeur, heeft het door belanghebbende ingediende verzoek afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is – eveneens – door de Directeur bij uitspraak op bezwaar gedagtekend 24 oktober 2007, afgewezen.

1.2

Op 5 december 2006 heeft belanghebbende beroep tegen de uitspraak van de Directeur ingesteld.

1.3

De Directeur heeft op 24 september 2007 een vertoogschrift ingediend..

1.4

Ter zitting van 23 oktober 2007 te Willemstad zijn verschenen, namens belanghebbende, [ A ] en

[ B ] namens de Directeur.

1.5

Ter zitting hebben partijen een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2 Tussen partijen verstaande feiten

2.1

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten vast komen te staan.

2.2

belanghebbende heeft, namens importeur [ Z ] N.V., op 20 december 2005 aangifte ten invoer gedaan van de invoer van een partij kantoormeubelen. De aangifte is op 21 december 2005 geregistreerd op Enig document nr. [00000000/0000000]. De kantoormeubelen zijn aangegeven onder de normale invoerregeling en in het vrije verkeer gebracht nadat daarvoor in totaal Naf. 5.297,10 aan invoerrechten (Naf. 4.469,40) en omzetbelasting (Naf. 827.70) is betaald.

2.3

Belanghebbende was op dat moment niet op hoogte van de belastingvrijstelling die de importeur [ Z ] ingevolge artikel 75, lid 1, sub g van de Landsverordening tarief van invoerrechten, hierna: LVTI (P.B. 2002, no 109), jo. artikel 9 van de Landsverordening economische zones 2000 (P.B. 2004, no 16) geniet.

2.4

De goederen zijn vrijgemaakt op 22 december 2005.

2.5

Vanwege het kerstreces en de vakantie van de betrokken personen bij [ W ] heeft belanghebbende de kantoormeubelen pas op 26 januari 2006 afgeleverd bij [ Q ].

2.6

Bij brief van 28 februari 2006 heeft belanghebbende aan de douane kenbaar gemaakt dat bij de desbetreffende aangifte een verkeerde APC-code is gehanteerd.

2.7

Bij de beantwoording van het verzoek om teruggaaf heeft de Directeur het standpunt ingenomen dat in geval van bij vergissing aangeven goederen, teruggaaf van invoerrechten wordt verleend, indien aan de voorwaarden van artikel 153, lid 1 LVTI wordt voldaan. Een voorwaarde die in dit artikel is opgenomen, is het vereiste dat de goederen onverwijld worden aangegeven voor de douaneregeling waarvoor zij zijn bestemd. Het bezwaar is afgewezen omdat belanghebbende niet aan dit criterium- hierna te noemen: het onverwijldheidsvereiste - heeft voldaan.

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1

In geschil is of belanghebbende de onderhavige kantoormeubelen onverwijld heeft aangegeven voor de douaneregeling waarvoor zij zijn bestemd.

3.2

Belanghebbende stelt dat zij – anders dan in de uitspraak op bezwaar wordt gesteld – niet bij aflevering van de kantoormeubelen op 26 januari 2006 in kennis is gesteld van het feit dat de importeur [ Z ] N.V. belastingvrijstelling geniet.

Zij stelt zich primair op het standpunt dat tussen het moment waarop het voor belanghebbende kenbaar werd dat er bij vergissing onder het normale regime was aangegeven (op of omstreeks 23 februari 2006, toen [ Z ] werd opgebeld om naar de status van de betaling te informeren), en het moment waarop belanghebbende daarover de inspecteur heeft ingelicht (bij schrijven van 28 februari 2006) niet meer dan drie werkdagen zijn verlopen, hetgeen voldoende onverwijld is, aldus belanghebbende.

3.3

Belanghebbende is subsidiair van mening dat de Inspecteur het onverwijldheidsvereiste te regide toepast, hetgeen tot onbillijke resultaten leidt. Belanghebbende betoogt dat daardoor het corrigeren van kennelijke vergissingen de facto onmogelijk wordt gemaakt.

3.4

Daarnaast doet belanghebbende, naar analogie van het Antilliaanse bestuursrecht, een beroep op het zogenoemde pokopoko-beginsel. Volgens belanghebbende heeft de autoriteit in het onderhavige geval ruimschoots de tijd (genomen) om een beslissing te nemen, zodat van belanghebbende – in een geval als het onderhavige – niet een strikte onverwijldheid wordt verlangd.

3.5

De Directeur voert redenen aan waaruit blijkt dat belanghebbende mag worden geacht eerder dan op 23 februari 2006 bekend te zijn geweest met vergissing. Daarnaast stelt de Directeur zich op het standpunt dat de specifieke bepaling voor de teruggaaf van bij vergissing aangegeven goederen, dient ter voorkoming van ongewenste situaties die (anders) kunnen voordoen als aangevers tot in lengte van dagen met een beroep op begane misslagen aangiften kunnen herroepen.

3.6

Partijen doen hun standpunten voorts steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Het geschil is terug te voeren op een verzoek om teruggaaf van betaalde invoerrechten (en omzetbelasting) en de afwijzing daarvan. De Raad stelt voorop dat teruggaaf van invoerrechten is geregeld in de LVTI. Hoofdstuk IV van de LVTI bevat zowel de algemene bepalingen bij het verlenen van teruggaaf als de specifieke vereisten die daaraan zijn verbonden.

4.2

Nu partijen het met elkaar eens zijn dat het onderhavige geval betrekking heeft op bij vergissing aangegeven goederen, zijn de hoofdstuk IV, afdeling 2, paragraaf 2, van de LVTI neergelegde specifieke voorwaarden van toepassing (artikel 153, lid 1 LVTI).

4.3

Belanghebbende voldoet, behoudens het onverwijldheidsvereiste, dat in geschil is, overigens aan alle in artikel 153, lid 1, LVTI opgenomen voorwaarden voor teruggaaf.

4.4

Ten aanzien van het onverwijldheidscriterium overweegt de Raad als volgt. Indien sprake is van bij vergissing aangegeven goederen, zoals in het onderhavige geval, verloopt er tijd tussen de (foutieve) aangifte en de ontdekking daarvan. Na de ontdekking van de vergissing, dienen de goederen onverwijld [te] worden aangegeven voor de douaneregeling waarvoor zij zijn bestemd, aldus artikel 153, lid 1, onderdeel e, LVTI. Om vast te stellen of aan het onverwijldheidsvereiste is voldaan, prevaleert niet het subjectieve moment waarop de betrokkene bekend wordt met de vergissing, maar dient een geobjectiveerde maatstaf aangelegd te worden. Beslissend is het moment waarop de betrokkene geacht mag worden bekend te zijn met de vergissing en dat is over het algemeen uiterlijk bij aflevering van de goederen bij de opdrachtgever dan wel bij eerdere uitreiking van de factuur. Daarbij hanteert de Raad het uitgangspunt dat bij de betrokkenen sprake is van een normale en adequaat functionerende (administratieve) organisatie. Het antwoord op de vraag of een aangifte onverwijld is hersteld is afhankelijk van het tijdsverloop tussen de ontdekking van de vergissing en de – voor de douaneautoriteiten – kenbare herroeping daarvan. Naar het oordeel van de Raad houdt onverwijld een termijn in van niet meer dan twee werkdagen.

4.5

Nu belanghebbende de bewuste goederen op 26 januari 2006 heeft afgeleverd en de factuur ook op dezelfde datum heeft overhandigd aan [ Z ] N.V., moet het ervoor worden gehouden dat belanghebbende op dat moment de vergissing heeft kunnen ontdekken. Omdat belanghebbende pas bij schrijven van 28 februari 2006 de douaneautoriteiten heeft geïnformeerd over de gemaakte vergissing, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat belanghebbende aan het onverwijldheidscriterium heeft voldaan. De teruggaaf kan dan ook niet worden verleend.

5 Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. J.Th. Drop, Th. Groeneveld en J.A.C.A. Overgaanw in tegenwoordigheid van de secretaris S.L. Rasmijn en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2008.

w.g. S.J. Rasmijn w.g. J. Th. Drop

Voor afschrift:

De secretaries van de Raad van Beroep voor belastingzaken,