Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2006:BQ9211

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
2004/0351
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting / 2003 / Curaçao

De van een CV ontvangen vergoeding is belast omdat sprake is van een ontvangen managementvergoeding en niet van winstverdeling. Dat deze managementvergoeding achteraf kan worden aangepast doet hieraan niet af. Aangezien belanghebbende geen aandeelhouder in of vennoot van de CV is, is al hetgeen zij in het onderhavige tijdvak heeft ontvangen, ontvangen op grond van de tussen haar en de CV gesloten managementovereenkomst. Een compromis met betrekking tot de heffing van de ABB levert geen in rechte te beschermen opgewekt vertrouwen op, nu op grond van dat compromis de betreffende vergoeding onbelast is gebleven, omdat de OB een andere heffing is dan de ABB. De onder de ABB gesloten overeenkomsten gelden niet (automatisch) ook voor de OB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 5 september 2006, nr. 2004/0351

1. Het procesverloop:

1.1 Aan belanghebbende is, gedagtekend 12 maart 2003, een naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het jaar <i>(Red.: uit de processtukken blijkt dat de aanslag betrekking heeft op de maand januari)</i> 2003 opgelegd. Belanghebbende heeft op 28 maart 2003 een bezwaarschrift tegen deze naheffingsaanslag ingediend. Op 26 april 2004 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op dit bezwaarschrift. Het beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar is ingediend op 7 mei 2004. De Inspecteur heeft, gedagtekend 24 augustus 2005, een vertoogschrift ingediend.

1.2 De zaken zijn behandeld ter zitting van de Raad op 27 maart 2006. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en de Inspecteur. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen, welke pleitnota’s tot de stukken van het geding worden gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten:

2.1 Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten vast komen te staan.

2.2 Belanghebbende houdt 100 % van de aandelen in M Holding N.V., een commanditair vennoot in K Holding C.V.. De inbreng van de commanditaire vennoot bestaat uit kapitaal waarvoor een rentevergoeding wordt ontvangen. De beherend vennoot van K Holding C.V. is K Beheer N.V. .De directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende behoort tot de aandeelhouders van K Beheer N.V.; voorts worden aandelen in K Beheer gehouden door zogenaamde persoonlijke holdingvennootschappen, aandeelhouders van deze vennootschappen zijn natuurlijke personen.

2.3 Belanghebbende zelf is geen beherend of commanditair vennoot van K Holding C.V. maar heeft een managementovereenkomst gesloten met K Holding C.V.. Belanghebbende ontvangt op grond van deze managementovereenkomst een van de winst afhankelijke vergoeding voor het aan K Holding C.V. volledig ter beschikking stellen van haar directeur, registeraccountant, een en ander conform het tot de gedingstukken behorend financieel reglement.

2.4 Over het jaar ontving belanghebbende op grond van de managementovereenkomst een bedrag van Naf 600.000,-.

2.5 Met ingang van het jaar 2001 wordt de winstverdeling binnen K Holding C.V. geregeerd door de zogenaamde “A Agreement” waarin onder meer is vastgelegd dat al hetgeen de partners van K Holding C.V. ontvangen een winstaandeel is en al hetgeen wordt ontvangen voorafgaande aan de vaststelling van de winst slechts als voorschot is te beschouwen, waarvan eventueel een gedeelte moet worden teruggestort.

2.6 Onder het regime van de algemene bestedingsbelasting (hierna: ABB) was een compromis gesloten tussen belanghebbende en de Inspecteur betreffende de heffing van deze belasting over de betalingen door K Holding C.V. aan de verschillende vennootschappen. Afgesproken was dat betalingen aan vennootschappen die indirect commanditair vennoot waren in K Holding CV kwalificeerden als winstuitkering en onbelast waren en dat betalingen aan vennootschappen die niet door middel van een andere vennootschap indirect commanditair vennoot waren in K Holding CV voor 60% aan de heffing van ABB onderworpen waren.

3. Geschil:

Na de toezegging van de Inspecteur dat de opgelegde boete zal vervallen is in geschil het antwoord op de vraag of er over de door belanghebbende ontvangen management vergoeding omzetbelasting is verschuldigd.

Ter zitting heeft belanghebbende als meer subsidiaire stelling nog gesteld dat slechts hetgeen door belanghebbende op grond van de managementovereenkomst is ontvangen is belast, de naheffingsaanslag dient te worden verlaagd tot Naf 798,00 respectievelijk Naf 1.326,00.

4. De overwegingen:

4.1 Vaststaat dat belanghebbende geen vennoot is van K Holding C.V., de vergoedingen die belanghebbende ontvangt van K Holding C.V. ontvangt belanghebbende derhalve slechts op grond van de managementovereenkomst.

4.2 De managementovereenkomst bepaalt in artikel 2.1. dat belanghebbende haar directeur voltijds aan K Holding C.V. ter beschikking stelt; ingevolge artikel 6 wordt het honorarium bepaald conform het financieel reglement en artikel 7 verwijst voor wat betreft verdere vergoedingen en tegemoetkomingen eveneens naar het financieel reglement.

4.3 De winst van K Holding C.V. wordt overeenkomstig artikel 15, lid 4 van de commanditaire vennootschapsovereenkomst vastgesteld na aftrek van de op grond van de managementovereenkomst uitgekeerde bedragen.

4.4 Belanghebbende stelt allereerst dat de van K Holding C.V. ontvangen vergoeding onbelast is op grond van het feit dat er in casu sprake is van winstverdeling en dat de van K Holding C.V. ontvangen management vergoeding derhalve voor de Landsverordening omzetbelasting 1999 (hierna: LOB), die de vergoeding voor het ter beschikking stellen van kapitaal door een aandeelhouder of een commanditaire vennoot niet treft, geen belaste prestatie vormt.

4.5 Gelet op hetgeen onder 4.1. tot en met 4.4. is vastgesteld, is naar het oordeel van de Raad geen sprake van winstverdeling, maar van een contractueel overeengekomen recht op een managementvergoeding. Het gaat om de vergoeding voor het voltijds ter beschikking stellen van de directeur van belanghebbende. Dat deze management vergoeding achteraf kan worden aangepast op grond van de in 2.5 genoemde A Agreement doet hieraan niet af.

Artikel 2, letter a, van de LOB bepaalt dat er omzetbelasting geheven wordt over diensten die verricht worden door ondernemers in het kader van hun onderneming. Naar het oordeel van de Raad is bij de op grond van de managementovereenkomst verrichte diensten hiervan sprake. Belanghebbendes primaire stelling wordt door de Raad verworpen.

4.6 Subsidiair beroept belanghebbende zich op het bij hem door het sluiten van een compromis met de betreffende Inspecteur met betrekking tot de heffing van de tot de invoering van de LOB geldende ABB in rechte te beschermen opgewekt vertrouwen, nu op grond van dat compromis de betreffende vergoeding onbelast is gebleven. De Raad wijst dit beroep af, nu de LOB een andere heffing is dan de ABB. De onder de ABB gesloten overeenkomsten gelden, nu daarover in de wetsgeschiedenis niet anders is vermeld, niet (als het ware automatisch) ook voor de LOB. De Raad verwerpt ook belanghebbendes subsidiaire stelling.

4.7 Tenslotte stelt belanghebbende dat hij geen activiteiten in het economische verkeer verricht en dus niet als ondernemer is aan te merken. Uitgangspunt voor directe belastingen is dat iedere rechtspersoon zelfstandig belastingplichtig is en haar prestaties in het economisch verkeer verricht. Dit kan anders zijn indien verschillende (rechts-)personen gezamenlijk in de vorm van een maatschap of daarmee vergelijkbare samenwerkingsvorm in het economisch verkeer optreden. Daarvan is in casu echter geen sprake. Belanghebbende treedt zelfstandig op en vormt geen onderdeel van K Holding C.V. De Raad verwerpt ook deze stelling van belanghebbende.

4.8 Met betrekking tot belanghebbendes ter zitting ingebrachte meer subsidiaire stelling merkt de Raad op dat gelet op de vennootschapsstructuur, waarbij H N.V. geen aandeelhouder in of vennoot van K Holding C.V. is, al hetgeen zij in het onderhavige tijdvak heeft ontvangen, is ontvangen op grond van de tussen belanghebbende en K Holding N.V (Red.: bedoeld zal zijn de CV). gesloten managementovereenkomst. Belanghebbendes meer subsidiaire stelling dient te worden verworpen.

4.9 Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur en moet er worden beslist zoals hieronder is vermeld.

5. Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

mrs. J.Th. Drop, C.W.M..van Ballegooijen en G.J. van Muijen