Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2006:BQ9202

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
2004/0011 en 2004/0015
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting / 1999 en 2000 / Curaçao

Het aanleggen van een golfbaan is een dienst in de zin van de omzetbelasting. In afwijking van de hoofdregel geldt als plaats waar diensten door niet binnen het heffingsgebied wonende of gevestigde ondernemers worden verricht, de plaats waar de prestatie wordt verricht. Het feit dat er binnen de Nederlandse Antillen geen ondernemers zijn gevestigd die golfbanen aanleggen stelt de betreffende regeling niet buiten toepassing. Zowel het uitgeven van de certificaten, die houders het recht tegen betaling van een “memberfee” gebruik te maken van de golfbaan, als ook het tegen betaling van een “memberfee” toelaten tot de golfbaan voor de omzetbelasting belastbare prestaties. De aanschrijving van de Minister van Financiën van 2 november 2001 betreffende een vrijstelling van omzetbelasting voor handelingen inzake waardepapieren kan geen vertrouwen wekken, omdat de vrijstelling is bestemd voor waardepapieren die verhandelbaar zijn en bestemd zijn om het geld- en goederenverkeer te bevorderen. Nu er naar het oordeel van de Raad geen sprake is van een pleitbaar standpunt is het aan de grove schuld van belanghebbende te wijten dat er te weinig belasting is geheven. De opgelegde boete is terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Het ontbreken van een tweede feitelijke instantie leidt er niet toe dat de boete moet vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 5 september 2006, nr. 2004/0011 en 2004/0015

1. Het procesverloop:

1.1 Aan belanghebbende zijn, gedagtekend 10 april 2003, naheffingsaanslagen in de omzetbelasting voor de jaren 1999 en 2000 opgelegd met een boete. Belanghebbende heeft op 26 mei 2003 bezwaarschriften tegen deze aanslagen ingediend. Op 20 november 2003 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op de bezwaarschriften. De beroepschriften tegen de uitspraken op bezwaar zijn ingediend op 16 januari 2004. De Inspecteur heeft, gedagtekend 31 januari 2006, vertoogschriften ingediend.

12. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 27 maart 2006. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur.

2. Tussen partijen vaststaande feiten:

2.1 Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten vast komen te staan.

2.2 Belanghebbende is eigenaar van een terrein gelegen op Curaçao en heeft in 1999 en 2000 daarop een golfbaan (hierna: de golfbaan) laten aanleggen. Bij het aanleggen van de golfbaan is gebruik gemaakt van de diensten van S Construction Ltd., een in X gevestigd bedrijf ( hierna: S), gespecialiseerd in het aanleggen van golfbanen. In 1999 en in 2000 heeft S een werknemer uitgezonden naar Curaçao, die de aanleg van de golfbaan heeft verzorgd en begeleid. In totaal is daarvoor aan belanghebbende een bedrag ad $ 1.798.225,- in rekening gebracht.

2.3 In het jaar 2000 heeft belanghebbende certificaten uitgegeven. De eigenaar van een certificaat verwerft met dit certificaat het recht om tegen betaling van een zogenaamde “memberfee” gebruik te maken van de golfbaan. In 2000 heeft belanghebbende voor een bedrag ad Naf 270.000,- aan certificaten verkocht; aan memberfees heeft belanghebbende in dat jaar Naf. 71.260,- ontvangen.

2.4 De omzet van belanghebbende over 2000 bedroeg Naf. 936.778; niet begrepen in de voor de omzetbelasting aangegeven omzet ad Naf. 412.785,- waren de omzet “memberfees” en de opbrengst certificaten, beide tezamen Naf 341.260,-.

3. Geschil:

Voor het jaar 1999 is uitsluitend in geschil is het antwoord op de vraag of het in 1999 aan S. betaalde bedrag ad Naf. 537.000,- belast is met omzetbelasting op grond van artikel 4, lid 3, jo artikel 11, lid 2, van de Landsverordening omzetbelasting 1999 (hierna: LOB).

Voor het jaar 2000 is naast de vraag of het in 2000 aan S. betaalde bedrag ad Naf. 225.000,- op grond van de in de vorige volzin genoemde artikelen belast is met omzetbelasting eveneens in geschil het antwoord op de vraag of de verkoop van ledencertificaten en de zogenaamde memberfees belast is met omzetbelasting.

Belanghebbende betwist tevens de opgelegde boete.

Ter zitting heeft belanghebbende haar stelling dat de naheffingsaanslagen aan de verkeerde belastingplichtige zijn opgelegd ingetrokken.

4. De overwegingen:

4.1 Belanghebbende stelt dat S een goed heeft vervaardigd en daarom geen dienst heeft verricht. De Inspecteur heeft daartegen ingebracht dat de LOB geen bepaling kent die het vervaardigen van een nieuw goed kwalificeert als een levering. De Raad houdt de stellingname van de Inspecteur voor juist. S. heeft door de aanleg van een golfbaan aan belanghebbende een dienst in de zin van de LOB verleend..

4.2 Artikel 4, lid 3, van de LOB bepaalt dat in afwijking van de hoofdregel van artikel 4, lid 1, van de LOB als plaats waar diensten die door niet binnen het heffingsgebied wonende of gevestigde ondernemers worden verricht, aangemerkt wordt de plaats waar de prestatie wordt verricht.

4.3 Belanghebbende stelt dat artikel 4, lid 3, slechts in de LOB is opgenomen teneinde verstoring van de concurrentie positie tussen binnen en buiten het heffingsgebied gevestigde ondernemers te voorkomen en dat, zo begrijpt de Raad belanghebbendes stelling, nu er binnen de Nederlandse Antillen, volgens belanghebbendes stelling, geen ondernemers zijn gevestigd die golfbanen aanleggen, de betreffende bepaling buiten toepassing dient te blijven.

4.4 Vaststaat dat S. een werknemer gedurende de jaren 1999 en 2000 heeft uitgezonden naar Curaçao; deze werknemer was belast met aanleg en begeleiding van de aanleg van de golfbaan. De plaats waar de prestatie wordt verricht is derhalve binnen het heffingsgebied gelegen en voor dat geval is er, naar het oordeel van de Raad, naar de op dit punt slechts voor één uitleg vatbare de tekst van artikel 4, lid 3 van de LOB, sprake van een belastbare handeling.

Belanghebbendes stelling dat de betreffende bepaling bedoeld zou zijn om concurrentievervalsing te voorkoming en dat er in de onderhavige casus geen sprake zou zijn van concurrentie omdat er binnen het heffingsgebied geen ondernemers zouden zijn gevestigd die zich bezig houden met het aanleggen van golfbanen, kan haar niet baten, nu de betreffende tekst van de LOB geen nadere voorwaarden als door belanghebbende aangevoerd, kent .

4.5 Artikel 1, lid 1, onderdeel b, van de LOB definieert als diensten alle prestaties, niet zijnde leveringen van goederen, die tegen vergoeding worden verricht. Vaststaat dat de houders van de onder 2.3 genoemde certificaten aan deze certificaten zekere rechten ontlenen, te weten het tegen betaling van een “memberfee” gebruik mogen maken van de golfbaan.

4.6 Naar het oordeel van de Raad zijn zowel het uitgeven van de certificaten als ook het tegen betaling van een “memberfee” toelaten tot de golfbaan voor de omzetbelasting belastbare prestaties. Dat de door belanghebbende gebezigde terminologie “member” niet een juridisch correcte omschrijving van de voor de eigenaar van het certificaat opgetreden situatie is, kan daaraan niet afdoen.

4.6 Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op vertrouwen gewekt door de aanschrijving van de Minister van Financiën van 2 november 2001 betreffende een vrijstelling van omzetbelasting voor handelingen inzake waardepapieren. Dit beroep kan haar niet baten. De vrijstelling is blijkens de aanschrijving bestemd voor waardepapieren die verhandelbaar zijn en bestemd zijn om het geld- en goederenverkeer te bevorderen. Aan deze voorwaarde voldoen de certificaten niet.

4.7 Belanghebbende is een naamloze vennootschap en oefent een onderneming uit. Niet valt in te zien waarom belanghebbendes omzet niet aan de omzetbelasting zou zijn onderworpen. Nu er naar het oordeel van de Raad geen sprake is van een pleitbaar standpunt is het aan de grove schuld van belanghebbende te wijten dat er te weinig belasting is geheven. De opgelegde boete is terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

4.8 Belanghebbende bepleit nog het vervallen verklaren van de boete in verband met het ontbreken van een tweede feitelijke instantie. De Raad ziet in dit, gelet op artikel 14 IVBPR, gebrek in de rechtsgang, vooralsnog geen reden om terug te komen op zijn in het verleden reeds meerdere malen genomen beslissingen en handhaaft de boete.

5. Beslissing:

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

mrs. J.Th. Drop, voorzitter en C.W.M..van Ballegooijen en G.J. van Muijen