Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2004:BT8852

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
30-04-2004
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
2002/1923
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Artikel 9 lid 1 LIB / Belastingjaar 2000

Kosten van kinderopvang zijn niet aftrekbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 30 april 2004, nr. 2002/1923.

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

1.Appellant heeft op 12 juni 2002 een bezwaarschrift ingediend bij de Inspecteur, gericht tegen de aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2000, gedagtekend 18 april 2002. Verweerder heeft bij uitspraak d.d. 30 september 2002 het bezwaarschrift afgewezen; appellant heeft op 25 oktober 2002 tegen deze uitspraak een beroepschrift ingediend bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken. Ook overigens is door appellant aan de wettelijke vereisten voldaan, zodat appellant ontvankelijk is in zijn beroep.

2.Partijen zijn verdeeld over de vraag of de door appellant in het onderhavige jaar betaalde kosten van kinderopvang behoren tot de kosten van verwerving als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Landsverordening inkomstenbelasting.

3.Kosten van verwerving zijn die kosten die een belastingplichtige noodzakelijkerwijs dient te maken om zijn inkomen te verwerven; er dient derhalve een causaal verband te bestaan tussen de betreffende uitgaven die belastingplichtige zich getroost en de opbrengsten uit de betreffende bron.

4.In het onderhavige geval maakt appellant kosten voor kinderopvang, omdat het kind van appellant en zijn echtgenote in het jaar 2000 2 à 3 jaar was en derhalve niet voor zichzelf kon zorgen, terwijl zowel appellant als ook zijn echtgenote in dat jaar een dienstbetrekking buitenshuis vervulden.

5.De gezinssamenstelling is in zijn algemeenheid een privé-aangelegenheid en de daaruit voortvloeiende kosten behoren dan ook tot sfeer van de inkomensbesteding van een belastingplichtige. Naar het oordeel van de Raad ontbreekt ook in geval van appellant het onder 3. genoemde causale verband tussen de kosten van kinderopvang en de opbrengsten uit de bron dienstbetrekking van appellant en kan er derhalve in casu niet worden gesproken van kosten van verwerving. Het zijn immers de privé omstandigheden die deze kosten oproepen en niet de dienstbetrekking. De Raad mag niet in te zien dat, door de onderhavige kosten niet als kosten van verwerving toe te laten er sprake zou zijn van een rechtsongelijke situatie met betrekking tot, zoals appellant dit schrijft, het zakenleven.

6.Appellant stelt nog dat de kinderaftrek reeds meer dan dertig jaar onveranderd is gebleven; wat er zij van deze stelling, hij kan naar het oordeel van de Raad er niet toe leiden dat de kosten van kinderopvang tot de kosten van verwerving gaan behoren.

7.Gelet op het vooroverwogene is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur.

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

mrs. L. van Gijn als voorzitter en de leden C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen