Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2003:BU4388

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
04-04-2003
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
2001/005
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoerrecht

Verhuisboedelvrijstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 4 april 2003, nr. 2001/005

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding

1.1. Appellante heeft op of omstreeks 14 maart 2000 een personenauto ingevoerd in Aruba vanuit Sint Maarten (NA). Daarbij heeft zij een beroep gedaan op de verhuisboedelvrijstelling en verzocht haar vrijstelling van invoerrecht te verlenen. Bij beschikking van 15 maart 2000 heeft de Inspecteur dat verzoek afgewezen en geen vrijstelling verleend. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij beschikking van 12 december 2000 beslist dat het bezwaar wordt afgewezen.

1.2. Appellante heeft tegen de beschikking op bezwaar op 11 januari 2001 beroep ingesteld bij de Raad; het beroepschrift is op 29 maart 2001 aangevuld. De Inspecteur heeft op 9 oktober 2001 een vertoogschrift ingediend.

1.3. Het beroep is op 2 april 2003 mondeling behandeld ter zitting van de Raad in Aruba. Beide partijen zijn – deugdelijk vertegenwoordigd – verschenen en hebben elk een pleitnota overgelegd.

2. Vaststaande feiten

2.1. Voor haar verhuizing naar Aruba woonde appellante - met haar als gevolg van een ernstig verkeersongeval gehandicapte zoon - op Sint Maarten waar zij als manager van de vestiging X voor M NV werkte. M heeft ook een vestiging (Y) op Aruba. Het was de bedoeling dat appellante de Arubaanse vestiging zou gaan leiden en metterwoon naar Aruba zou vertrekken. Geleidelijk aan heeft in 1999 en 2000 een verschuiving van werkzaamheden plaatsgevonden van Sint Maarten naar Aruba. In 1999 verbleef appellante om de twee maanden op Aruba; in 2000 bracht zij haar verhuisboedel naar Aruba over.

2.2. In verband met de verhuizing zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang, in chronologische volgorde:

op of omstreeks 17 maart 1999 heeft appellante het recht van koop op een kavel verkregen in het verkavelingsplan V te Aruba; in de akte houdende de koopoptie staat als adres van appellante vermeld Kstraat xx, zijnde een adres op Aruba, waar een vriendin woonde; appellante had dit adres nodig als contact- en correspondentieadres; ook logeerde zij daar bij tijd en wijle;

op 6 mei 1999 heeft appellante zich doen inschrijven in het bevolkingsregister van Aruba;

op 2 juli 1999 heeft zij op Sint Maarten een personenauto, merk Mitsubishi, gekocht;

de koopoptie is niet gelicht; bij brief van 28 juli 1999 heeft appellante haar wederpartij laten weten van de koop af te zien; de aanbetaling is gerestitueerd;

de verhuisboedel (huisraad en auto) van appellante is eind februari of begin maart 2000 verscheept van Sint Maarten naar Aruba en daar ten invoer aangegeven op 14 of 15 maart 2000;

de verzekeringsmaatschappij B verklaarde bij brief van 22 september 2000 dat de bij die maatschappij ten behoeve van appellante en haar zoon afgesloten polissen in maart 2000 werden overgeschreven naar Aruba;

in april 2000 huurde appellante voor eigen gebruik de woning W te Aruba; de huur ging in per 1 mei 2000; zij woont daar met haar zoon.

3. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

In geschil is of appellante ter zake van de invoer van de personenauto recht heeft op de verhuisboedelvrijstelling als bedoeld in art. 128, lid 1, ten 8o, letter d, LvIUD jo. art. 7 U.B. art. 128. In dat verband rijst de vraag wanneer appellante haar hoofdverblijf van Sint Maarten naar Aruba heeft overgebracht; appellante stelt dat zulks in maart 2000 het geval was, terwijl de Inspecteur meent dat zij haar hoofdverblijf in mei 1999 al heeft overgebracht. Voor het geval appellante gelijk heeft, rijst de vraag of zij, zoals de Inspecteur stelt en appellante ontkent, ten tijde van de overbrenging al verblijf had in Aruba.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. De verhuisboedelvrijstelling ziet – naar luid van art. 7, eerste lid, U.B. art. 128 – op gebruikte goederen die tot de inboedel van een natuurlijk persoon behoren en die worden ingevoerd ter gelegenheid van de overbrenging van diens hoofdverblijf van het buitenland naar het binnenland, alwaar hij nog geen verblijf had. Blijkens het derde lid van genoemd art. 7 heeft de vrijstelling geen betrekking op goederen die met het oog op de overbrenging van het hoofdverblijf zijn aangeschaft. Ten aanzien van onder meer personenauto’s, aldus het vierde lid, vindt dat derde lid geen toepassing indien wordt aangetoond dat de auto gedurende ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaande aan de overbrenging aan de immigrant in eigendom toebehoorde en bij deze in het buitenland in gebruik was.

4.2. Op grond van de onder 2.2 vastgestelde feiten en omstandigheden is de Raad – met appellante - van oordeel dat appellante haar hoofdverblijf niet eerder dan in maart 2000, toen zij haar huisraad met auto verscheepte, heeft overgebracht van Sint Maarten (NA) naar Aruba. In dat geval is niet in geschil dat de auto toen reeds meer dan zes maanden aan appellante in eigendom toebehoorde en bij haar op Sint Maarten in gebruik was. Mitsdien is slechts het vierde lid van art. 7 van toepassing en niet ook het derde lid. De stelling van appellante dat zij de auto niet met het oog op de verhuizing heeft aangeschaft, kan dus buiten behandeling blijven.

4.3. De vraag is evenwel of appellante ten tijde van de verhuizing nog geen verblijf had op Aruba. Het is mogelijk dat iemand naast zijn hoofdverblijf in het buitenland nog een verblijf heeft in het binnenland. Of zulks het geval is zal naar de omstandigheden moeten worden beoordeeld; vgl. RvB 16 februari 1993, nr. 1991/54, TAR/J 1997-3, 6.11. Het begrip ‘verblijf’ in de hier bedoelde zin, veronderstelt een zekere duurzaamheid. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan te dezen sprake is geweest; de inschrijving in het bevolkingsregister en het aanhouden van een contactadres waar appellante bij tijd en wijle logeerde acht de Raad daartoe onvoldoende. Tevergeefs beroept de Inspecteur zich op RvB 27 april 1994, nr. 1993/28, TAR/J 1997-3, 6.15. De toen berechte casus is immers een wezenlijk andere dan de onderhavige nu in de zaak met nr. 1993/28 – anders dan in casu - de belastingplichtige terugkeerde naar haar woonplaats die zij slechts een jaar daarvoor metterwoon had verlaten, en aldus de samenwoning met haar achtergebleven partner hervatte.

4.4. Nu niet in geschil is dat appellante aan de overige voorwaarden voor de verhuisboedelvrijstelling heeft voldaan, is het beroep gegrond en moet alsvolgt worden beslist.

5. Beslissing

De Raad vernietigt de beschikking op bezwaar, alsmede de beschikking waarbij het vrijstellingsverzoek is afgewezen, en verleent appellante vrijstelling van invoerrechten ter zake van de invoer van de onderhavige personenauto.

mrs. van Gijn, Ilsink en van Ballegooijen