Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2003:BU4476

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
2001/528
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoerrechten / Belastingjaar 1999

Geen vrijstelling van invoerrechten op basis van een tax holiday indien de aangifte ten invoer gedaan wordt door een andere dan degeen die recht heeft op de vrijstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 23 oktober 2003, nr. 2001/528

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding

1.1. Appellante deed voor haar cliënte, C N.V. (hierna ook: cliënte), aangifte ten invoer op enig document C-400 C nr. 42942, d.d. 26 oktober 1999, van 450 stuks brandmeldapparatuur, met een factuurwaarde van Afl. 29.529 en een douanewaarde van Afl. 31.522. Appellante voldeed op de aangifte een bedrag aan invoerrechten van Afl. 2.364,15.

1.2. Bij brief van 6 april 2000 verzocht appellante aan de Inspecteur om restitutie van voormelde invoerrechten.

1.3. De Inspecteur wees bij beschikking d.d. 23 januari 2001 het verzoek om restitutie af.

1.4. Bij brief, gedagtekend 21 februari 2001, derhalve tijdig, kwam appellante in bezwaar tegen voormelde beschikking.

1.5. Bij beschikking met dagtekening 2 november 2001 wees de Inspecteur het bezwaar af.

1.6. Op 3 december 2001, derhalve tijdig, kwam bij de Raad binnen een beroepschrift van appellante tegen voormelde uitspraak op bezwaar.

1.7. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad op 15 november 2002 in Aruba. Daar zijn verschenen en gehoord als gemachtigde van appellante mr. M en mr. C namens de Inspecteur.

Partijen hebben ieder ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

2. Vaststaande feiten

2.1. Appellante, werkzaam als douane-expediteur, deed in opdracht van cliënte aangifte ten invoer van brandmeldapparatuur.

2.2. Als bijlage bij de aangifte was gevoegd een factuur van S N.V., betreffende voormelde apparatuur. De factuur is gericht aan cliënte en bevat onder het kopje Betr. de vermelding: P.O. 99050SIE X Hotel.

3. Omschrijving van het geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of de Inspecteur terecht het verzoek van appellante om restitutie van de betaalde invoerrechten op grond van het bepaalde in artikel 128a van de Landsverordening In-, uit- en doorvoer (LIUD) heeft geweigerd.

3.2. Ter zitting hebben partijen nog het navolgende verklaard, zakelijk weergegeven:

3.2.1. Appellante: C N.V. heeft ons benaderd om de goederen in te klaren. De goederen zijn door X gekocht bij S met de opdracht het gekochte te verzenden aan C N.V. De letters P.O. op de factuur van S staan voor Purchase Order. Naar onze mening hebben wij een goede naam bij de Douane.

3.2.2. Inspecteur: Een uitspraak ten voordele van appellante zou onze verwerkingssystematiek kunnen verstoren. Wij hebben aparte afdelingen voor aangiften ten invoer en behandeling van vrijstellingsverzoeken. Het zou een werkwijze kunnen worden om via de aangiftenafdeling goederen binnen te brengen om dan vervolgens via een beroep op de restitutieregeling de betaalde invoerrechten terug te krijgen. De zorgvuldige controle door de vrijstellingsafdeling wordt op die manier omzeild.

Ik erken overigens dat appellante bij ons een goede naam heeft.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Artikel 128a van de LIUD bepaalt dat de Inspecteur bevoegd is teruggave te verlenen van wegens dwaling of verschoonbaar verzuim teveel of ten onrechte betaalde invoerrechten, mits het terug te geven bedrag per aangifte of document Afl. 0,50 of meer bedraagt.

4.2. In de kern komt het beroep van appellante op voormelde bepaling op het volgende neer. Bij de aangifte ten invoer ten name van cliënte, C N.V., was aan de hand van de bijlagen voor de Inspecteur kenbaar dat de goederen bestemd waren voor het X Hotel. Aangezien het X Hotel een vrijstelling van invoerrechten voor bedoelde goederen geniet, had de Inspecteur van heffing moeten afzien. Nu dit niet is gebeurd dienen de betaalde rechten op grond van dwaling c.q. verschoonbaar verzuim van de aangever te worden gerestitueerd.

4.3. Voormeld betoog van appellante faalt. Grondregel van het douanerecht is dat degeen die aangifte ten invoer doet een hem betreffende vrijstelling kan geldend maken.

Zulks houdt in dat het X Hotel de door haar gekochte goederen ten invoer had kunnen aangeven met een beroep op de aan haar verleende vrijstelling. Aan C N.V. is echter geen vrijstelling verleend, zodat zij die bij de invoer niet geldend kon maken. Gesteld noch gebleken is voorts dat voormelde N.V. voor heffingsdoeleinden dient te worden vereenzelvigd met het X hotel.

4.4. Aan het vorenoverwogene doet niet af dat de Inspecteur bij de aangifte ten invoer heeft opgemerkt dat de goederen bestemd waren voor het X Hotel, noch dat hij wist dat dit hotel voor de betreffende goederen vrijstelling van invoerrechten zou hebben genoten, indien het zelf aangifte ten invoer zou hebben gedaan.

4.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de kant van de Inspecteur is.

5. Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

mrs. Van Gijn, Groeneveld en Van Ballegooijen