Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1999:BU4396

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
15-10-1999
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
1999/009
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Algemene bestedingsbelasting / Belastingjaar 1996-1997

Het ligt op de weg van appellante gelegen om aannemelijk te maken dat een belastingbedrag reeds voor het opleggen van de naheffingsaanslag is voldaan. ABB wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de vergoeding ter zake van een dienst geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen door de opdrachtnemer en de ABB wordt dan over het ontvangen bedrag berekend. Dit betekent dat wanneer een opdrachtgever een gedeelte van zijn schuld voldoet, de opdrachtnemer tegelijk een gedeelte van de in rekening gebrachte ABB ontvangt en dat bedrag op dat tijdstip verschuldigd wordt. Volgens de toelichting op de Instructie boeten algemene bestedingsbelasting 1996 is opzet slechts “aanwezig wanneer belastingplichtige handelingen heeft verricht of nagelaten met het oogmerk daaruit oneigenlijk belastingvoordeel te halen”. Appellante had als groot belastingadvieskantoor beter moeten weten. Aan haar is grove schuld te verwijten. Appellante is verantwoordelijk voor het handelen van haar administratieve afdeling; zij schiet de ABB ook niet voor als CDM gedeeltelijk haar schulden betaalt. Geen pleitbaar, in redelijkheid te verdedigen, standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 15 oktober 1999, nr. 1999/009.

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Curaçao,

1. Loop van het geding

1.1. Aan appellante is, met dagtekening 28 juli 1998, over het tijdvak 1 juli 1996 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de algemene bestedingsbelasting (hierna: ABB) opgelegd van Na? 72.824 met een boete van Na? 36.412. Nadat appellante tegen die naheffingsaanslag bezwaar had aangetekend, heeft de Inspecteur appellante wegens termijnoverschrijding

niet-ontvankelijk verklaard en de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot Na? 36.663 aan ABB en de boete gehandhaafd.

1.2. Tegen de beslissing op bezwaar is appellante tijdig in beroep gekomen bij de Raad. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad op 21 april 1999, gehouden op Curaçao. Beide partijen zijn verschenen en hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Appellante heeft met goedkeuring van de wederpartij de Instructie boeten algemene bestedingsbelasting 1996 met toelichting (hierna: de Instructie) overgelegd.

2. Vaststaande feiten

2.1. Appellante verstrekt adviezen op het terrein van accountancy, belastingen en management. Tot haar cliëntèle behoort de C. Maatschappij met de daaraan verbonden maatschappijen (hierna: C.). C. had in november 1996 bij de landsregering een verzoek ingediend om als exporterende onderneming vrijstelling van ABB te verkrijgen ter zake van haar binnenlandse afname van goederen en diensten. Toen appellante op haar facturen aan C. ABB in rekening heeft gebracht, weigerde deze vooralsnog de ABB te betalen; C. voldeed de facturen dan ook gedeeltelijk. In 1996 betaalde C. Na? 570.681 aan appellante als vergoeding voor geleverde diensten en in 1997 Na? 715.891.

2.2. Op 24 december 1997 bleek de Inspecteur bij een boekenonderzoek naar de juistheid van de aangiften van appellante dat zij geen ABB had aangegeven en voldaan ter zake van de van C. ontvangen vergoedingen. De ABB die appellante toen volgens de Inspecteur verschuldigd was over de vergoedingen ontvangen van C. bedroeg over 1996 Na? 32.302 en over 1997 Na? 40.522, samen Na? 72.824. De Inspecteur heeft zijn boekenonderzoek op 24 april 1998 voortgezet. Toen bleek dat C. inmiddels een gedeelte van de in rekening gebrachte ABB aan appellante had betaald en dat appellante deze ontvangen ABB had aangegeven in haar aangiften over januari tot en met maart 1988. Er resteerde toen volgens berekening door de controlerend ambtenaren nog een bedrag van Na? 26.122 aan door appellante af te dragen ABB.

2.3. Bij het boekenonderzoek bleek de Inspecteur voorts dat appellante tegen betaling gebruik had gemaakt van een computerprogramma uit Nederland, dat zij in het buitenland een beroepsaansprakelijkheidsverzekering had gesloten en dat zij de ter zake van deze diensten verschuldigde ABB ten bedrage van Na? 744 respectievelijk Na? 9.797 niet had aangegeven en voldaan.

2.4. De Inspecteur heeft naar aanleiding van het boekenonderzoek een naheffingsaanslag aan appellante opgelegd met een vergrijpboete. De nageheven ABB bedraagt na bezwaar: Na? 26.122 + Na? 744 + Na? 9.797 = Na? 36.663. De Inspecteur heeft de boete gegrond op artikel 24, eerste lid, van de Landsverordening algemene bestedingsbelasting 1996 (hierna: LABB) en paragraaf 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Instructie. De boete beloopt 50 percent van de op 24 december 1997 niet betaalde ABB van Na? 72.824 is Na? 36.412.

3. Omschrijving van geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is ten eerste of de Inspecteur bij de vaststelling van de bestreden beschikking een administratieve fout heeft gemaakt, zoals appellante stelt en de Inspecteur ontkent. Ten tweede worden partijen verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of een belastingplichtige ABB verschuldigd is ingeval zijn afnemer een factuur voldoet behoudens de in rekening gebrachte ABB. Voorts is in geding of het aan opzet dan wel grove schuld van appellante te wijten is geweest dat te weinig ABB is voldaan. De beide laatste vragen beantwoordt belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Tot slot is het de vraag of hier sprake is geweest van een vergrijp, zoals de Inspecteur betoogt, dan wel van een verzuim wegens het te laat doen van aangifte en voldoening, zoals appellante verdedigt.

3.2. Appellante stelt dat zij het nageheven bedrag van Na? 26.122 reeds voor het indienen van haar bezwaar heeft betaald. Zij wijst vervolgens op het kasstelsel dat aan de LABB ten grondslag ligt, volgens welk stelsel zij pas ABB behoeft te voldoen nadat aan haar betaald is. Voor wat betreft de boete verdedigt appellante dat haar administratieve afdeling zich vergist heeft en te goeder trouw meende dat zij nog geen ABB behoefde te voldoen zolang haar cliënt nog geen ABB had betaald. Zij ontkent tot slot dat het haar bedoeling was om oneigenlijk belastingvoordeel te behalen; zij wilde alleen de ABB niet voorschieten.

3.3. De Inspecteur ontkent dat appellante het verschuldigde bedrag van NA? 26.122 reeds heeft betaald en zegt toe dat als appellante naderhand bewijs levert van de gepretendeerde voldoening van NA? 26.122, alsnog ambtshalve vermindering zal worden verleend. De Inspecteur is van mening dat bij een partiële vergoeding voor een dienst naar evenredigheid ABB moet worden voldaan. Hij betoogt dat appellante willens en wetens in strijd met de LABB, althans met het standpunt van de Inspecteur daaromtrent, heeft gehandeld en dus opzettelijk geen ABB heeft betaald.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Tijdens het boekenonderzoek door de Inspecteur op 24 december 1997 is vastgesteld dat appellante geen ABB had voldaan ter zake van haar dienstverlening aan C. en dat zij in 1996 en 1997 in het totaal Na? 72.824 had moeten afdragen. Bij het boekenonderzoek op 24 april 1998 bleek dat de verschuldigde ABB, althans een gedeelte, inmiddels was betaald aan de Ontvanger. Volgens de controlerend ambtenaren was toen een bedrag van Na? 26.122 nog niet voldaan. Aldus heeft de Inspecteur de omvang van de uiteindelijk nageheven ABB ter zake van de diensten verleend aan C. vastgesteld. Het had op de weg van appellante gelegen om haar stelling aannemelijk te maken dat zij reeds voor het opleggen van de naheffingsaanslag ook het bedrag Na? 26.122 aan ABB heeft voldaan. Zij heeft op dit punt geen bewijs geleverd, zodat haar stelling door de Raad wordt verworpen.

4.2. Ingevolge artikel 9 van de LABB in verbinding met artikel 6 van de LABB wordt de ABB verschuldigd op het tijdstip waarop de vergoeding ter zake van een dienst geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen door de opdrachtnemer en wordt de ABB dan over het ontvangen bedrag berekend. Dit betekent dat wanneer een opdrachtgever een gedeelte van zijn schuld voldoet, de opdrachtnemer tegelijk een gedeelte van de in rekening gebrachte ABB ontvangt en dat bedrag op dat tijdstip verschuldigd wordt. Het staat een opdrachtnemer niet vrij om bij gedeeltelijke voldoening van zijn vordering het ontvangen bedrag niet aan te merken als een gedeeltelijke betaling van ABB, ook al pretendeert de opdrachtgever geen ABB te hebben betaald. De andersluidende uitleg van de LABB door appellante is niet juist. Het gelijk is in zoverre aan de Inspecteur.

4.3. De Inspecteur stelt dat appellante bewust geen ABB heeft afgedragen en willens en wetens in strijd met de LABB heeft gehandeld; daarom heeft hij appellante een vergrijpboete van 50 percent van de nageheven ABB opgelegd. Appellante heeft de opzet betwist. Blijkens de toelichting op de Instructie is inzake de ABB opzet slechts “aanwezig wanneer belastingplichtige handelingen heeft verricht of nagelaten met het oogmerk daaruit oneigenlijk belastingvoordeel te halen”. De Raad is met appellante van oordeel dat hier van opzet geen sprake is. De Inspecteur heeft zijn stelling dat appellante oneigenlijk belastingvoordeel beoogde te behalen niet bewezen. Weliswaar heeft appellante bewust geen ABB voldaan, maar dat volgde uit haar onjuiste stellingname dat zij pas ABB moest voldoen nadat haar opdrachtgever C. de in rekening gebrachte ABB had betaald. Deze stelling is, zoals geoordeeld in 4.2., niet juist. Appellante had haar niet behoren in te nemen; zij had als groot belastingadvieskantoor beter moeten weten. Aan haar is grove schuld te verwijten, zoals de inspecteur subsidiair ten laste heeft gelegd. De verdediging van appellante tegen deze beschuldiging luidt dat haar administratieve afdeling de fout heeft gemaakt en dat zij de ABB niet wilde voorschieten. Dit pleidooi kan haar niet baten. Appellante is immers verantwoordelijk voor het handelen van haar administratieve afdeling; zij schiet de ABB ook niet voor als CDM gedeeltelijk haar schulden betaalt. Voor zover appellante bedoeld heeft te verdedigen dat zij een pleitbaar, een in redelijkheid te verdedigen, standpunt heeft ingenomen, wijst de Raad dit af.

4.4. Appellante stelt dat zij geen vergrijp heeft gepleegd, zoals de Inspecteur haar verwijt, maar slechts een verzuim heeft begaan. Zoals de Raad in 4.3. heeft overwogen, is het aan grove schuld van appellante wijten geweest dat de ABB niet tijdig is voldaan. Dat vormt een vergrijp in de zin van artikel 24 van de LABB en van paragraaf 7 van de Leidraad. De Raad verwerpt daarom de stelling van appellante dat haar geen boete had behoren te worden opgelegd en dat gelet op paragraaf 6 van de Instructie een schriftelijke waarschuwing had volstaan.

4.5. Tussen partijen is niet meer in geschil dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend, zodat de Inspecteur appellante ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad zal de bestreden beschikking daarom vernietigen en appellante alsnog ontvankelijk verklaren in haar bezwaar. De Raad komt voorts tot de slotsom dat de onderhavige naheffingsaanslag moet worden gehandhaafd voor wat betreft de ABB. De boete dient echter te worden verminderd tot 25 percent van de niet of niet tijdig betaalde belasting ter zake van de diensten verleend aan C.

5. Beslissing

De Raad:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden beschikking en verklaart appellante ontvankelijk in haar bezwaar,

- vermindert de boete tot Na? 18.206, en

- handhaaft de naheffingsaanslag voor wat de Algemene Bestedingsbelasting betreft.

mrs. A.W.M. Bijloos, J.W. Ilsink en C.W.M. van Ballegooijen