Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2005:BT6074

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
29-09-2011
Zaaknummer
2004-0018
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoerrechten en Accijnzen / Artikel 75 LVTI / 2003 / Curaçao

Verpakkingsmiddelen ... voor zover zij worden ingevoerd om te worden gebruikt voor de verpakking van in het binnenland gewonnen, vervaardigde, bewerkte of verwerkte goederen, zijn vrijgesteld. Verpakkingsmiddelen ... voor zover zij worden ingevoerd om te worden gebruikt bij de uitvoer van goederen zijn eveneens vrijgesteld. Het enkel verpakken van een grote hoeveelheid cement in cementzakken kwalificeert niet als een bewerking. Geen schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat een vrijstelling verleend is voor verpakkingsmateriaal bestemd voor Aruba. De LVTI maakt immers onderscheid tussen verpakkingsmiddelen die worden gebruikt voor het verpakken van goederen bestemd voor de uitvoer naar het buitenland, en die voor het verpakken van goederen bestemd voor de binnenlandse markt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 25 april 2005, nr. 2004-0018

1. Procesverloop

1.1. Belanghebbende heeft op 14 april 2003 verzocht om een vrijstelling van invoerrechten op de invoer van verpakkingsmaterialen. Het verzoek werd afgewezen bij beschikking van de Inspecteur van 6 juni 2003. Zij heeft daartegen op 24 juni 2003, dus tijdig bezwaar, gemaakt. Bij beschikking van 11 december 2003 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan.

1.2. Belanghebbende is tegen de beschikking op bezwaar op 12 januari 2004, dus tijdig, in beroep gekomen bij de Raad. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad op 11 april 2004. Beide partijen zijn verschenen. De Inspecteur heeft een pleitnota ingebracht.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Belanghebbende voert vanuit het buitenland cement en cementzakken (hierna ook: verpakkingsmateriaal) in. Zij verpakt het cement in de cementzakken en distribueert de zakken cement in Aruba en het binnenland. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht om te worden vrijgesteld van de heffing van invoerrechten op het verpakkingsmateriaal. De Inspecteur heeft dit verzoek slechts gehonoreerd voor zover het gaat om verpakkingsmateriaal bestemd voor cement dat wordt gedistribueerd in Aruba.

3. Geschil en standpunten van partijen

In geschil is of belanghebbende ook recht heeft op een vrijstelling van invoerrechten op verpakkingsmateriaal voor cement, dat bestemd is voor distributie in het binnenland. De Raad verwijst voor de standpunten van partijen naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het beroep

4.1. Artikel 75, eerste lid, onderdeel r, aanhef en sub c van de Landsverordening tarief van invoerrechten (hierna: LVTI) bevat een vrijstelling voor: “Verpakkingsmiddelen ... voor zover zij worden ingevoerd om te worden gebruikt voor de verpakking van in het binnenland gewonnen, vervaardigde, bewerkte of verwerkte goederen”. Onderdeel b van hetzelfde lid bevat een vrijstelling voor: “Verpakkingsmiddelen ... voor zover zij worden ingevoerd om te worden gebruikt bij de uitvoer van goederen”.

4.2. Belanghebbende stelt primair dat het ingevoerde cement door haar wordt bewerkt; de Inspecteur ontkent dit. De Raad is van oordeel dat het enkel verpakken van een grote hoeveelheid cement in cementzakken niet als een bewerking kwalificeert in de zin van de LVTI.

4.3. Belanghebbende stelt subsidiair dat de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel schendt omdat hij wel een vrijstelling verleend heeft voor verpakkingsmateriaal bestemd voor Aruba. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De LVTI maakt immers onderscheid tussen verpakkingsmiddelen die worden gebruikt voor het verpakken van goederen bestemd voor de uitvoer naar het buitenland, zoals Aruba, en die voor het verpakken van goederen bestemd voor de binnenlandse markt. Terecht heeft de Inspecteur rekening gehouden met dit onderscheid bij het afwikkelen van het verzoek van belanghebbende om vrijstelling van invoerrechten.

5. Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

mrs. J.Th. Drop, C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen