Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:2002:BU4031

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
31-01-2002
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
1999/262, 1999/263, 1999/264 en 1999/265
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Belastingjaar / 1991, 1992, 1993 en 1994

Omkering bewijslast omdat geen aangifte is gedaan. Beoordeling financiële situatie belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking van 31 januari 2002, nr. 1999/262 tot en met 265.

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Curaçao,

1. Loop van het geding

Aan appellant zijn, telkens met dagtekening 26 juli 1996, voor de jaren 1991, 1992, 1993 en 1994 aanslagen in de opgelegd. De daartegen gerichte bezwaarschriften zijn bij de Inspecteur ingekomen op 1 augustus 1996. De Inspecteur heeft op de bezwaarschriften beslist bij beschikkingen van 5 november 1999 en de aanslagen verminderd.

Tegen de beschikkingen op bezwaar heeft appellant op 1 december 1999, dus tijdig, beroep aangetekend bij de Raad. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingezonden.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zittingen van de Raad op 4 april en 20 november 2001, gehouden op Curaçao. Beide partijen zijn ter eerste zitting verschenen; op de tweede zitting was alleen de Inspecteur aanwezig.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Appellant, geboren in 1939 en ongehuwd, is in 1987 verhuisd van Nederland naar de Nederlandse Antillen. Hij was in Nederland makelaar in onroerende zaken. Hij heeft vanaf zijn immigratie tot en met september 1990 in dienst van D. Development N.V. gewerkt aan de ontwikkeling van een bouwproject op Casa Abao.

2.2. Appellant was vanaf maart 1991 directeur van de toen net opgerichte vennootschap B. Real Estate N.V. Hij verantwoordde in zijn aangiften 1991 en 1992 een jaarloon van Naf 12.000, in de aangifte 1993 Naf 15.000 en in de aangifte 1994 Naf 18.000. Hem is door deze werkgever een auto, een Mazda van het bouwjaar 1980, ter beschikking gesteld. Appellant heeft geen inkomsten uit vermogen of ander inkomen dan loon aangegeven.

2.3. Appellant heeft in juli 1993 een woning gekocht voor Naf 250.000. De koopsom is gefinancierd met een hypotheek van de Centrale Hypotheekbank van Naf 140.000 en, volgens beweren van appellant, met een lening van Iv. A.V.V. van Naf 90.000.

2.4. Appellant heeft geen aangiften inkomstenbelasting gedaan. Aan hem zijn taxatieve aanslagen opgelegd, die na bezwaar zijn verminderd. Bij zijn bezwaarschrift zond appellant telkens alsnog het hem uitgereikte aangiftebiljet ingevuld retour. Een overzicht van de aangegeven en vastgestelde onzuivere inkomens in Naf ziet eruit als volgt:

Overzicht

2.5. Appellant is vanaf zijn jeugd gehandicapt. Geen verzekeringsmaatschappij is bereid hem te verzekeren tegen ziektekosten. In zijn aangiften heeft hij geschatte uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit opgevoerd: in 1991 Naf 6.500, in 1992 Naf 3.100, in 1993 Naf 3.100 en in 1994 Naf 3.700.

3. Geschil

In geschil is de bij wege van schatting vastgestelde hoogte van de onzuivere inkomens van appellant door de Inspecteur.

De Inspecteur stelt dat een werknemer met een jaarloon als dat van appellant niet in aanmerking komt voor een hypothecaire lening van Naf 140.000. Daarvoor is volgens ingewonnen informatie nodig dat jaarlijks ten minste Naf 67.200 wordt verdiend. De Inspecteur verdedigt dat een schatting van het jaarlijkse inkomen van appellant daarop moet zijn afgestemd.

Appellant verzoekt om een vermindering van de aanslag conform zijn bij bezwaar ingezonden aangiften. Hij stelt dat hij zijn uitgaven voor levensonderhoud vooral met de leningen van J. V. en W. heeft bekostigd. Appellant stelt dat hij in de jaren 1987 tot en met 1990 US$ 53.500 geleend heeft van J.V., die in Florida, de Verenigde Staten, woont. In 1991 leende hij een additioneel bedrag van hem van US$ 10.000. Op deze lening(en) heeft appellant tot op heden niet afgelost; de rente is jaarlijks bijgeschreven bij de hoofdsom.

Ter zitting van de Raad op 4 april 2001 is aan appellant verzocht alsnog bewijs te leveren van alle door hem gesloten leningen. De Raad ontving van appellant kopieën van twee akten van geldlening, tezamen goed voor een leenbedrag van US$18.500, gesloten met J.V.

4. Overwegingen

4.1. Het staat vast dat appellant niet tijdig de aan hem uitgereikte aangiften heeft ingediend bij de Inspecteur. Hij heeft de aangiften pas ingevuld en geretourneerd bij bezwaar. De Inspecteur heeft daarom taxatieve aanslagen opgelegd. Appellant heeft door aldus te handelen niet de vereiste aangiften gedaan. De sanctie die daarop staat is dat appellant de onjuistheid van de taxatieve aanslagen overtuigend moet aantonen. De Inspecteur dient slechts aannemelijk te maken dat zijn schatting van de onzuivere inkomens redelijk is.

4.2. De Raad acht de schatting die de Inspecteur heeft gemaakt redelijk. Ook voor de Raad is onduidelijk gebleven waarvan appellant in de onderwerpelijke jaren heeft geleefd en kennelijk ook nog heeft gespaard. De aangegeven inkomsten uit arbeid over 1991, 1992 en 1993 zijn, na aftrek van de opgevoerde uitgaven ter zake van ziekte, zo laag dat het niet aannemelijk is dat appellant daarvan heeft kunnen rondkomen. Bovendien is onbegrijpelijk hoe appellant bij de aankoop van de eigen woning in 1993 voor Naf 250.000, in verband waarmee hij volgens zijn beweren twee leningen van tezamen (Naf 140.000 + Naf 90.000 =) Naf 230.000 afsloot, kon beschikken over een eigen vermogen van ten minste Naf 20.000. Wanneer hypotheekverstrekkers zoals de Centrale Hypotheekbank slechts aan werknemers met een jaarloon van ten minste Naf 67.200 een krediet verschaffen van Naf 140.000, hetgeen de Inspecteur stelt en de Raad niet onaannemelijk voorkomt, ligt het voor de hand te veronderstellen dat ook appellant over een dergelijk inkomen beschikte.

4.3. De Raad is van oordeel dat appellant niet aan zijn bewijsopdracht heeft voldaan. Hij heeft voor zijn stelling dat hij in zijn levensonderhoud in de jaren 1991 tot en met 1994 vooral heeft voorzien door het sluiten van leningen bij J.V. en W. onvoldoende bewijs bijgebracht. De Raad heeft appellant na de eerste zitting op 4 april 2001 de gelegenheid geboden om bewijsstukken van al zijn leningen, ook die met Iv. A.V.V., te produceren. Hij heeft echter geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid, dan slechts overeenkomsten van geldlening tot een bedrag van US$ 18.500 te produceren. Hij heeft ook zijn stelling dat hij bij de Centrale Hypotheekbank een lening van Naf 140.000 heeft verkregen door toedoen van zijn relaties aldaar, niet hard gemaakt.

4.4. Vorenstaande overwegingen voeren de Raad tot de slotsom dat appellant, die niet de vereiste aangiften heeft gedaan, niet overtuigend heeft aangetoond dat de redelijke schatting van zijn inkomen in de jaren 1991 tot en met 1994 door de Inspecteur onjuist is. Het gelijk is derhalve aan de Inspecteur.

5. Beslissing

De Raad verklaart de beroepen ongegrond

mrs. L. van Gijn, Th. Groeneveld en C.W.M. van Ballegooijen