Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1998:BU7511

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
30-10-1998
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
1997-226
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winstbelasting / Artikel 30 / Belastingjaar 1993

De opbrengst van de verkochte goodwill is in jaar van verkoop belast; geen reden voor spreiding over 3 jaar. Ontbreken van mogelijkheid tot achterwaartse verliescompensatie is geen reden voor een spreiding van de opbrengst.

Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat door de verkoop van de goodwill de waarde van de voorraden en de debiteuren beneden de aangegeven bedragen is gedaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 30 oktober 1998, nr. 1997-226

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Sint Maarten,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding

1.1 Aan appellante is een aanslag winstbelasting 1994 opgelegd, gedagtekend 29 april 1997, naar een belastbaar bedrag van Naf. 269.200,=. Appellante heeft tegen de aanslag tijdig een bezwaarschrift ingediend. Bij beschikking van 31 oktober 1997, nr. M.581, heeft de Inspecteur het bezwaarschrift afgewezen.

1.2 Tegen de beschikking van de Inspecteur op het bezwaarschrift heeft appellante beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 11 december 1997, mitsdien tijdig, bij de Raad ingekomen. De Inspecteur heeft vervolgens een vertoogschrift ingediend, waarna de gemachtigde van appellante nog een verweerschrift heeft ingediend.

1.3 De zaak is behandeld op de zitting van de Raad op Sint Maarten van 21 april 1998. Verschenen zijn de gemachtigde van appellante, die gepleit heeft overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota, alsmede de Inspecteur, die zijn standpunt nader mondeling heeft toegelicht.

2. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

2.1 Appellante heeft voor de winstbelasting 1994 aangifte gedaan van een belastbaar bedrag van US$ 17.949.

Op blz. 12 van de bijlage bij de aangifte wordt onder het hoofd: “Incidental profits” als “Sale Business” een opbrengst aangegeven van US$ 66.668.

Op blz. 6 van deze bijlage wordt onder het actief van de balans aan “Accounts Receivable” een bedrag van in totaal US$195.667 vermeld.

Op blz. 7 wordt als “Inventory Merchandise at December 31, 1994, stated at cost price” een bedrag van US$ 237.173 opgenomen.

Op blz. 7 wordt onder het passief opgenomen een bedrag van US$ 133.332. De omschrijving ervan luidt: “prepayments: Sale of business for US$ 200.000,== to be amortized over 3 year: 1994 US$ 66.668”.

2.2 Op blz. 5 van de voormelde bijlage bij de aangifte wordt ter toelichting onder het hoofd ACCOUNTING POLICES het volgende vermeld:

“Accelerated Depreciation and Investment Allowance have been applied where necessary..

As of April 1, 1994 N.V. X has sold the business operation for an amount of US$ 200.000,==; this amount, posted under Incidental Profits, will be amortized over a 3 years period, 1994, 1995 and 1996. As of same date N.V. X furthermore receives Income for Rent of the premises.

An office has been rented by N.V. X to try to sell remaining Stock and to try to collect Accounts Receivable.”

2.3 Naar aanleiding van de aangifte heeft de Inspecteur een onderzoek bij appellante doen instellen over de jaren 1994 en 1995 door een controlerend ambtenaar D. Met betrekking tot de balanspost “Accounts Receivable” per 31 december 1995 heeft de accountant van appellante, D, bij brief van 6 maart 1997 als volgt geïnformeerd:

“Compying with your request regarding the amount of Accountants Receivable of US$ 182.631,= stated in the Financial Report 1995 of N.V. X we herewith inform you as follows:

On page 6 you can see the breakdown of the amount, which is:

1) Accounts Receivable Trade $ 109.509,=

2) Notes Receivable 73.122,=

182.631,=

Re: 1) Accounts Receivable Trade as of Dec. 31, 1995 estimated $ 136.886,=

20% Reserve for Doubtful Accounts posted under general &

Administrative expenses 27.377,=

Amount in Financial Report $ 109.509,=

As mentioned to you, no records are available; it is the intention to write off this full amount.”

Met betrekking tot sub 2), de “Notes Receivable” vermeldt de brief (samengevat):

Leningen 1991 tot en met 1993 $ 35.790,=

1994 (per saldo) 4.000,=

1995 33.332,=

73.122,=

Opgemerkt wordt dan: “The amount concerning the years 1991, 1992 & 1993 are uncollectable and have to be written off; total $ 35.790,=.”

De heer A heeft op 21 maart 1997 aan de Inspecteur gerapporteerd. Het rapport vermeldt onder meer het volgende:

2.1.1. Inventory merchandise

On the financial statements at the end of 1995 there was an inventory merchandise to an amount of $ 68.232. This is an estimated amount based on information from the shareholder.

2.1.2. Accounts receivable

At the end of 1995 the company has accounts receivable to an amount of $ 109.509. The accountant had no specification of this accounts receivable. The amount of $ 109.09 are most accounts receivable from 1994 and earlier. After the hurricane the company lost all their records so the problem is now that they don’t have a specification of this accounts receivable. When they cannot trace the accounts receivable the company is going to write off the most of this account in 1996.”

Voorts adviseert de controlerend ambtenaar het voor de verkoop van de goodwill in 1994 ontvangen bedrag van US$ 200.000 in zijn geheel als opbrengst van het jaar 1994 te beschouwen. Hij stelt daarom voor het belastbaar bedrag voor 1994 vast te stellen op:

Aangegeven bedrag US$ 17.949

Correctie goodwill 133.332

US$ 152.281 x 1.78 = Naf. 269.280

2.5 Bij brief van 18 april 1997 schrijft voormeld accountantskantoor aan de gemachtigde van appellante:

2.1.2. Accounts receivable

I refer to my letter dated March 6, 1997 to D. Nowhere in that letter I mentioned that this amount will be written of in 1996. In connection with the fact that they have not accepted the depreciation of the goodwill to be spread over a period of 3 years, we form out part demand a complete depreciation of the uncollectable amount of the Accounts receivable in 1994, which is US$ 145.299,= as mentioned in my letter of March 6, 1997. These accounts were uncollectable even before the hurricane; with all record gone due to the damages caused by the hurricane there is not even a remote chanche to collect them”.

3. Geschil

In geschil is de vraag of de activa voorraden en debiteuren voor een te hoog bedrag in de jaarstukken van het jaar 1994 zijn vermeld.

4. Standpunten van partijen

4.1 Appellante is van mening, dat eind 1994 op de voorraden een afschrijving moet worden toegepast van US$ 182.632,=, zodat over 1994 een compensabel verlies ontstaat van US$ 217.949 – US$ 250.864 = US$ 32.915. Betoogd wordt dat door de verkoop van het bedrijf zonder activa en passiva, m.a.w. van de goodwill, de activa en in het bijzonder de voorraden en de debiteuren afzonderlijk te gelde moeten worden gemaakt. De bedrijfswaarde van die activa is daardoor aanzienlijk gedaald. Het is volgens appellante in strijd met goed koopmansgebruik om enerzijds de gerealiseerde goodwill volledig in het jaar van ontvangst te belasten en anderzijds geen rekening te houden met het effect dat de verkoop van de goodwill op de overige activa heeft. Bovendien zou uit de toelichting op de jaarcijfers 1995 en uit het controlerapport blijken, dat alle debiteurenbescheiden in 1995 door de orkaan “Luis” verloren zijn gegaan alsmede een gedeelte van de voorraden. Door het ontbreken in de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 van achterwaartse verliescompensatie is een correctie van de winst 1994 niet mogelijk.

4.2 Volgens de Inspecteur moet de verkochte goodwill worden belast in het jaar van realisatie en kan de opbrengst niet worden gespreid over drie jaren. Bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan van de jaarstukken en van de eigen aangifte van appellante. Het is de Inspecteur niet duidelijk waarom achteraf gesteld zou kunnen worden dat de aangegeven waarde van de voorraden en debiteuren tot de door de gemachtigde van appellante genoemde bedragen te hoog zou zijn. Naar de mening van de Inspecteur wordt dit op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

5. Overwegingen omtrent het geschil

5.1 De Inspecteur heeft terecht de opbrengst van de verkochte goodwill in 1994 belast, aangezien die goodwill in dat jaar voor het gehele bedrag van US$ 200.000 werd gerealiseerd. Dat wellicht door de orkaan “Luis” in 1995 verliezen zijn geleden die bij gebreke van de mogelijkheid tot achterwaartse verliescompensatie niet met winsten van 1994 kunnen worden gecompenseerd, kan geen reden zijn voor een dergelijke spreiding van de opbrengst.

5.2 Dat door de verkoop van de goodwill de waarde van de voorraden en de debiteuren beneden de door appellante zelf aangegeven bedragen is gedaald, is de door appellante niet aannemelijk gemaakt. De door de gemachtigde overgelegde brieven van de accountant van appellante d.d. 6 maart en 18 april 1997 zijn geenszins overtuigend. Het standpunt van de accountant, dat de debiteuren tot een bedrag van US$ 145.299 (= US$ 109.509 + US$35.790, zie zijn brief van 6 maart 1997) reeds voor de orkaan Luis in 1995 oninbaar waren (zie zijn brief van 18 april 1997), wordt niet nader toegelicht. Als toelichting kan bezwaarlijk dienen het verband dat de accountant in de brief legt tussen de lagere waardering en het feit, dat de Inspecteur niet heeft geaccepteerd dat de gerealiseerde goodwill in drie jaarlijkse termijnen als winst wordt genoten.

5.3 De Raad neemt nog in aanmerking, dat blijkens het controlerapport de debiteuren eind 1995 nog op US$ 182.632 werden gewaardeerd. Dat het door de orkaan verloren gaan van bescheiden voor de incassering van dit bedrag grote moeilijkheden zal opleveren, waardoor een belangrijk percentage (naast de reeds toegepaste afschrijving van 20%) oninbaar zal blijken, acht de Raad niet onaannemelijk, maar een dergelijke afschrijving kan niet ten laste van het resultaat over het jaar 1994 kunnen worden gebracht. Uit de brief van 6 maart 1997 van de accountant van appellante kan worden afgeleid dat de extra afschrijving op de debiteuren in 1995 dan wel in 1996 zal plaatsvinden, maar in ieder geval niet in 1994.

6. Beslissing

De Raad verklaart het beroep van appellante ongegrond.

mrs. A.W.M. Bijloos, voorzitter J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink, leden