Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2002:BU4454

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
02-12-2002
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
2001/344-345
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winstbelasting / Belastingjaar 1992 en 1993

Bezwaar kan ingediend worden voor de dagtekening van de aanslag als aannemelijk is dat de aanslag reeds tot stand was gekomen.

Definitieve aanslag moet worden opgelegd binnen 5 jaar na de indiening van de aangifte; ook als de aangifte is gedaan nadat de (door de Inspecteur verlengde) termijn voor het indienen van het aangiftebiljet is verstreken.

Voorlopige aanslagen worden, anders dan in Nederland, niet vernietigd als een definitieve aanslag uitblijft wegens de overschrijding van de aanslagtermijn.

Als voorlopige aanslag hoger is dan of gelijk is aan de definitieve aanslag blijft de definitieve aanslag toch in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 2 december 2002, nr. 2001/344-345

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Aanslagregeling en procesverloop

1.1. Aan appellante zijn door de Inspecteur op verschillende data voor de jaren 1992 en 1993 aangiftebiljetten winstbelasting uitgereikt en voorlopige en definitieve aanslagen opgelegd. Schematisch weergegeven vertoont zulks het volgende beeld:

ONDERWERP WB 1992 WB 1993

uitreiking aangiftebiljet 05-05-1993 05-07-1994

indiening voorlopige aangifte 05-07-1993 02-09-1994

dagtekening voorlopige aanslag 22-09-1995 06-09-1994

verleend uitstel definitieve aangifte tot 01-06-1994 01-02-1995

indiening definitieve aangifte 20-06-1995 20-06-1995

dagtekening definitieve aanslag 22-06-2001 20-04-2001

1.2. Wat betreft de winstbelasting 1992 werd bij de voorlopige aangifte een belastbare winst van nihil aangegeven. In overeenstemming met art. 28, lid 1, Landsverordening winstbelasting (LWB) is toen niet een voorlopige aanslag is opgelegd. Definitief werd een belastbare winst aangegeven van Aƒ 134.400. Vervolgens werd een voorlopige aanslag opgelegd berekend naar de aangegeven winst. Die aanslag bedroeg (inclusief opcenten) Aƒ 57.125. De definitieve aanslag beliep hetzelfde bedrag.

1.3. Wat betreft de winstbelasting 1993 werd bij de voorlopige aangifte een belastbare winst van Aƒ 900.000 aangegeven. De voorlopige aanslag werd berekend naar die winst en bedroeg (inclusief opcenten) Aƒ 341.550. Definitief werd een belastbare winst aangegeven van Aƒ 282.791. De definitieve aanslag werd conform opgelegd en beliep (inclusief opcenten) Aƒ 107.284.

1.4. Tegen de aanslag winstbelasting 1992 werd op 19 juni 2001 een bezwaarschrift ingediend. Die datum ligt weliswaar vóór de dagtekening van de aanslag, maar aannemelijk is dat de aanslag ten tijde van de indiening al wel tot stand was gekomen. Het bezwaar is dus ontvankelijk. De Inspecteur deed uitspraak op bezwaar bij beschikking van 22 juni 2001, waarna appellante op 14 augustus 2001, dus tijdig, in beroep kwam bij de Raad. De Inspecteur heeft op 1 maart 2002 een vertoogschrift ingediend.

1.5. Tegen de aanslag winstbelasting 1993 werd op 19 juni 2001, dus tijdig, een bezwaarschrift ingediend. De Inspecteur deed uitspraak op bezwaar bij beschikking van 22 juni 2001, waarna appellante op 14 augustus 2001, dus tijdig, in beroep kwam bij de Raad. De Inspecteur heeft op 1 maart 2002 een vertoogschrift ingediend.

1.6. Beide beroepen zijn mondeling behandeld ter zitting van de Raad van 12 april 2002. Beide partijen zijn verschenen. Appellante heeft een pleitnota ingediend.

2. Beoordeling van het beroep

2.1. In beide zaken betreft het geschil de volgende vragen:

i. is de definitieve aanslag tijdig opgelegd?

ii. zo neen, moet dan naast de definitieve aanslag ook de voorlopige aanslag worden vernietigd?

Appellante beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede bevestigend. Het antwoord van de Inspecteur op de eerste vraag luidt bevestigend; hij is subsidiair van mening dat de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord.

2.2. In het algemeen kan een definitieve aanslag worden opgelegd indien sinds het verstrijken van het belastingjaar nog geen tien jaren zijn verstreken. Die regel lijdt uitzondering indien de belastingplichtige overeenkomstig zijn wettelijke verplichting aangifte heeft gedaan. In dat geval moet de aanslagtermijn worden gesteld op ten hoogste vijf jaren nadat de aangifte is ingediend. Vgl. voor de winstbelasting RvB 23 november 1990, nr. 11/90, TAR/J 1997 nr. 3, sub 2.2, en voor de inkomstenbelasting RvB 13 mei 1992, nr. 1990/59, TAR/J 1997 nr. 3, sub 2.5.

2.3. Gelet op enerzijds het rechtsbeschermingsbelang van de belastingplichtige en anderzijds het handhavingsbelang van de Inspecteur ziet de Raad geen reden anders te oordelen in het geval waarin, zoals te dezen, de aangifte is gedaan nadat de (door de Inspecteur verlengde) termijn voor het indienen van het aangiftebiljet is verstreken.

2.4. Nu zowel de definitieve aanslag WB 1992 als de definitieve aanslag WB 1993 na het verstrijken van de vijfjaarstermijn - dus te laat - is opgelegd en appellante over die termijnoverschrijding heeft geklaagd, moet de in rov. 2.1, sub i, gestelde vraag ontkennend worden beantwoord.

2.5. Vervolgens rijst de in rov. 2.1, sub ii, gestelde vraag naar het lot van de beide voorlopige aanslagen. Appellant meent - onder verwijzing naar HR 16 oktober 1991, BNB 1991/339 - dat die aanslagen moeten worden vernietigd. De Inspecteur bestrijdt dat standpunt met een beroep op RvB 13 mei 1992, nr. 1990/59, TAR/J 1997 nr. 3, sub 2.5.

2.6. De Raad stelt voorop dat het stelsel van art. 13, lid 1, jo. art. 15 AWR, waarover de Hoge Raad in BNB 1991/339 als hoogste rechter in Nederland had te oordelen, verschilt van het stelsel van art. 28, lid 1, jo art. 29 LWB waarover de Raad als hoogste belastingrechter in Aruba (en de Nederlandse Antillen) oordeelt. Immers, art. 15 AWR spreekt inzake de relatie tussen een voorlopige en een definitieve aanslag over de verrekening van de ene aanslag met de andere, terwijl art. 29, lid 1, LWB in dat verband rept over het - geheel of gedeeltelijk - buiten invordering laten van de definitieve aanslag en over het verminderen van de voorlopige aanslag.

2.7. Het voorschrift van art. 29 LWB, dat van de definitieve aanslag een bedrag, gelijk aan de voorlopige aanslag, buiten invordering blijft, laat zien dat er twee afzonderlijke beschikkingen zijn, die tezamen ertoe strekken, elk voor een gedeelte, de materiële belastingschuld rijp te maken voor invordering. Daarmee strookt het dat voor het geval de definitieve aanslag lager zou uitkomen dan de voorlopige aanslag, enerzijds de definitieve aanslag geheel buiten invordering blijft en anderzijds de voorlopige aanslag met het verschil wordt verminderd. Zou er bij die regeling geen materiële belastingschuld zijn en op die grond de definitieve aanslag uitblijven, dan is het consequent ook de voorlopige aanslag te vernietigen. Blijft evenwel de definitieve aanslag door een fout uit of moet deze wegens termijnoverschrijding worden vernietigd, dan zou de voorlopige aanslag gehandhaafd behoren te worden voor zover hij niet hoger is dan de materiële belastingschuld. Zulks strookt met de strekking van de door de Raad in rov. 2.2 geformuleerde aanslagtermijn. Deze wil zekerheid brengen dat de fiscus niet na geruime tijd de (materieel) belastingplichtige zal overvallen met betalingsverplichtingen. Die waarborg behoeft de belastingplichtige echter niet voor betalingsverplichtingen waaraan hij al heeft voldaan, althans die hem al tijdig kenbaar waren gemaakt. De Raad is daarom van oordeel dat het uitblijven van een definitieve aanslag wegens de overschrijding van de aanslagtermijn niet meebrengt dat de voorlopige aanslag behoort te worden vernietigd.

2.8. De in rov. 2.1, sub ii, gestelde vraag moet derhalve met de Inspecteur ontkennend worden beantwoord.

2.9. Het voorgaande zou de Raad tot de slotsom moeten leiden dat de beide definitieve aanslagen moeten worden vernietigd, ware het niet dat appellante bij die vernietiging geen belang heeft. Immers, de definitieve aanslag WB 1992 is gelijk aan de voorlopige, terwijl de definitieve aanslag WB 1993 een lager bedrag beloopt dan de voorlopige. Vernietiging van de definitieve aanslagen en handhaving van de voorlopige aanslagen biedt voor appellante dus geen soelaas en zou voor het jaar 1993 zelfs tot ongewenst gevolg hebben dat de formele belastingschuld op een hoger bedrag is vastgesteld dan de materiële belastingschuld bedraagt. Mitsdien is de Raad van oordeel dat het beroep moet worden verworpen.

3. Beslissing

De Raad verwerpt het beroep.

mrs. L. van Gijn, J.W. Ilsink en L.F. van Kalmthout