Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2007:BI3307

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
11-05-2009
Zaaknummer
2002-0266 en 0267
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij ontbreken kassaslips rust bewijslast dat omzetcorrectie te hoog is bij belanghebbende (art. 45, lid 1, LIB). Belanghebbende is hier niet in geslaagd Een pand dat slechts in de onderneming wordt aangewend, kan niet tot het privévermogen worden gerekend. Indien in het verleden ten onrechte geen investeringsaftrek is opgevoerd, kan in een later jaar niet met een beroep op de foutenleer alsnog investeringsaftrek in aanmerking worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

Vindplaats         &nbsp2002-0266 en 0267

Datum               &nbsp18 april 2007

Rechters            &nbspDrop, Groeneveld, Overgaauw

Middel                &nbspIB

Artikel                &nbsp9A, 45

Belastingjaar     &nbsp1998-1999

Plaats                &nbspCuracao

Essentie            &nbspBij ontbreken kassaslips rust bewijslast dat omzetcorrectie te hoog is bij

                         &nbspbelanghebbende (art. 45, lid 1, LIB). Belanghebbende is hier niet in

                         &nbspgeslaagd Een pand dat slechts in de onderneming wordt aangewend, kan

                         &nbspniet tot het privévermogen worden gerekend. Indien in het verleden ten

                         &nbsponrechte geen investeringsaftrek is opgevoerd, kan in een later jaar niet

                         &nbspmet een beroep op de foutenleer alsnog investeringsaftrek in

                         &nbspaanmerking worden genomen.

1. Het procesverloop

1.1. Aan belanghebbende zijn aanvankelijk voor de jaren 1998 en 1999 aanslagen in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van onderscheidenlijk Naf. 26.410 negatief en Naf. 13.674. Vervolgens zijn hem op 8 augustus 2002 over die jaren navorderingsaanslagen opgelegd naar een belastbaar inkomen van onderscheidenlijk Naf. 84.762 en Naf. 76.689. Beide aanslagen zijn verhoogd met een boete van 25 percent van de nagevorderde belasting. Belanghebbende is in beroep gekomen tegen deze aanslagen bij een tweetal op 4 oktober 2002 – derhalve tijdig – bij de Raad binnengekomen beroepschriften. De Raad heeft beide zaken ter behandeling gevoegd.

1.2. Op 3 november 2006 is de zaak ter zitting van de Raad behandeld. Op die zitting zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld door A en B. Namens de Inspecteur is verschenen C. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

2. De feiten

De Raad stelt op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende drijft in de vorm van een eenmanszaak een snack genaamd “D”. Belanghebbende heeft de snack van 1986 tot 1993 geëxploiteerd. Van 1993 tot en met mei 1998 heeft belanghebbende de snack (inclusief inventaris) verhuurd aan een derde; belanghebbende is in die periode voor de inkomstenbelasting ondernemer gebleven. Met ingang van juni 1998 is belanghebbende de snack weer zelf gaan exploiteren.

2.2. In 2002 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld over de jaren 1996 tot en met 1999. Uit dit onderzoek is onder meer gebleken dat belanghebbende het door hem in 1988 aangeschafte bedrijfspand (hierna: het pand), dat slechts in de onderneming wordt aangewend, in 1998 niet langer tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend en dat hij ter zake van de overbrenging van het pand naar zijn privé-vermogen niet heeft afgerekend over de meerwaarde van het pand.

3. Het geschil

3.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de volgende vragen:

- zijn de door de Inspecteur aangebrachte omzetcorrecties – waarbij is uitgegaan van een brutowinstpercentage van 50 percent – terecht?

- bestaat er recht op investeringsaftrek voor het pand en de inventaris en is ter zake van deze activa de regeling van de willekeurige afschrijving op een juiste wijze toegepast?

- zijn de boetes terecht en tot op een juist bedrag opgelegd?

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Uit de jaarrekeningen die aan de aangifte voor het jaar 1998 ten grondslag ligt, volgt een brutowinstpercentage van 21 percent. Dit percentage is evenwel, naar de Inspecteur heeft gesteld, aanzienlijk lager dan zowel het percentage dat is berekend op basis van de bevindingen van het boekenonderzoek. Ook vergeleken met de brutowinstpercentages zoals die volgen uit controles bij andere belastingplichtigen, is, aldus de Inspecteur, het percentage van 21 percent laag. Voorts zijn volgens de Inspecteur niet alle verkopen verantwoord en zijn de zogenoemde kassaslips over 1998 niet bewaard gebleven. Nu deze stellingen door belanghebbende niet althans onvoldoende zijn weersproken, heeft de Inspecteur zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 37, lid 3, van de LIB (tekst 1998) op hem rustende verplichting een deugdelijke boekhouding te voeren. Hieraan dient de gevolgtrekking te worden verbonden dat op grond van artikel 45, lid 1, van de LIB de aanslagen worden gehandhaafd, zo belanghebbende niet heeft doen blijken in hoeverre deze onjuist zijn.

4.2. Gelet op de door beide partijen aangevoerde argumenten heeft belanghebbende naar het oordeel van de Raad niet doen blijken dat de door de Inspecteur aangebrachte omzetcorrectie te hoog is. In dit verband verwerpt de Raad het betoog van belanghebbende dat de lage brutowinstpercentages te wijten zijn aan het feit dat sprake is van een onderneming in de opstartfase, aangezien belanghebbende tot 1993 de snack zelf heeft geëxploiteerd en voorts het zo-even genoemde verschil zowel in absolute als in relatieve termen te groot is om door het betoog van belanghebbende te kunnen worden verklaard. Ook overigens acht de Raad de winstcorrectie niet onredelijk.

4.3.1. Met betrekking tot het pand heeft het volgende te gelden. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een pand als het onderhavige deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen van een belastingplichtige, is in het algemeen beslissend de wil van die belastingplichtige zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uiting is gekomen, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid zouden zijn te buiten gegaan. Deze grenzen worden in ieder geval te buiten gegaan wanneer in een geval als het onderhavige waarin een pand slechts in de onderneming van de belastingplichtige wordt aangewend, dat pand tot het privé-vermogen van de belastingplichtige zou worden gerekend. Het andersluidende standpunt van belanghebbende in dezen moet dus worden verworpen.

4.3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij ter zake van de investeringen in de onderhavige jaren recht heeft op investeringsaftrek. Ofschoon dit standpunt juist, kan dit niet leiden tot een vermindering van de aanslagen aangezien bij het opleggen daarvan, naar volgt uit de stukken van het geding (in het bijzonder het controlerapport naar aanleiding waarvan de onderwerpelijke aanslagen zijn opgelegd), reeds rekening is gehouden met die investeringsaftrek. Zo is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9A van de LIB ter zake van de investering in het pand in beide jaren een investeringsaftrek in aanmerking genomen van 12 percent van Naf. 31.729 (zijnde het bedrag van de in 1998 gemaakte verbouwingskosten) en 8 percent van Naf. 12.245 (zijnde het bedrag van de in 1998 gedane investeringen in de inventaris).

4.3.3. Voorzover belanghebbende met een beroep op de zogenoemde foutenleer betoogt dat bij de bepaling van de hoogte van de investeringsaftrek ten onrechte geen rekening is gehouden met in het verleden gedane investeringen, kan de Raad hem daarin niet volgen. Ingevolge het bepaalde in artikel 9A, lid 1, van de LIB wordt – kort gezegd – in het jaar van investering alsmede het daaropvolgende jaar een bepaald percentage van het investeringsbedrag ten laste van de winst over het betreffende jaar gebracht. Indien zulks in enige jaar niet is geschied, leidt dit er niet toe dat sprake is van een bepaaldelijke en in het eindvermogen van het laatst vastgestelde jaar doorwerkende fout. Mitsdien kan in een later jaar niet met een beroep op de foutenleer de investeringsaftrek alsnog in aanmerking worden genomen.

4.3.4. Ook de stelling van belanghebbende dat bij het opleggen van de aanslagen ten onrechte geen rekening is gehouden met de willekeurige afschrijving op het pand alsmede de inventaris, moet worden verworpen. Uit de stukken van het geding, in het bijzonder het controlerapport naar aanleiding waarvan de onderwerpelijke aanslagen zijn opgelegd, volgt immers dat bij het opleggen van de aanslagen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9, lid 5, van de LIB vervroegd is afgeschreven op de te activeren verbouwingskosten van het pand (voor een bedrag van een derde van Naf. 31729, derhalve Naf. 10.576) alsmede op de investeringen in de inventaris (voor een bedrag van een derde van Naf. 12.245, derhalve Naf. 4082).

4.4. Ter zitting heeft de Inpecteur gesteld geen termen aanwezig te achten voor het handhaven van de in de aanslagen begrepen verhogingen. Partijen zijn derhalve eensluidend van oordeel dat deze dienen te vervallen. De Raad zal in navolging hiervan de aanslagen dan ook dienovereenkomstig verminderen.

5. Beslissing

De Raad:

verklaart het beroep gegrond, en vermindert de aanslagen in dier voege dat de daarin begrepen verhogingen vervallen.