Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2005:1

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
24-06-2005
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
2003/606
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 11, 13 en 14 LLB, art. 38g en 38h LAZV - Verrekening verschuldigde loonbelastingen en premies met uitstaande vorderingen van appellante op het Land Aruba wegens verrichte werkzaamheden - Naheffingsaanslag is titel tot invordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 24 juni 2005, nr. 2003/606

RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdend op Aruba

inzake:

[ Belanghebbende ], appellante,
gemachtigde [ A ]

tegen

de Inspecteur der Belastingen (hierna: de Inspecteur) te Aruba,
verweerder.

1 Procesverloop

1.1.Gedagtekend 23 juni 2003 is aan appellante een naheffingsaanslag premie Algemene Ziektekostenverzekering (hierna:AZV) opgelegd, betrekking hebbend op het tijdvak februari 2003. De nageheven enkelvoudige premie AZV bedroeg Afl. 13.000,- en de boete werd vastgesteld op 10%, oftewel Afl. 1.300,-. Appellante heeft op 11 augustus 2003 een bezwaarschrift ingediend.

1.2.Gedagtekend 27 augustus 2003 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op dit bezwaarschrift; bij deze uitspraak werd de nageheven enkelvoudige premie teruggebracht naar het door appellante tijdig aangegeven, maar niet afgedragen bedrag ad Afl. 5.523,-, het boetepercentage werd gehandhaafd op 10, per saldo resulterend in een boete van Afl. 552,-.

1.3.

Appellante heeft op 27 oktober 2003 een beroepschrift ingediend; de Inspecteur heeft drie dagen voor de mondelinge behandeling een vertoogschrift ingediend, gedagtekend 11 april 2005.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de Raad van 14 april 2005. Beide partijen zijn verschenen; appellante heeft een pleitnota voorgedragen, welke pleitnota tot de stukken van het geding wordt gerekend.

2 Feiten

2.1.

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting zijn, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten vast komen te staan.

2.2.

Appellante heeft personeel in dienst en is om die reden gehouden maandelijks aangifte loonbelasting en premies te doen en de ingehouden bedragen af te dragen.

2.3.

Op 7 maart 2003, dus binnen de in artikel 38g, lid 1 Landsverordening Algemene Ziektekostenverzekering ( hierna:LAZV) genoemde termijn, verzoekt appellante schriftelijk aan de Minister van Financiën om de door haar over het tijdvak februari 2003 verschuldigde loonbelasting en premies AOV/AWW en AZV te verrekenen met uitstaande vorderingen van appellante op het Land Aruba wegens verrichte werkzaamheden. Dit verzoek is, met een opstelling van de door appellante verschuldigde bedragen eveneens gefaxt naar de ontvanger; daarbij is ook de aangifte overgelegd. Na accordering door de Minister heeft de daarop volgende verwerking door de Directie Financiën plaatsgevonden op 11 juni 2003.

2.4.

Ook voor de tijdvakken december 2002 en januari 2003 heeft appellante een verzoek gedaan om de betalingen loonbelasting en premies te mogen verrekenen; voor die tijdvakken heeft de accordering en verrekening plaatsgevonden binnen de wettelijke uiterlijke betaaldatum.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Mocht de Inspecteur een naheffingsaanslag AZV opleggen?

2. Is in de naheffingsaanslag terecht een boete van 10 % begrepen?

4 De overwegingen

4.1.

Artikel 11, eerste lid, eerste volzin, LLB luidt:

De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting die hij over een tijdvak van een maand of korter heeft

ingehouden of had moeten inhouden ingevolge de voorgaande artikelen, binnen vijftien dagen na het

einde van die maand, op aangifte af te dragen.

De overeenkomstige bepaling voor de AZV vinden we in artikel 38g, lid 1, LAZV.

Artikel 13 , eerste volzin, LLB luidt:

Indien de belasting geheel of gedeeltelijk niet binnen de voorgeschreven tijd is afgedragen, kan de te weinig afgedragen belasting door middel van een aanslag, op te leggen ten name van de inhoudingsplichtige, nageheven worden, zolang niet sedert het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, vijf jaren zijn verstreken.

De overeenkomstige bepaling voor de AZV vinden we in artikel 38h, lid 1, LAZV.

Artikel 14, eerste en tweede lid, LLB luidt:

1. De in een naheffingsaanslag begrepen belasting kan bij wijze van boete met ten hoogste honderd procent worden verhoogd. De inhoudingsplichtige is niet gerechtigd deze boete op zijn werknemers te verhalen.

2. De boete als bedoeld in het eerste lid, blijft buiten toepassing, indien en voor zover de in gebreke geblevene uit eigener beweging schriftelijk mededeling heeft gedaan, dat ten onrechte geen of te weinig belasting is afgedragen, en daarbij tevens de nodige inlichtingen verstrekt.

De overeenkomstige bepaling voor de AZV vinden we in artikel 38h, lid 2, LAZV.

4.2.

Appellante stelt dat de verschuldigde premie AZV weliswaar niet tijdig is afgedragen, maar ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag was de verschuldigde premie AZV inmiddels verrekend en was er per saldo geen premie AZV meer verschuldigd. Naar appellante stelt biedt artikel 38h LAZV dan geen mogelijkheid om een naheffingsaanslag op te leggen.

De Raad kan appellante in deze redenering niet volgen. De eerste volzin van bedoeld artikel spreekt van "niet binnen de voorgeschreven termijn is afgedragen" en tussen partijen is niet in geschil dat appellante te laat heeft betaald.

Ook de Memorie van Toelichting bij artikel 13 LLB, pagina 19 is duidelijk:

“Hierbij is irrelevant dat de inhoudingsplichtige de belasting alsnog afdraagt vóórdat de naheffingsaanslag is opgelegd. De naheffingsaanslag is dan de titel tot invordering. Draagt de belastingplichtige de te weinig afgedragen belasting af, dan zal het afgedragen bedrag als een betaling op de naheffingsaanslag beschouwd moeten worden. Hetzelfde geldt in het geval dat de te weinig afgedragen belasting te laat doch vóór de naheffingsaanslag wordt afgedragen.”

De Raad verwerpt appellantes stelling dat nu het verschuldigde bedrag reeds was betaald vóór het opleggen van de naheffingsaanslag er geen naheffingsaanslag meer kon worden opgelegd en beantwoordt de eerste in geschil zijnde vraag in bevestigende zin.

4.3.

Met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag merkt de Raad het volgende op.

Vaststaat dat appellante op 7 maart 2003 de Ontvanger op de hoogte heeft gesteld van haar verzoek om tot verrekening met haar uitstaande vordering te mogen overgaan. Hierbij is eveneens het aangiftebiljet van het betreffende tijdvak overgelegd. Naar het oordeel van de Raad, de specifieke aspecten van het geval.

RvBBz nr. 2003/606

meewegend, heeft appellante hiermee de voorwaarden van artikel 38h, lid 2, LAZV vervuld, zodat reeds om die reden het opleggen van een boete achterwege had dienen blijven.

De tweede vraag beantwoordt de Raad in ontkennende zin.

5 De beslissing

De Raad verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak op bezwaar,

handhaaft de naheffingsaanslag voor wat betreft de enkelvoudige premie,

verminderd de naheffingsaanslag met de daarin begrepen boete.

Aldus vastgesteld in raadkamer op 24 juni 2005, door mrs. L.van Gijn als voorzitter en de leden C.W.M van Ballegooijen en G.J. van Muijen, in tegenwoordigheid van de secretaris mevrouw S.J. Rasmijn.