Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2005:BT5863

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
27-06-2005
Datum publicatie
29-09-2011
Zaaknummer
2004-0287
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoerrechten en Accijnzen / 2004 / Curaçao

Bewaking van een binnenkomend schip is niet alleen mogelijk bij gebleken aanwezigheid van een lading aan boord. Het schip is dermate groot dat er geen deugdelijke verzegeling kon worden aangebracht om onttrekking aan het douanetoezicht te voorkomen. Het begrip bewaking veronderstelt niet dat de Douane fysiek (en bij voortduring) aanwezig is op het te bewaken schip. De kosten van bewaking kunnen worden verhaald op het schip onverschillig wie de rechthebbende is, voor zover met het schip in strijd met de wettelijke douaneregelingen is gehandeld. Onder deze omstandigheid wordt de nota van kosten van bewaking wordt gesteld ten name van de rechthebbende op het schip op het moment waarop de nota wordt vastgesteld. De Inspecteur is wettelijk niet verplicht is om een zonder lading binnengekomen schip zonder een verzoek daartoe van de eigenaar, reder of scheepsagent te visiteren en vrij te maken en hij is evenmin daartoe gehouden op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEPvan 27 juni 2005, nr. 2004-0287

1. Loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is een nota voor bewakingskosten, gedagtekend 5 februari 2004, gezonden ten bedrage van Naf 13.811,60. Zij heeft daartegen op 19 februari 2004, dus tijdig, bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 27 februari 2004 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en is de nota gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen de beschikking op 24 maart 2004, dus ook tijdig, in beroep gekomen bij de Raad. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingezonden.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad op 11 april 2005. Belanghebbende en de Inspecteur hebben zich laten vertegenwoordigen. De Inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en ingebracht.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Op 9 december 2002 deed het motorschip “F” de haven van Curaçao aan voor reparatie bij de Curaçaosche Droogdok Maatschappij (CDM). Met ingang van 12 september 2003 beëindigde scheepsagent R N.V. haar vertegenwoordiging van de eigenaar of reder van het schip. De eigenaar of reder van het schip heeft na 12 september 2002 geen scheepsagent op Curaçao als vertegenwoordiger aangewezen. De scheepsagent had niet verzocht om visitatie en vrijmaking van het schip; de Douane had het schip daarom in bewaking genomen.

2.2. In juni 2003 en in september 2003 is conservatoir beslag gelegd op het schip door Amerikaanse ondernemingen. Op 14 oktober 2003 is het schip door belanghebbende door koop in eigendom verworven.

2.3. Op 6 november 2003 is de bewaking van het schip door de Douane beëindigd, nadat visitatie en vrijmaking ambtshalve hadden plaatsgevonden.

2.4. De voor visitatie en bewaking verschuldigde kosten zijn aan belanghebbende in rekening gebracht. De kosten van bewaking van Naf 9,50 per uur hebben betrekking op de periode van 13 september 2003 tot en met 6 november 2003 en bedragen Naf 12.540. De kosten van visitatie bedragen Naf 16. Beide bedragen zijn vermeerderd met 10% aan opcenten. De bestreden nota beloopt derhalve Naf 13.811,60

3. Geschil en standpunten van partijen

Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de volgende vragen:

- was de bewaking door de Douane nodig?;

- is bewaking uitgevoerd door de Douane?;

- kunnen aan belanghebbende kosten van bewaking van vóór 14 oktober 2003 in rekening worden gebracht?; en

- had de Douane de bewaking niet eerder moeten staken door het schip te visiteren vóór 6 november 2003?

De Raad verwijst voor de standpunten van partijen naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt primair dat bewaking door de Douane onnodig is geweest, omdat het schip geen lading aan boord had. De Inspecteur heeft de stelling betwist en daartegen ingebracht dat ook inventaris, persoonlijke goederen en scheepsprovisie onderworpen zijn aan invoerrechten en zonder bewaking of verzegeling aan het douanetoezicht zouden kunnen worden onttrokken. De Raad volgt de stelling van de Inspecteur. Bewaking van een binnenkomend schip door de Douane op grond van artikel 118b van de AVIUD is niet alleen mogelijk bij gebleken aanwezigheid van een lading aan boord, maar ook vanwege meegenomen inventaris, persoonlijke goederen en scheepsprovisie als mede mogelijk verzwegen lading. De Inspecteur heeft onbetwist gesteld, zodat het vaststaat, dat het schip der mate groot is dat er geen deugdelijke verzegeling kon worden aangebracht om onttrekking aan het douanetoezicht te voorkomen. De Raad is van oordeel dat onder die omstandigheid de Douane terecht bewaking heeft ingesteld. Deze bewaking was uiteraard niet langer geboden na visitatie en vrijmaking door de Douane op 6 november 2003.

4.2. Belanghebbende ontkent voorts dat de bewaking daadwerkelijk is uitgevoerd, er zijn althans door haar geen douaneambtenaren aan boord van het schip waargenomen. De Inspecteur stelt dat er regelmatig gesurveilleerd is, onder meer bij de CDM, en dat overigens gebruik is gemaakt van moderne middelen van bewaking. De Raad is van oordeel dat begrip bewaking niet veronderstelt dat de Douane fysiek (en bij voortduring) aanwezig is op het te bewaken schip. De Raad acht aannemelijk gemaakt dat de Douane regelmatig heeft gesurveilleerd en anderszins het schip heeft bewaakt.

4.3. Belanghebbende stelt meer subsidiair dat aan haar geen kosten van bewaking in rekening kunnen worden gebracht over de periode vóór 14 oktober 2003, toen zij nog geen eigenaar van het schip was. De Inspecteur stelt dat ook de kosten van de bewaking in die periode aan de huidige eigenaar van het schip in rekening kunnen worden gebracht. Artikel 122c, eerste lid, van de AVIUD houdt in dat de kosten van bewaking kunnen worden verhaald op het schip onverschillig wie de rechthebbende van het schip is, voor zover met het schip in strijd met de wettelijke douaneregelingen is gehandeld. Vaststaat dat de vorige eigenaar van het schip na 12 september 2002 geen scheepsagent op Curaçao ter vertegenwoordiging had aangewezen, zoals de wettelijke douaneregeling, met name artikel 9 van de AVIUD, dat vereist. De Raad is van oordeel dat artikel 122c, eerste lid, onder deze omstandigheid meebrengt dat de nota van kosten van bewaking wordt gesteld ten name van de rechthebbende op het schip op het moment waarop de nota wordt vastgesteld. De stelling van belanghebbende dat de voormalige eigenaar van het schip heeft nagelaten om aan de Douane visitatie te vragen ten einde kosten van bewaking te voorkomen, biedt haar wellicht een mogelijkheid om regres te nemen op die voormalige eigenaar, maar belet de Inspecteur niet om de nota op te leggen aan belanghebbende. Dit geldt te meer nu de Inspecteur niet weet, en evenmin behoeft te weten, wie de voormalige eigenaar van het schip is en vaststaat dat deze eigenaar in de periode van 13 september tot en met 13 oktober 2003 ten onrechte geen domicilie had gekozen op Curaçao, zodat de Inspecteur op hem geen verhaal van de verschuldigde bewakingskosten kan zoeken.

4.4. Belanghebbende verwijt de Inspecteur tot slot dat hij het schip pas op 6 november 2003 visiteerde en de bewaking van de Douane staakte. De Inspecteur wijst erop dat belanghebbende zelf en anders haar gemachtigde had kunnen verzoeken om visitatie. De Raad is van oordeel dat de Inspecteur wettelijk niet verplicht is om een zonder lading binnengekomen schip zonder een verzoek daartoe van de eigenaar, reder of scheepsagent te visiteren en vrij te maken en dat hij evenmin op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur daartoe gehouden is. Het is aan belanghebbende zelf te wijten dat niet onmiddellijk na 14 oktober 2003 aan de Douane is verzocht om visitatie en beëindiging van de bewaking.

5. Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de uitspraak op bezwaar.

mrs. Drop, Van Ballegooijen en Van Muijen