Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2004:BT6038

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
25-04-2004
Datum publicatie
29-09-2011
Zaaknummer
2004-0046 en 2004-0047
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

inkomstenbelasting / 2000-2001 / Aruba

Uitgaven tot voorziening in het noodzakelijk levensonderhoud van kinderen zijn slechts buitengewone lasten indien voor hen geen kinderaftrek wordt genoten en zij niet bij machte zijn zelf inkomsten ter voorziening in hun levensonderhoud te verwerven. Een ouder geniet kinderaftrek voor een kind dat nagenoeg geheel op zijn kosten wordt onderhouden. Tot en met het belastingjaar 2000 was tevens vereist voor kinderaftrek dat de ouder zich niet ten minste Afl. 1.000 had bespaard op zijn uitgaven van het levensonderhoud door bijdragen van het kind zelf of van derden. Het kind heeft geen geld opgenomen van zijn spaarrekening en beschikte evenmin over andere inkomsten. Daaruit volgt dat het kind niet zelf in zijn levensonderhoud heeft voorzien; dat heeft zijn moeder gedaan. Zij heeft recht op kinderaftrek. Geen opgewekt vertrouwen door de aanslagregeling over voorgaande jaren. De situatie was anders. Ook geen opgewekt vertrouwen,omdat niet kenbaar is gemaakt om welke reden de Inspecteur over voorgaande jaren aftrek verleende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP van 25 april 2004, nr. 2004-0046-0047

1. Procesverloop

1.1. Aan belanghebbende zijn aanslagen in de inkomstenbelasting opgelegd over de jaren 2000 en 2001. Zij heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt. Bij beschikkingen van 25 november 2003, achtereenvolgens 27 januari 2004 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan.

1.2. Belanghebbende is tegen de beschikkingen op bezwaar op 23 januari 2004, dus tijdig, in beroep gekomen bij de Raad. De Inspecteur heeft vertoogschriften ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad op 14 april 2004. Beide partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft pleitnota’s ingebracht.

2. Feiten en geschilomschrijving

2.1. Belanghebbende heeft in haar aangifte 2000 en in de aangifte 2001 een bedrag van Afl. 20.213 opgevoerd als uitgaven voor het noodzakelijke levensonderhoud van haar minderjarige, studerende zoon J. Van deze uitgaven is de rente, die J genoot op zijn spaarrekening bij de C Bank NV, in 2000: Afl. 3.933 en in 2001: Afl. 2.468, reeds afgetrokken. J heeft in 2000 en 2001 geen geld opgenomen van zijn spaarrekening.

2.2. Bij de aanslagregeling voor de jaren 1997 en 1998 heeft de Inspecteur de kosten van het levensonderhoud van J als buitengewone last in aftrek toegelaten, nadat hij in november 2003 inzage had gekregen in het spaarbankboekje van J. J had in 1997 in het totaal Afl. 9.205 opgenomen van zijn spaarrekening, waarvan in december 1997 een bedrag van Afl. 1.500.

3. Geschil en standpunten van partijen

In geschil is of bij belanghebbende het rechtens te honoreren vertouwen is gewekt dat zij recht heeft op aftrek wegens buitengewone lasten. Tussen partijen staat vast dat de rente die J in de jaren 2000 en 2001 genoot meer bedraagt dan 10 procent van de kosten van zijn levensonderhoud. Voorts is in geschil of de rente die J genoot terecht bij het inkomen van belanghebbende is geteld. De Raad verwijst voor de standpunten van partijen naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het beroep

4.1. Blijkens artikel 16A, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening inkomstenbelasting (LIB) vormen uitgaven tot voorziening in het noodzakelijk levensonderhoud van kinderen slechts buitengewone lasten indien voor hen geen kinderaftrek wordt genoten en zij niet bij machte zijn zelf inkomsten ter voorziening in hun levensonderhoud te verwerven. Uit artikel 23A, eerste lid, van de LIB volgt dat een ouder kinderaftrek geniet voor een kind dat nagenoeg geheel op zijn kosten word onderhouden. Tot en met het belastingjaar 2000 was tevens vereist voor kinderaftrek dat de ouder zich niet ten minste Afl. 1.000 had bespaard op zijn uitgaven van het levensonderhoud door bijdragen van het kind zelf of van derden.

4.2. Vaststaat dat J in 2000 en in 2001 geen geld heeft opgenomen van zijn spaarrekening en evenmin over andere inkomsten beschikte. Daaruit volgt dat hij niet zelf in zijn levensonderhoud heeft voorzien; dat heeft zijn moeder gedaan. Zij komt daarom naar wettelijk recht in aanmerking voor het recht op kinderaftrek. De kosten tot voorziening in het levensonderhoud van haar zoon vormen dan geen buitengewone lasten.

4.3. Belanghebbende beroept zich op vertrouwen gewekt bij de aanslagregeling 1997 en 1998 in november 2003. Toen is aan haar het recht verleend op aftrek wegens buitengewone lasten nadat de Inspecteur het spaarbankboekje van haar zoon had ingezien. Uit het spaarbankboekje bleek dat J in 1997 grote bedragen had opgenomen, waaruit de Inspecteur heeft kunnen afleiden dat J had bijgedragen in zijn eigen levensonderhoud, zodat zijn moeder geen recht had op kinderaftrek. Tot dat oordeel heeft de Inspecteur ook kunnen komen voor wat betreft 1998, omdat J in december 1997 een groot bedrag, Afl. 1.500, had opgenomen. De Raad volgt de Inspecteur in zijn stelling dat de situatie in de jaren 1998 en 1999 anders is dan in 2000 en 2001: in de laatste twee jaren is geen geld door J opgenomen, waarmee hij zich zelf geheel of gedeeltelijk had kunnen onderhouden.

4.4. Belanghebbende stelt dat zij aan de aanslagregeling van de jaren 1997 en 1998 het vertrouwen heeft ontleend dat er ook recht op aftrek wegens buitengewone lasten bestaat in de onderhavige jaren. Aan belanghebbende is namelijk niet kenbaar gemaakt dat de Inspecteur destijds aftrek verleende vanwege de toen gebleken opnames van de spaarrekening en vanwege diens veronderstelling dat de opnames door J gebruikt zijn om geheel of gedeeltelijk te voorzien in eigen levensonderhoud. De Raad wijst dit beroep op het vertrouwensbeginsel af. Belanghebbende heeft voor wat betreft de jaren 1997 en 1998 met behulp van het spaarbankboekje van haar zoon aannemelijk gemaakt dat zij hem toen niet geheel of nagenoeg geheel onderhield; dat bewijs heeft zij niet geleverd voor wat betreft de jaren 2000 en 2001. Belanghebbende had trouwens kunnen begrijpen dat inzage in het spaarbankboekje door de Inspecteur in november 2003 en zijn kennisname van de opnames door J in 1997 beslissend waren voor zijn toenmalige standpuntbepaling.

4.5. Belanghebbende heeft de rente-inkomsten, die haar zoon genoot in 2000 en 2001, verantwoord in haar eigen aangiften. De Inspecteur heeft dit gevolgd. Zij stelt thans dat een en ander onterecht is gebeurd en dat de rente bij haar zoon in de belastingheffing had moeten worden betrokken. Artikel 20A van de LIB bepaalt dat het zuiver inkomen van een minderjarig kind bij het inkomen van de ouder wordt geteld, indien de ouder kinderaftrek geniet. Uit de bovenstaande overwegingen van de Raad volgt dat belanghebbende kinderaftrek geniet. Dat brengt mee dat de rente die haar minderjarige zoon genoot, terecht bij haar inkomen is bijgeteld.

5. Beslissing

De Raad verklaart de beroepen ongegrond.

mrs. L. van Gijn, C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen