Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1999:BU9393

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
15-10-1999
Datum publicatie
27-12-2011
Zaaknummer
1998/042
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Artikel 48 LIB 1943 / Belastingjaar 1992

Navordering kan slechts plaatsvinden indien deze is gebaseerd op een zogeheten nieuw feit. De aanslagregelend ambtenaar heeft zowel het Landsbesluit tax holiday als de aangifte winstbelasting kunnen raadplegen. Hij hoefde niet te concluderen dat belpl in zijn aangifte ten onrechte om toepassing van dividendvrijstelling vroeg. Diens overigens goed verzorgde aangifte wekt de indruk dat het uitgekeerde dividend geheel afkomstig is van de vrijgestelde inkomsten van N.V. A .

Aan het feit dat aan N.V. A nihil-aanslagen in de winstbelasting zijn opgelegd kan belpl, ook al is hij aandeelhouder, geen vertrouwen ontlenen dat het door hem genoten dividend niet wordt betrokken in de heffing van de inkomstenbelasting. Belpl heeft aan het louter volgen door de Inspecteur van zijn aangiften Inkomstenbelasting niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat het dividend van N.V. A vrijgesteld is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 15 oktober 1999, nr. 1998/042.

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Bonaire,

1. Procesverloop

1.1. Aan appellant is, met dagtekening 31 december 1997, voor het jaar 1992 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een zuiver inkomen van Naf. 63.750. Aan hem was een aanslag opgelegd naar een zuiver inkomen van uiteindelijk Naf. 11.731.

1.2. Tegen de navorderingsaanslag is appellant tijdig in beroep gekomen bij de Raad. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad op 26 april 1999, gehouden op Bonaire. Beide partijen hebben zich doen vertegenwoordigen; appellant heeft een pleitnota doen voordragen en overleggen.

2. Vaststaande feiten

2.1. Appellant, geboren in Verenigde Staten van Amerika, is van Amerikaanse nationaliteit en woont in Florida. Hij heeft 30 van de 100 aandelen in de N.V. A in eigendom. De vennootschap is gevestigd aan XX op Bonaire. Appellant heeft een verblijfsvergunning om hier te lande te fungeren als directeur van C Club van N.V. A.

2.2. N.V. A, opgericht in 1984, is dat jaar begonnen met de ontwikkeling en bouw van een hotel in Kralendijk. Het complex bestaat uit appartementen bestemd voor de verkoop en appartementen bestemd voor de verhuur, een restaurant, een duikshop, een winkel, tennisvelden, kantoren en garageboxen. In de periode 1985 tot en met 1990 zijn alle appartementen bestemd voor de verkoop op zes na verkocht. In 1992 is nog één appartement verkocht. N.V. A heeft hypothecaire leningen verstrekt aan kopers van een appartement. Het restaurant, de duikshop, de winkel, de kantoren en de nog niet verkochte garageboxen worden verhuurd.

2.3. N.V. A heeft bij Landsbesluit van 1 juli 1985, no. 49 een belastingvrijstelling voor een periode van 10 jaar verkregen op grond van de Landsverordening ter bevordering industrievestiging en hotelbouw 1953. In het Landsbesluit wordt onder meer overwogen dat de vennootschap voornemens is een braakliggend perceel grond “tot ontwikkeling te brengen door de bouw van 94 units condominiums met additionele voorzieningen zoals restaurants, bars, winkelcentrum, alsmede sport- en recreatiefaciliteiten, bestemd voor de verkoop en levering van appartementen, waarvan de eigenaren, voor zolang zij die niet zelf gebruiken, ter verhuur afstaan aan derden middels een zogenaamde rental pool systeem”. Krachtens het Landsbesluit is goedgevonden dat N.V. A is vrijgesteld van invoerrechten en belastingen, maar de vrijstelling betreft niet: “de tussen haar en belanghebbenden gesloten appartementen-koopovereenkomsten betreffende het onderhavige cono-tel project en de daaruit ontstane rechtsverhoudingen,welke erop gericht zijn belanghebbenden, hetzij direct, hetzij indirect de verleende vrijstellingen rechtens deelachtig te laten worden”. Aan de vennootschap is bij Landsbesluit van 1 juli 1985, no. 50 tevens een belastingvrijstelling voor een periode van 5 jaar verleend op grond van de Landsverordening ter bevordering van grondontwikkeling.

2.4. N.V. A rapporteerde in haar aangifte winstbelasting 1992, ingekomen ter Inspectie op 14 juli 1993, een niet-belaste winst van Naf. 341.911. Zij beantwoordde vraag 10a van het aangiftebiljet “Geniet de belastingplichtige fiscale faciliteiten op grond van: 1. De Landsverordening Industrievestiging/ Hotelbouw..” met ja. In de rubriek Nadere Toelichting vermeldde zij: “10A – No 347/ JAZ –7-85 No. 49” en “No 347A/JAZ 1-7-85 No. 50”. Zij heeft een verlies- en winstrekening (statement of income and retained earnings) alsmede een balans, beide zonder toelichting, bij haar aangifte winstbelasting 1992 gevoegd. Volgens deze verlies- en winstrekening behaalde N.V. A. in 1992 een winst van Naf. 341.911. De rekening ziet er als volgt uit:

rekening

De inspecteur heeft op 31 juli 1995 nihil aanslagen in de winstbelasting aan N.V. A opgelegd over de jaren 1989 tot en met 1994.

2.5. Appellant heeft op 23 juni 1993 aangifte inkomstenbelasting 1992 gedaan van een inkomen van Naf. 61.475. Hij verantwoordde bij vraag 9b inzake dividenden uitbetaald door een Antilliaans lichaam een bedrag van Naf. 51.969. Bij de toelichting op bladzijde 10, rubriek 23 van het aangiftebiljet verwijst appellant naar vraag 9b en vermeldt hij dat het dividend is uitgekeerd met toepassing de “Landsverordening Industrievestiging en Hotelbouw 1953” en de Landsbesluiten van 1 juli 1985, no. 49 en 50. Bij de aangifte is geen jaarrekening van N.V. A gevoegd.

2.6. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting 1992, met dagtekening 30 juni 1994, de gevraagde vrijstelling voor het door N.V. A uitgekeerde dividend aan appellant verleend en is daarop niet teruggekomen in zijn op 2 oktober 1995 gedagtekende uitspraak op een bezwaarschrift tegen de aanslag. Ook het in de aangiften inkomstenbelasting 1991, 1993 en 1994 aangegeven dividend van N.V. A is niet in de heffing van de inkomstenbelasting betrokken. In 1997 heeft de inspecteur een boekenonderzoek bij N.V. A laten instellen naar de aanvaardbaarheid van haar aangiften winstbelasting en loonbelasting over de jaren 1992 tot en met 1995. Naar aanleiding van dit onderzoek is de Inspecteur tot de slotsom gekomen dat de belastingvrijstelling die N.V. A geniet geen betrekking heeft op opbrengsten uit de verkoop van appartementen en dat aan appellant ten onrechte dividendvrijstelling was verleend. Bij het opleggen van de bestreden navorderingsaanslag heeft hij het eerder vastgestelde zuiver inkomen van Naf. 11.731 verhoogd met het van N.V. A ontvangen dividend van Naf. 51.969 tot Naf. 63.700. Ook aan N.V. A zijn navorderingsaanslagen opgelegd.

3. Omschrijving van geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil zijn de volgende vragen:

- levert enig gegeven, als bedoeld in artikel 48 van de Landsverordening op de Inkomstenbelasting 1943, grond op voor het vermoeden dat ten onrechte een te lage aanslag is opgelegd?

- Heeft de belastingvrijstelling van N.V. A mede betrekking op de winst behaald bij de verkoop van appartementen en op uitkeringen van die winst aan haar aandeelhouders?

- Heeft appellant aan de regeling van de aanslagen in de winstbelasting 1989 tot en met 1994 ten name van N.V. A het in rechte te beschermen vertrouwen kunnen ontlenen dat de winst uit de verkoop van appartementen en de uitkering van die winst aan de aandeelhouders onder de belastingvrijstelling viel?

- Heeft de inspecteur de bevoegdheid om de vrijstelling die verleend is aan N.V. A krachtens het Landsbesluit no. 49 buiten toepassing te laten op bepaalde bestanddelen van haar winst en op haar winstuitkeringen?

- Dient het dividend gedeeltelijk te worden belast, en wel voor zover het dividend afkomstig is van verkoopopbrengsten van appartementen door N.V. A?

3.2. Appellant stelt primair dat navordering niet mogelijk is vanwege het ontbreken van een nieuw feit. Hij verdedigt voorts dat de belastingvrijstelling ingevolge het Landsbesluit mede betrekking heeft op de opbrengst van de verkoop van appartementen. Hij beroept zich daarbij tevens op door de aanslagregeling ten name van N.V. A voor de jaren 1989 tot en met 1994 gewekt vertrouwen.

Voorts stelt hij dat de Inspecteur niet bevoegd is om het Landsbesluit van 1 juli 1985, no. 49 buiten toepassing te laten op de winstuitkeringen van de vennootschap. Ook voert hij aan dat niet de gehele winst van N.V. A in de heffing van de winstbelasting kan worden betrokken, zodat het uitgekeerde dividend gedeeltelijk is vrijgesteld. Hij stemt ermee in, aldus een verklaring van zijn gemachtigde ter zitting, dat indien de Raad concludeert tot heffing over een gedeelte van het dividend, het belaste gedeelte op een derde deel wordt gesteld.

3.3. De Inspecteur stelt dat voor het navorderen van inkomstenbelasting geen nieuw feit nodig is. Van gewekt vertrouwen is volgens hem geen sprake nu de Inspecteur enkel de aangiften van appellant en N.V. A over een aantal jaren heeft gevolgd en appellant hem heeft misleid door het verstrekken van onjuiste gegevens. De Inspecteur acht zich bevoegd om het Landsbesluit buiten toepassing te verklaren op bepaalde winstbestanddelen van N.V. A. Hij betoogt verder dat de aan N.V. A verleende belastingvrijstelling niet geldt voor winst die zij behaalt met de verkoop van appartementen. Volgens de Inspecteur is het door N.V. A uitgekeerde dividend proportioneel belast, en wel naar verhouding tussen de winst behaald met verkoop van appartementen en de overige winst. Hij gaat er mee akkoord dat deze verhouding in 1992 wordt gesteld op een derde.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Volgens artikel 48 van de Landsverordening op de Inkomstenbelasting 1943 (hierna: LIB) kan navordering van te weinig geheven belasting slechts plaatsvinden indien enig gegeven grond oplevert voor het vermoeden, dat een te lage aanslag is opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad houdt dit artikel in dat voor navordering vereist is dat deze is gebaseerd op een zogeheten nieuw feit. De grond voor navordering is het nader bekend worden van gegevens die ten tijde van de aanslagregeling nog niet bekend waren of bekend konden zijn.

4.2. De Inspecteur heeft ter zitting van de Raad bevestigd – het blijkt ook uit de vaststaande feiten – dat de aanslagregelend ambtenaar zowel het Landsbesluit van 1 juli 1985, no. 49 als de aangifte winstbelasting 1992 heeft kunnen raadplegen, omdat deze stukken ten tijde van de primitieve aanslagregeling ter Inspectie voor handen waren. Hieruit volgt dat de aanslagregelend ambtenaar ermee bekend had kunnen zijn dat de belastingvrijstelling van N.V. A geen betrekking heeft op onder meer overeenkomsten van verkoop van appartementen en voorts dat N.V. A in 1992 zowel in de belaste als in de onbelaste sfeer winst heeft behaald. Daaruit had hij echter niet behoeven te concluderen, zoals de gemachtigde heeft verdedigd, dat appellant in zijn aangifte ten onrechte om toepassing van dividendvrijstelling vroeg. Diens overigens goed verzorgde aangifte wekt de indruk dat het uitgekeerde dividend geheel afkomstig is van de vrijgestelde inkomsten van N.V. A . De Inspecteur is eerst na de aanslagregeling, en wel bij het boekenonderzoek van N.V. A, bekend geworden met het gegeven dat het dividend voor een gedeelte voortkwam uit de winst behaald bij de verkoop van appartementen. Dit nieuwe feit rechtvaardigde het opleggen van de bestreden navorderingsaanslag.

4.3. De Raad leest in het Landsbesluit van 1 juli 1985, no. 49, evenals de Inspecteur en anders dan appellant, dat aan N.V. A geen belastingvrijstelling is verleend ter zake van onder meer de verkoop van appartementen. De Raad verwerpt de stelling van appellant dat hij aan de tekst van dat Landsbesluit het in rechte te honoreren vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat winst behaald met de verkoop van appartementen alsmede uitkeringen van die winst onder de belastingvrijstelling vallen. Aan het feit dat aan N.V. A nihil-aanslagen in de winstbelasting over de jaren 1989 tot en met 1994 zijn opgelegd kan appellant, ook al is hij aandeelhouder in die vennootschap, geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat het door hem genoten dividend niet wordt betrokken in de heffing van de inkomstenbelasting. Het opleggen van de navorderingsaanslag door de Inspecteur houdt, anders dan appellant voorts stelt, niet in dat het genoemde Landsbesluit buiten toepassing is verklaard. De Inspecteur past het Landsbesluit daarentegen juist toe. Appellant heeft evenmin aan het louter volgen door de Inspecteur van zijn aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 1991 tot en met 1995 het in rechte te honoreren vertrouwen kunnen ontlenen dat het dividend van N.V. A vrijgesteld is van heffing.

4.4. De Raad komt tot de slotsom dat het dividend dat appellant heeft ontvangen van N.V. A, voor zover geput uit de winst behaald met de verkoop van appartementen, niet valt onder de vrijstelling van belastingheffing als bedoeld in artikel 13 van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw 1953. Tussen partijen is niet meer in geschil dat dat gedeelte een derde beloopt; dat komt neer op 1/3 x Naf. 51.969,-- = Naf. 17.323,--. Het zuiver inkomen van appellant wordt dan uiteindelijk Naf. 11.731,-- + Naf. 17.323,-- = Naf. 29.54,--.

5. Beslissing

De Raad verklaart het beroep gegrond en vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een zuiver inkomen van Naf. 29.054,--.

mrs. A.W.M. Bijloos, J.W. Ilsink en C.W.M. van Ballegooijen.