Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2007:BT2882

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
2006-0256
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winstbelasting / 1999 / Bonaire

Beroepschrift tegen fictieve weigering wordt geacht mede de uitspraak te betreffen indien de inspecteur hangende het geding voor de Raad alsnog uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. Geen opgewekt vertrouwen dat de verschuldigde winstbelasting zou worden gesteld op een lager bedrag dan volgt uit toepassing van het wettelijke tarief. De mededeling over de lagere belasting is niet afkomstig is van een ter zake van de belastingheffing bevoegd bestuursorgaan. Bovendien stond het bedrag van de verschuldigde winstbelasting in de mededeling en werd het werkelijk verschuldigde bedrag in de ingediende aangifte opgenomen. Dat bij de verkoop is overeengekomen dat een bepaald bedrag aan winstbelasting met de door het Eilandgebied Bonaire verschuldigde koopsom zal worden verrekend is niet van invloed zijn op de hoogte van het totale bedrag aan winstbelasting dat op aangifte dient te worden voldaan. De door belanghebbende gestelde toezegging zo duidelijk in strijd is met een juiste toepassing van de Landsverordening winstbelasting 1940 dat belanghebbende in redelijkheid niet op nakoming ervan zou mogen rekenen. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval is er geen sprak van schuld, laat staan opzet van belanghebbende. De boete wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 13 juli 2007, nr. 2006-0256

1. Loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is op 30 juli 2004 een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 1999 opgelegd te bedrage van Naf. 3.531.650,-. Daarbij is tevens een boete van 100 percent van het bedrag van de naheffingsaanslag opgelegd.

1.2. De Inspecteur heeft met dagtekening 14 juli 2006 uitspraak op het door belanghebbende ingediende bezwaar gedaan. Bij die uitspraak is het bedrag van de aanslag verminderd tot op Naf. 3.006.650,-. De opgelegde boete is dienovereenkomstig verminderd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op 24 mei 2006 beroep ingesteld.

1.4. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5. Ter zitting van de Raad op 19 april 2007 te Kralendijk is verschenen de Inspecteur; belanghebbende is niet verschenen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Op 30 december 1999 heeft belanghebbende het eiland Klein Bonaire verkocht en geleverd aan het Eilandgebied Bonaire.

2.2. Ter zake van deze verkoop heeft mr. M, notaris, aan de directeur van belanghebbende bij faxbrief van 22 december 1999 medegedeeld:

“D N.V. verkoopt direct aan het Eilandgebied Bonaire, de percelen grond ten name van de vennootschap, vormend Klein Bonaire.

De koopsom bedraagt Naf. 9.000.000,-- te voldoen op datum van transport, onder aftrek van grondbelasting en een bedrag van Naf. 525.000,-- welk laatste bedrag overeenkomt met de voorgestelde 7,5%.

Op grond van de koopsom en er van uitgaande dat de boekwaarde thans Naf. 1.100.000,-- bedraagt zal er een winstbelasting verschuldigd zijn. Deze winstbelasting met opcenten (15%) bedraagt over de eerste miljoen Naf. 380.000,-- en over het restant (Naf 6.900.000) 39%. Totaal bedraagt de winstbelasting aldus Naf 3.531.650,--. Dit bedrag wordt door het Eilandgebied direct aangewend als onderdeel van de koopsom. Op deze wijze voldoet u formeel aan de aangifte winstbelasting, die dan ook daadwerkelijk moet worden ingediend op datum van transport.

Per saldo ontvangt U dus een bedrag groot Naf 8.475.000,-- minus de grondbelasting Naf 29.438,60.”

2.3. Belanghebbende heeft met dagtekening 29 december 1999 een aangifte winstbelasting voor het jaar 1999 ingediend. In deze aangifte is een bedrag van Naf. 3.531.650,- aan verschuldigde winstbelasting vermeld.

2.4. De Stichting Overheidsaccountantsbureau (hierna: de SOAB) heeft op verzoek van het Bestuurscollege van het eilandgebied Bonaire een onderzoek ingesteld naar de gang van zaken rond de aankoop van Klein Bonaire. Het terzake opgemaakte rapport van 23 januari 2003, waarvan een afschrift tot de stukken van het geding behoort, vermeldt onder meer het volgende:

“Bij brief d.d. 21 december 1999 (...) geeft de vertegenwoordiger van D te kennen dat hij de verkoop van Klein Bonaire wil laten doorgaan onder de voorwaarde dat de winstbelasting tegen een percentage van 7,5% zal worden berekend.

(...)

Naar aanleiding van het verzoek van de Gezaghebber legt de heer L, toenmalig Ontvanger van het Eilandsgebied Bonaire, bij brief d.d. 21 december 1999, een voorstel neer bij de Gezaghebber inzake het probleem van de belastingheffing over de boekwinst van Klein Bonaire (bijlage 3). Dit voorstel gaat uit van een door de verkopers gewenst te betalen belastingbedrag ad Naf 525.000,00. Het netto door de verkopers te betalen bedrag werd op basis hiervan gecalculeerd op Naf 8.475.000,00 minus nog verschuldigde grondbelasting. Conform dit voorstel zou het Eilandgebied nog aditioneel boven het bedrag van Naf 9,0 mln. nog Naf 3.006.650,00 (de berekende winstbelasting ad Naf 3.531.650,00 -/- Naf 525.000,00) zijnde winstbelastingderving, moeten bijbetalen om aan het door D gewenste bedrag ad Naf 8.475.000,00 te komen. (...)

Het voorstel was bedoeld om door middel van een “vestzak broekzak” methode, dwz een methode waarbij het eilandgebied geen contant geld voor de aankoop van Klein Bonaire hoefde uit te geven, tegemoet te komen aan de eis van D om ter zake de transactie een lager winstbelastingbedrag te betalen.

(...)

De aankoop van Klein Bonaire is tot stand gekomen met toepassing van een verrekeningsmodel waarbij uitgegaan wordt van een verlaagde winstbelastingpercentage van 7,5%. Conform art. 45 van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 zoals gewijzigd bij P.B. 1996 nr. 209, valt het treffen van belastingregelingen onder de bevoegdheid van de Minister van Financiën.

Wij hebben vastgesteld dat een beslissing van de Minister van Financiën met betrekking tot deze aangelegenheid ontbreekt. Ook blijkt uit de beschikbare informatie niet dat de betrokkenen door het Bestuurscollege geautoriseerd waren om het voorstel aan D voor te leggen.

Autorisatie door de daartoe bevoegde organen (Bestuurscollege, respectievelijk de Eilandsraad) is van belang aangezien bij het opleggen van de aanslag winstbelasting door de Inspectie der belastingen, de Eilandsontvanger c.q. het eilandgebied Bonaire met een incassoprobleem zal worden geconfronteerd, Zonder deze autorisatie namelijk zal de Eilandsontvanger over moeten gaan tot incasso van het openstaande bedrag ad Naf 3.006.650,00. Het incasseren van dit bedrag zal kunnen worden bemoeilijkt aangezien het verrekeningsvoorstel via de notaris aan D ter accordering werd voorgelegd. Door dit optreden kan de schijn zijn opgewekt dat het voorstel de formele goedkeuring van de daartoe bevoegde instanties draagt.”

2.5. Gezien de beperkte doelstellingen van het SOAB-onderzoek heeft de Algemene Rekenkamer Nederlandse Antillen besloten de stand van zaken ten aanzien van de afwikkeling van de winstbelasting en de financiering alsnog te onderzoeken. Het naar aanleiding van dat onderzoek opgestelde concept rapport van 29 januari 2004, waarvan een afschrift tot de stukken van het geding behoort, vermeldt onder meer:

“De Kamer komt tot de conclusie dat het Bestuurscollege zelfstandig heeft besloten dat de eigenaar in plaats van ANG 3,5 miljoen, een bedrag van slechts ANG 525.000 wegens winstbelasting hoefde af te dragen. Naar de mening van de Kamer is het Bestuurscollege niet bevoegd tot een dergelijke ruling te besluiten. Om die reden bestaat er juridisch gezien geen ruling op basis waarvan de eigenaar niet ANG 3,5 miljoen wegens winstbelasting moest betalen. Per saldo bestaat er nog steeds een voorlopige vordering op de verkoper van Klein Bonaire wegens winstbelasting tot een bedrag van rond ANG 3 miljoen.

De Kamer is van mening, dat de Inspectie der Belastingen op eigen initiatief vervolgstappen had moeten ondernemen opdat e.e.a. formeel op juiste wijze kon worden afgewikkeld. Op grond van artikel 29B lid 2 sub b van de op het moment van de koop geldende verordening Winstbelasting, kan de Inspecteur namelijk een voorlopige aanslag opleggen tot het bedrag dat de Inspecteur juist voorkomt bij onder andere vervreemding van onroerende goederen. Deze vervolgstappen dienen naar de mening van de Kamer alsnog te worden genomen.”

2.6. Aan belanghebbende is met dagtekening 30 juli 2004 onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.

2.7. Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard dat hij vóór het opleggen van de boete geen mededeling van zijn voornemen daartoe aan belanghebbende heeft gedaan.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of ten aanzien van belanghebbende het rechtens te honoreren vertrouwen is gewekt dat de door haar verschuldigde winstbelasting ter zake van de verkoop van het eiland Klein Bonaire zou worden gesteld op een bedrag van Naf. 525.000,-. Voorts is in geschil het antwoord op de vraag of de boete terecht is opgelegd.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4. Beoordeling

<i>Aangaande de ontvankelijkheid van het beroep</i>

4.1. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Raad. Hangende het geding voor de Raad heeft de Inspecteur alsnog uitspraak op het bezwaar gedaan. Naar het oordeel van de Raad dient het beroep van belanghebbende te worden geacht mede te zijn gericht tegen de (reële) uitspraak op bezwaar. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

<i>Aangaande het rechtens te honoreren vertrouwen</i>

4.2. De Raad is van oordeel dat belanghebbende aan de in onderdeel 2.2. hiervoor weergegeven mededeling niet het rechtens te honoreren vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de door haar verschuldigde winstbelasting zou worden gesteld op een bedrag van Naf. 525.000,-. Nog daargelaten dat deze mededeling niet afkomstig is van enig ter zake van de belastingheffing bevoegd bestuursorgaan, stuit het beroep op opgewekt vertrouwen naar het oordeel van de Raad reeds af op de inhoud ervan. In die mededeling wordt immers gesteld dat de verschuldigde winstbelasting Naf 3.531.650,- bedraagt, welk bedrag belanghebbende tevens in de door haar ingediende aangifte heeft opgenomen.

4.3. Aan het onder 4.2 vermelde oordeel doet niet af dat – naar de Raad uit de overgelegde stukken verstaat - bij de verkoop is overeengekomen dat een bedrag van Naf. 525.000,- aan winstbelasting met de door het Eilandgebied Bonaire verschuldigde koopsom zal worden verrekend. Het bij de verrekening gehanteerde bedrag kan naar het oordeel van de Raad niet van invloed zijn op de hoogte van het totale bedrag aan winstbelasting dat op aangifte dient te worden voldaan.

4.4. Daarenboven is de Raad van oordeel dat de door belanghebbende gestelde toezegging zo duidelijk in strijd is met een juiste toepassing van de Landsverordening winstbelasting 1940 (hierna: LWB) dat belanghebbende in redelijkheid niet op nakoming ervan zou mogen rekenen (Vgl. HR 21 juni 1991, nr. 7755, NJ 1991, 709). Het gelijk is in zoverre aan de Inspecteur.

<i>Aangaande de opgelegde boete</i>

4.5. Indien een naheffingsaanslag wordt opgelegd omdat de belasting die op definitieve aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald, dient de Inspecteur overeenkomstig artikel 23, lid 2, LWB in beginsel een boete op te leggen van 100% van het nageheven bedrag. Ingevolge artikel 23, lid 9, LWB blijft oplegging van een dergelijke boete evenwel achterwege voor zover het niet aan opzet of schuld van de belastingplichtige is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

4.6. Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, met name (i) de acceptatie van een betaling van een gedeelte van de verschuldigde belasting middels verrekening met de verschuldigde koopsom, (ii) de ontstane onduidelijkheid omtrent de hoogte van die verrekening en (iii) de onvoorwaardelijke vermelding van het volledige bedrag van de verschuldigde belasting in de door belanghebbende ingediende aangifte, kan naar het oordeel van de Raad bezwaarlijk worden geoordeeld dat het aan schuld, laat staan opzet, van belanghebbende is te wijten dat de belasting niet of niet tijdig is betaald. De boete dient derhalve te worden vernietigd.

5. Beslissing

De Raad:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor wat betreft de boete,

- handhaaft de naheffingsaanslag zoals vastgesteld bij de uitspraak op bezwaar, en

- vernietigt de opgelegde boete.

mrs. J.Th. Drop, C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen