Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2007:BT2876

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
2006-0362 en 0488
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / 1998 en 1999 / Curaçao

Afschrijving op debiteuren. Bewijslast berust bij belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 3 juli 2007, nr. 2006-0362 en 0488

1. Het procesverloop

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van 4 augustus 2006 is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van Naf. 83.854.

1.2. Voor het jaar 1999 is aan belanghebbende met dagtekening 30 december 2004 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting opgelegd. Het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar, dat op 17 februari 2005 bij de Inspecteur is binnengekomen, is bij uitspraak van de Inspecteur van 4 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Niettemin heeft de Inspecteur gronden aanwezig geacht om de aanslag van ambtswege te verminderen tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van Naf. 140.558 met verval van de oorspronkelijk opgelegde boete.

1.3. Tegen genoemde uitspraken van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Raad. Ter zitting van 23 april 2007 te Willemstad zijn verschenen belanghebbende en mr. R, namens de Inspecteur.

2. Ontvankelijkheid van het bezwaar 1999

Vaststaat dat het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag over het jaar 1999 binnen de bezwaartermijn van twee maanden bij de Inspecteur is ingediend. Hiervan uitgaande heeft de Inspecteur belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar, zodat de uitspraak op het bezwaar moet worden vernietigd door de Raad en het beroep in zoverre gegrond is.

3. Omschrijving van het geschil

Het geschil dat partijen verdeeld houdt, betreft de vraag of belanghebbende ten laste van de winst van het jaar 1998 mocht brengen een bedrag van Naf. 20.000 in verband met de (mogelijke) oninbaarheid van tot zijn ondernemingsvermogen behorende vorderingen. Partijen verschillen voor wat betreft het jaar 1999 ook van mening over de afwaardering van de vorderingen. Belanghebbende waardeert voor het jaar 1999 zeven met name genoemde posten op nihil, hetgeen – aldus de belanghebbende – leidt tot een afwaardering van Naf. 73.071.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij de beoordeling van het geschil moet worden vooropgesteld dat in het kader van de berekening van de genoten winst uit onderneming, het aan een belastingplichtige is toegestaan de tot zijn ondernemingsvermogen behorende vorderingen afzonderlijk te waarderen in dier voege, dat ten aanzien van elk daarvan afzonderlijk met het oog op de daarin gelegen risico’s de waarde wordt geschat. Het is aan de belastingplichtige echter evenzeer toegestaan om de gezamenlijke vorderingen met het oog op die risico’s te waarderen op een zeker percentage van het totale bedrag van de vorderingen. Dit een en ander is niet anders indien ter zake van die risico’s niet het bedrag van de vorderingen ten laste van de winst wordt afgewaardeerd, maar in plaats daarvan een voorziening wordt gevormd (een zogenoemde voorziening wegens dubieuze debiteuren). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt in dit verband mee dat het in beginsel op de weg van de belastingplichtige ligt om – al dan niet op basis van ervaringscijfers – aannemelijk te maken dat bedoelde risico’s bestaan en op welk bedrag van de vorderingen zij moeten worden geschat.

4.2. Ten aanzien van het jaar 1998 heeft belanghebbende met de enkele stelling dat goed koopmansgebruik hem toestaat een voorziening vanwege dubieuze debiteuren te vormen zonder daarbij aan te geven waaruit de risico’s bestaan die de vorming van een zulk een voorziening rechtvaardigen, naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat een bedrag van Naf. 20.000 ten laste van de winst kan worden gebracht.

4.3. Voor het jaar 1999 is belanghebbende naar het oordeel van het Hof er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat een bedrag van Naf. 73.071. – de zeven met name genoemde posten – ten laste van de winst kan worden gebracht. Wat betreft de (twee van de zeven) posten CC N.V. en CI N.V. is onvoldoende het feit dat deze bedrijven in een na 1999 gelegen jaar failliet zijn gegaan. Voor de overige vijf posten is onvoldoende de stelling van belanghebbende dat deze ter incasso in handen van een advocaat zijn gesteld, aangezien belanghebbende dat pas heeft gedaan in het jaar 2005; daarbij heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat belanghebbende aan zijn cliënten die in het jaar 1999 niet hebben betaald nadien diensten is blijven verrichten welke ook zijn betaald.

4.4. Ter zitting heeft belanghebbende nog verklaard dat naar zijn ervaring ultimo van het jaar 10 % van de vorderingen op zijn cliënten niet kan worden ingevorderd. De Inspecteur heeft dit niet betwist en hij accepteert dat de vorderingen van de belanghebbende op zijn cliënten ultimo 1998 en ultimo 1999 met dat percentage worden afgewaardeerd. De waarde van de vorderingen bedroeg op balansdatum 1998 Naf. 44.786,96 en op balansdatum 1999 Naf. 37.500. De afwaardering voor het jaar 1998 bedraagt dan Naf. 4479 en voor het jaar 1999 Naf. 3750.

5. Beslissing

De Raad verklaart het beroep tegen de aanslag over het jaar 1998 gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van Naf 79.375. De Raad verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag over het jaar 1999 gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, verklaart belanghebbende ontvankelijk in bezwaar en vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van Naf. 136.808.

mrs. J.Th. Drop, C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen