Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2004:BT8851

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
30-04-2004
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
2002/1955 en 2002/1956
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Artikel 9 lid 4 LIB / Belastingjaar 1997 en 1998

Afschrijving niet mogelijk bij vermogensinkomsten. Het verhuren van een pand en inventaris gaat normaal vermogensbeheer niet te boven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 30 april 2004, nrs. 2002/1955 en 1956.

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

1. Belanghebbende heeft op 22 mei 2002 een bezwaarschrift ingediend bij de Inspecteur, gericht tegen de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 1997, gedagtekend 16 april 2002. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar d.d. 28 oktober 2002 het bezwaarschrift afgewezen; belanghebbende heeft op 3 december 2002 een beroepschrift ingediend bij de Raad. Ook overigens is door belanghebbende met betrekking tot zijn beroep tegen de uitspraak op bezwaar voor het jaar 1997 aan de wettelijke vereisten voldaan, zodat voor dat jaar belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep.

Tegen de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 1998 , gedagtekend 16 april 2002, heeft belanghebbende geen bezwaarschrift ingediend; het beroepschrift van belanghebbende dat op 3 december bij de Raad is ingediend dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De zaken zijn behandeld ter zitting van de Raad van 27 april 2004. Belanghebbende heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. K; verweerder is verschenen in de persoon van W.

2. Tussen partijen staan de navolgende feiten vast:

Belanghebbende dreef sedert het begin van de jaren negentig een supermarkt op het adres X op Aruba; met ingang van 1997 wordt de onderneming overgedragen aan een door belanghebbende opgerichte NV, genaamd F NV. Niet ingebracht werden de inventaris en het pand; deze werden vanaf het moment waarop de onderneming aan de NV was overgedragen verhuurd tegen een jaarlijkse huursom van AWG 180.000,-. Deze huurovereenkomst was in ieder geval in de jaren 1997 en 1998 niet schriftelijk vastgelegd. Er heeft sinds de onderneming werd overgedragen aan de NV geen fiscale afrekening plaats gevonden over enige in het pand en de inventaris aanwezige stille reserves.

3. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of er ten laste van het belastbaar inkomen van belanghebbende op het betreffende pand en de inventaris kan worden afgeschreven. Tevens is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur met het doen van uitspraak op bezwaar had moeten wachten tot belanghebbende nadere argumenten had aangevoerd. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend; de Inspecteur beantwoordt beide vragen ontkennend.

4. In artikel 9, vierde lid van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna : LIB) is vastgelegd dat er op tot het ondernemingsvermogen van een belastingplichtige behorende bedrijfsmiddelen kan worden afgeschreven. Gelet op de beschikkingen van 23 april 1998, nummer 1996/126 en 1996/127 van deze Raad kan er niet ten laste van het belastbare inkomen worden afgeschreven op vermogensbestanddelen die niet worden gebruikt in het kader van een onderneming of een beroep. De Raad zal teneinde de in geschil zijnde vragen te kunnen beantwoorden dus moeten beoordelen of het onderhavige pand en inventaris een onderneming in de zin van artikel 9 lid 4 van de LIB vormen.

5. Naar het oordeel van de Raad gaat het verhuren van een enkel winkelpand met de daarbij behorende inventaris een normaal vermogensbeheer niet te boven en de Inspecteur heeft derhalve de onderhavige verhuur terecht niet aangemerkt als het drijven van een onderneming. Aan dit oordeel doet niet af dat de betreffende vermogensbestanddelen essentieel zijn voor de bedrijfsuitoefening van de vennootschap; vragen met betrekking tot de zogenaamde vermogensetikettering kunnen zich immers pas voordoen nadat er is vastgesteld dat er sprake is van een onderneming, die gedreven wordt voor rekening en risico van een natuurlijk persoon.

6. Met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag merkt de Raad op dat weliswaar de Inspecteur voor het opleggen van de aanslag omtrent de voorgenomen correcties overleg met de (toenmalige) gemachtigde had dienen te voeren, maar dat de uitspraak op bezwaar is gedaan, nadat de gemachtigde de gestelde termijn om te antwoorden op een brief van de Inspecteur ruimschoots had overschreden. Zelfs indien de Inspecteur te snel uitspraak op bezwaar zou hebben gedaan, zou dit evenwel de rechtsgeldigheid van de uitspraak op bezwaar niet hebben aangetast. De Raad merkt hierbij nog op dat belanghebbende tijdens de behandeling van het beroep alle gelegenheid heeft gehad en heeft waargenomen om zijn standpunt te (laten) bepleiten.

7. Gelet op het vooroverwogene is het gelijk met betrekking tot beide in geschil zijnde vragen aan de zijde van de Inspecteur.

De Raad verklaart het beroep in de zaak onder nummer 2002/1955 niet-ontvankelijk en het beroep in de zaak onder nummer 202/1956 ongegrond.

mrs. L. van Gijn als voorzitter en de leden C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen