Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2003:BU4444

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
01-07-2003
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
2001/343
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AOV en AWW / Belastingjaar 2000-2001

LAOV en LAWW bepalen dat de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende rechtsmiddelen van overeenkomstige toepassing zijn. Deze rechtsbescherming schiet tekort. De wetgever heeft nagelaten te verwijzen naar de heffing van de loonbelasting ingeval de werknemer de verschuldigde premies bij wijze van inhouding op het loon doet betalen. De wetgever heeft niet voorzien in de mogelijkheid dat de werkgever opkomt tegen de afdracht van de ingehouden premies en tegen de voldoening van de premies volksverzekeringen die hij als inhoudingsplichtige zelf verschuldigd is.

Voor zover de inhoudingsplichtige (loonbelasting of) premies AOW/AWW op het loon van haar werknemers heeft ingehouden en het bedrag van de inhouding heeft afgedragen, is niet te veel afgedragen door de inhoudingsplichtige.

Voor een vrijstelling van de AOV/AWW is een aanwijzing door de Minister van Sociale Zaken nodig, die had moeten worden aangevraagd vóór de aanvang van het heffingstijdvak.

De kosten zijn niet zodanig hoog dat de premieheffing AOV/AWW neerkomt op een ontneming zonder compensatie en een regulerende inmenging van de staat in het recht van burgers op het ongestoorde genot van bezittingen als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking van 1 juli 2003, nr. 2001/343

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding

1.1. Appellante heeft maandelijks premies AOV/AWW over de tijdvakken van maart 2000 tot en met maart 2001 op aangifte afgedragen en, voor zover het om het werkgeversgedeelte van de premies ging, voldaan. Zij heeft tegen de afdracht en voldoening van premies AOV/AWW voor acht werknemers op 4 april 2001 bezwaar ingediend. De Inspecteur heeft bij beschikking van 5 april 2001 afwijzend uitspraak op het bezwaar gedaan.

1.2. Namens appellante heeft mr. J, hierna: de gemachtigde, daartegen een beroepschrift ingediend bij de Raad op 18 april 2001, dus tijdig. Daarop is een aanvulling ingezonden door de gemachtigde bij brief van 9 augustus 2001. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ter griffie doen inkomen door een faxbericht van 24 maart 2003. Aan de gemachtigde is een kopie gezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op 2 april 2003, alwaar appellante en de Inspecteur, beide deugdelijk vertegenwoordigd, zijn verschenen. De gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2. Vaststaande feiten

2.1. Appellante heeft werknemers met de Amerikaanse nationaliteit in dienst. Deze werknemers verblijven hier te lande gedurende twee of drie jaar. Er worden voor hun wettelijk verplichte verzekering van ouderdomspensioen, weduwepensioen en ongevallenverzekering (de zogeheten Old Age/Survivors and Disabilty Insurance, hierna: de OASDI) premies betaald ingevolge de Federal Insurance Contribution Act (FICA). De FICA-premies worden zowel bij de werkgever als van de werknemers geheven. De Inspecteur heeft op verzoek van de gemachtigde bevestigd dat de OAISDI naar Arubaanse maatstaven kwalificeert als een pensioenaanspraak, zodat de FICA-premies niet tot het loon worden gerekend.

2.2. Appellante betaalt maandelijks ook de verschuldigde premies AOV/AWW voor deze werknemers. Deze premies bestaan wettelijk uit een werknemers- en een werkgeversdeel. In de tijdvakken van maart 2000 tot en met maart 2001 heeft appellante Afl. 41.380,91 aan premies AOV op aangifte afgedragen/voldaan en Afl.7.459,36 aan premies AWW.

2.3. Volgens artikel 2, aanhef en onder c, van het Landsbesluit van 6 januari 1994, nr. 4 wordt niet als verzekerde voor de algemene ouderdomsverzekering aangemerkt “degene die niet geacht kan worden blijvend in Aruba te wonen, en die verzekerd is krachtens een buitenlandse wettelijke regeling inzake geldelijke gevolgen van ouderdom, in de gevallen door de minister van Welzijnszaken aan te wijzen”. Volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Landsbesluit van 21 december 1965, nr. 196 wordt niet als verzekerde voor de algemene weduwen- en wezenverzekering aangemerkt “degene, die niet geacht kan worden blijvend binnen de Nederlandse Antillen te wonen en die verzekerd is krachtens een buitenlandse soortgelijke wettelijke regeling inzake weduwen- en wezenpensioenen, in de gevallen door de Minister van Sociale Zaken aan te wijzen”.

2.4. De Ministerraad heeft in zijn vergadering van 21 november 1995 op advies van de Sociale Verzekeringsbank zijn beslissing van 6 april 1994 bevestigd dat de mogelijkheid tot ontheffing van de premieplicht ingevolge de AOV/AWW voor buitenlandse werknemers werd afgeschaft “ter waarborging van de sociale zekerheid”.

2.5. Appellante heeft op 26 maart 2001 aan de Minister van Economische en Sociale Zaken verzocht om een ontheffing van de premieplicht voor haar buitenlandse werknemers. Hetzelfde verzoek is op 6 mei 2001 gedaan aan de Sociale Verzekeringsbank. Op geen van beide verzoeken is beslist.

3. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

3.1. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op twee vragen; ten eerste: is belanghebbende ontvankelijk in haar beroep, en ten tweede: dienen de afgedragen en voldane premies vanwege de samenloop van de AOV/AWW en de OASDI te worden gerestitueerd?

3.2. De Raad verwijst voor de standpunten van partijen naar de gedingstukken en de pleitnota.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. De Inspecteur stelt dat appellante niet-ontvankelijk is in haar beroep. Er zijn volgens hem geen afdrachten gedaan op naam van M A. In de administratie van de Inspectie komt de naam M A niet voor en ook bij de Kamer van Koophandel is die naam niet bekend. Het door de gemachtigde genoemde persoonsnummer is bij de Inspecteur noch bij de Ontvanger bekend. De gemachtigde van appellante heeft in zijn pleitnota erkend dat hij een verkeerde naam en een verkeerd persoonsnummer heeft gebruikt in het beroepschrift en de aanvulling daarop. Appellante heet: M B NV en het juiste persoonsnummer is xyz. Appellante gebruikt de naam M A als handelsnaam om time share units te verkopen. Ter zitting heeft de Inspecteur niet betwist dat voornoemde Naamloze Vennootschap de omstreden afdrachten van premies AOV/AWW heeft gedaan en de ‘echte’ naam is van appellante. De Raad houdt het ervoor dat de gemachtigde zich alleen maar vergist heeft in de naam en het persoonsnummer van appellante. De Inspecteur is niet in zijn verdediging geschaad. De Raad oordeelt dat appellante ontvankelijk is in haar beroep.

4.2. Artikel 39, eerste lid, van de Landsverordening AOV en het gelijkluidende artikel 40, eerste lid, van de Landsverordening AWW bepalen dat naar gelang de ingevolge deze landsverordening verschuldigde premies bij wege van aanslag dan wel bij wijze van inhouding worden geheven, de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regelen inzake de rechtsmiddelen van overeenkomstige toepassing zijn. Naar het oordeel van de Raad schiet deze wettelijke regeling van rechtsbescherming op twee manieren tekort. De wetgever verwijst alleen naar de heffing van de inkomstenbelasting en heeft vermoedelijk bij vergissing nagelaten te verwijzen naar de heffing van de loonbelasting ingeval de werknemer de verschuldigde premies bij wijze van inhouding op het loon doet betalen. De wetgever heeft in de tweede plaats niet voorzien in de mogelijkheid dat de werkgever opkomt tegen de afdracht van de ingehouden premies en tegen de voldoening van de premies volksverzekeringen die hij als inhoudingsplichtige zelf verschuldigd is. De Raad neemt aan dat dit omissies van de wetgever zijn en dat in de genoemde eerste leden tevens gelezen moet worden dat de werknemer bezwaar kan maken tegen de inhouding van premies AOV/AWW overeenkomstig de regelen inzake de rechtsmiddelen op het stuk van de loonbelasting en dat de inhoudingsplichtige tegen de afdracht alsmede tegen de voldoening bezwaar kan maken, ook overeenkomstig de voor de heffing van de loonbelasting geldende regelen.

4.3. Op grond van artikel 16, lid 3, van de Landsverordening Loonbelasting kan de inhoudingsplichtige die te veel heeft afgedragen, dat wil zeggen meer dan is ingehouden, binnen een jaar na de afdracht een bezwaarschrift indienen tegen de afdracht; dit geldt voor de loonbelasting en dient overeenkomstig te gelden voor de afdracht en voldoening van premies AOV/AWW, zoals de Raad in zijn vorige rechtsoverweging overwoog. Voor zover de inhoudingsplichtige (loonbelasting of) premies AOW/AWW op het loon van haar werknemers heeft ingehouden en het bedrag van de inhouding heeft afgedragen, dient het bezwaar tegen de afdracht te worden afgewezen. Er is immers niet te veel afgedragen door de inhoudingsplichtige. Het beroep van appellante tegen de afdracht van het werknemersgedeelte van de premies AOW/AWW is om die reden ongegrond.

4.4. Appellante komt ook op tegen de voldoening van het werkgeversgedeelte van de premies AOV/AWW. Volgens haar zijn haar werknemers met de Amerikaanse nationaliteit geen premies verschuldigd ingevolge de AOV/AWW en behoeft zij daarom ook niet het werkgeversgedeelte van de premies AOV/AWW te voldoen. De Inspecteur betwist deze stelling; hij houdt deze werknemers voor premieplichtig voor de AOV/AWW en daarom is appellante het werkgeversgedeelte van de premie AOV/AWW verschuldigd. Niet in geschil is tussen partijen dat de werknemers van appellante met de Amerikaanse nationaliteit hier te lande tijdelijk verblijven en dat op hen een met de AOW/AWW overeenkomstige wettelijke regeling van verzekering in Amerika van toepassing is. Volgens appellante komt aan haar werknemers het recht van vrijstelling van verzekering en dus ook van premie toe, op grond van artikel 5, vierde lid, aanhef en onder b, van de Landsverordening AOV in verbinding met het Landsbesluit van 6 januari 1994, nr. 4 en op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Landsverordening AWW in verbinding met het Landsbesluit van 21 december 1965, nr. 196. De Raad kan appellante hierin niet volgen. Blijkens artikel 2 onder c van het eerstgenoemde Landsbesluit en artikel 1 onder c van het tweede Landsbesluit (zoals aangehaald onder 2.3) is een aanwijzing door de Minister van Sociale Zaken (voorheen: van Welzijnszaken) nodig voor een vrijstelling van de verzekering ingevolge de AOV/AWW. Vaststaat dat deze aanwijzing, die had moeten worden aangevraagd vóór de aanvang van het heffingstijdvak, niet is verkregen. Dat brengt mee dat de hoofdregel van de verzekeringsplicht ingevolge de AOV/AWW voor de betrokken werknemers geldt: ze zijn als ingezetenen verzekerings- en premieplichtig. Appellante heeft terecht het werkgeversgedeelte van de premies AOV/AWW voldaan. Het beroep van appellante is ook op dit punt ongegrond.

4.5. Appellante stelt zich tot slot op het standpunt dat de betrokken werknemers een zeer bescheiden pensioen opbouwen, waarop maandelijks de kosten van omwisseling in dollars en van overboeking naar Amerika in mindering zullen komen. Voorts moeten zij te zijner tijd periodiek akten van in leven zijn inzenden alsmede hun handtekening laten legaliseren door een Amerikaanse notaris. Aldus maken zij volgens appellante meer kosten dan zij aan pensioenuitkeringen ontvangen. Ter zitting heeft de gemachtigde echter erkend dat het saldo van uitkeringen en kosten niet negatief uitvalt wanneer de pensioengerechtigde zijn uitkering niet maandelijks overmaakt naar Amerika, maar spaart bij een bankinstelling in Aruba, hetgeen volgens hem is toegelaten, en jaarlijks overboekt, zodat de hoge kosten van overboeking slechts eenmaal per jaar worden gemaakt. Deze laatste mogelijkheid weerhoudt de Raad ervan de vraag te beantwoorden of de premieheffing AOV/AWW ten laste van de werknemers van appellante met de Amerikaanse nationaliteit niet neerkomt op een ontneming zonder compensatie en of niet sprake is van een regulerende inmenging van de staat in het recht van burgers op het ongestoorde genot van bezittingen als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

5. Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

mrs. L. van Gijn, J.W. Ilsink en C.W.M. van Ballegooijen