Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1999:BU7509

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
15-10-1999
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
1997/207A
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Artikel 11 / Belastingjaar 1990

Bij het vaststellen van de vervreemdingsprijs dient rekening te worden gehouden met het bedrag dat belanghebbende in latere jaren heeft betaald aan de koper van de aandelen als gevolg van inbreuken op de door hem bij de koop verstrekte garanties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 15 oktober 1999, nr. 1997/207A

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Procesverloop

1.1. Aan appellant is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van Awg 2.254.900. Nadat appellant bezwaar had aangetekend tegen de aanslag, is deze bij beschikking van 26 september 1997 gehandhaafd.

1.2. Tegen de beschikking op bezwaar is appellant tijdig in beroep gekomen bij de Raad. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad op 23 april 1999, gehouden op Aruba. Beide partijen zijn daar verschenen. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde die een pleitnota heeft voorgedragen en overgelegd.

2. Vaststaande feiten

2.1. Appellant heeft in juni 1990 alle aandelen in N.V. A en alle aandelen in N.V. B (hierna: de aandelen) verkocht en geleverd voor Naf. 1.750.000 aan N.V. C, een dochtervennootschap van N.V. D. Volgens de akte van verkoop en levering van aandelen was de verkoper eigenaar van de aandelen en tevens directeur van N.V. A. Appellant heeft zich blijkens de akte voorts verbonden om een nieuwe arbeidsovereenkomst in de functie van directeur aan te gaan met de verkochte vennootschappen of met de koper van de aandelen.

2.2. Volgens een akte houdende overdracht van de aandelen heeft N.V. A de aandelen voor Awg 100.000 aan N.V. E i.o. verkocht. Appellant is oprichter en (beoogd) enig aandeelhouder van N.V. E. De akte is ondertekend op 10 augustus 1989.

2.3. Volgens een stuk, gedagtekend 1 juni 1990, heeft N.V. E i.o. appellant gemachtigd om voor en namens haar doch op eigen naam de aandelen te verkopen voor Awg. 1.750.000 tegen een bemiddelingsprovisie van een kwart percent.

2.4. Op 25 mei 1998 heeft appellant eenzijdig een onderhandse rectificatie van de akte houdende overdracht van de aandelen van 10 augustus 1989 opgesteld. Hij schreef in de rectificatie dat in de akte abusievelijk N.V. A als aandeelhouder en verkoper is vermeld en dat voor N.V. A hij als verkopende partij moet worden gelezen.

2.5. Op 25 mei 1998 heeft appellant ook eenzijdig een onderhandse rectificatie van de onder 2.1 genoemde akte verkoop en levering van aandelen opgesteld. Hij schreef dat niet hij, maar N.V. E eigenaar was van de aandelen en dat voor hem als verkopende partij gelezen moet worden hij als gemachtigde van N.V. E.

2.6. In artikel 6 van de onder 2.1 genoemde akte van verkoop en levering van de aandelen heeft de verkoper zich verbonden om aan de koper de schade te vergoeden die voortvloeien uit inbreuken op door de verkoper gegeven garanties. De garanties betreffen onder meer balansgaranties en garanties inzake de nakoming van de fiscale verplichtingen door N.V. A en N.V. B. Op grond van artikel 6 heeft appellant in 1994/1995 in het totaal Awg. 183.587,55 voldaan aan N.V. C.

2.7. De inspecteur heeft het verschil tussen de vervreemdingsprijs en de verkrijgingsprijs van de aandelen als winst uit aanmerkelijk belang in de heffing betrokken. Als verkrijgingsprijs heeft hij een bedrag van Awg. 20.000 in aanmerking genomen. De inspecteur heeft voornoemde betaling van Awg. 183.587,55 niet in mindering op de winst gebracht.

3. Omschrijving van geschil en standpunten van partijen.

3.1. In geschil is of appellant in 1990 winst uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Indien de Raad de vraag bevestigend beantwoordt, is in geschil of de betaling van Awg. 183.587,55 door appellant aan de koper van de aandelen zijn belastbare inkomen van 1990 raakt. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de verkrijgingsprijs van de aandelen Awg. 115.000 beloopt.

3.2. Appellant stelt dat hij de aandelen op 10 augustus heeft verkocht aan N.V. E i.o. voor een bedrag van Awg. 100.000 en dat hij door N.V. E i.o. is gemachtigd om de aandelen te verkopen aan een derde voor en namens haar, maar onder zijn naam. Hij stelt subsidiair dat zijn betaling aan N.V. C ten laste van de winst uit aanmerkelijk belang behoort te komen.

3.3. De inspecteur ontkent dat appellant de aandelen in 1989 heeft vervreemd. Hij heeft zijn subsidiaire stelling dat de overdracht van de aandelen in oktober 1989 een handeling in fraudem legis is geweest, ter zitting ingetrokken. Hij heeft verder ter zitting verklaard dat de terugbetaling op de verkoopopbrengst van de aandelen in mindering op de vervreemdingsprijs kan worden gebracht.

3.4. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde verklaard dat appellant besprekingen heeft gevoerd met N.V. D en dat deze gesprekken bijna tot een overeenstemming hadden geleid, toen hem geadviseerd werd om een buitenlandse vennootschap “tussen te schuiven”.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Het eerste geschil spitst zich toe op de vraag voor wiens rekening de aandelen aan N.V. C zijn verkocht: voor rekening van appellant of van N.V. E? De Raad stelt voorop dat de eenzijdig door appellant opgestelde rectificatie, genoemd onder 2.5, geen invloed heeft op de overeenkomst die hij in juni 1990 met N.V. C sloot en dat appellant zich toen heeft gepresenteerd als eigenaar van de aandelen. N.V. C of de uiteindelijke koper van de aandelen, N.V. D, heeft met appellant zaken gedaan, zo blijkt uit de bewoordingen van de akte tot verkoop en levering van aandelen en uit de afwikkeling van de garanties die appellant als verkoper van de aandelen gaf. Ter zitting heeft appellant trouwens erkend dat hij al bijna overeenstemming met N.V. D had bereikt over de verkoop van de aandelen, toen hij het advies kreeg om een buitenlandse vennootschap “tussen te schuiven”. Appellant heeft de aandelen kennelijk sindsdien vastgehouden ten behoeve van deze uiteindelijke koper en ze ondertussen op naam van N.V. E i.o. willen zetten met behulp van de gebrekkige akte van 10 augustus 1989. Het is echter niet gesteld of gebleken dat de aandelen ooit hebben behoord tot het vermogen van N.V. E, dat zij aan appellant een bemiddelingsprovisie heeft betaald en dat zij de schadevergoedingen die appellant aan de koper van de aandelen heeft betaald uiteindelijk heeft gedragen. De Raad komt hier tot de slotsom dat bewijs ontbreekt voor de stelling van appellant dat hij de aandelen vóór juni 1990 heeft verkocht aan N.V. E i.o. en dat hij ze voor haar aan N.V. C heeft verkocht. In zoverre is het gelijk aan de inspecteur.

4.2. Partijen zijn het er over eens geworden dat bij het vaststellen van de vervreemdingsprijs rekening dient te worden gehouden met het bedrag dat appellant in 1994/1995 heeft betaald aan de koper van de aandelen als gevolg van inbreuken op de door hem bij de koop verstrekte garanties. Dat betekent dat zowel de vervreemdingsprijs van de aandelen als de winst uit aanmerkelijk belang als het belastbare inkomen verminderd worden met Awg. 183.587,55. De inspecteur heeft in zijn vertoogschrift reeds tot vermindering van het vastgestelde belastbare inkomen tot Awg. 1.734.900 geconcludeerd. Daarop komt dan nog het bedrag van afgerond Awg. 183.588 in aftrek, zodat het belastbare inkomen moet worden vastgesteld op Awg. 1.551.312.

5. Beslissing

De Raad:

- verklaart het beroep ongegrond,

- vernietigt de bestreden beschikking, en

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van Awg 1.551.312.

mrs. Bijloos, IIsink en Ballegooijen