Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1998:BU5770

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
16-11-1998
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
1997/184
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winstbelasting / artt. 22, 24, 28 en 30 LWB 1940 / Belastingjaar 1987

De verminderingsbeschikking van de Inspecteur is gedagtekend 31 oktober 1996. Ingevolge het bepaalde in art. 30 LWB had het bezwaarschrift tegen die beschikking uiterlijk op dinsdag 31 december 1996 ter inspectie moeten zijn ingekomen. Het bezwaarschrift is daar echter pas op 13 februari 1997 en dus te laat ingekomen. Nu de verminderingsbeschikking geen enkele rechtsmiddelverwijzing bevat, brengt een adequate rechtsbescherming mee de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Derhalve moet een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven.

Een redelijke uitleg van de bepalingen van art. 28 LWB in hun onderling verband had meegebracht, dat in de definitieve aanslag, zoals die na de beschikking van de Raad zou zijn berekend, een bedrag aan rente van Naf. 8.229,= zou moeten zijn begrepen. Daaraan zou niet hebben afgedaan het feit, dat het door de Raad vastgestelde belastbare bedrag van Naf. 239.000,= minder dan 25% hoger is dan het aangegeven bedrag van Naf. 237.500,=. Het derde lid van art. 28 gaat ervan uit, dat door het ontbreken van een voorlopige aangifte en een daarop gebaseerde voorlopige aanslag, de overheid over de periode tussen het moment waarop de voorlopige aangifte had moeten zijn gedaan en het moment waarop de definitieve aangifte is gedaan, renteverlies lijdt over het gehele bedrag van de overeenkomstig de aangifte vastgestelde voorlopige aanslag. Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest, dat deze rente weer zou vervallen als de definitieve aanslag minder dan 25% hoger is dan de voorlopige aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 16 november 1998, nr. 1997/184

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Sint Maarten,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

Procesverloop

1.1. Voor het procesverloop tot en met de beschikking van de Raad van 22 augustus 1996, nr. 1995/61 verwijst de Raad naar die beschikking. De Raad verminderde daarbij de aan appellante opgelegde definitieve aanslag winstbelasting 1987 tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van Naf. 239.900,=.

1.2. Vervolgens heeft de Inspecteur bij beschikking van 31 oktober 1996, nr. M500, de aanslag verminderd tot een bedrag van Naf. 100.600,=

1.3. Bij brief van 6 februari 1997, ter Inspectie ingekomen op 13 februari 1997, heeft de gemachtigde van appellante tegen de berekening van de Inspecteur bezwaar gemaakt. Na enige verdere correspondentie tussen partijen heeft de Inspecteur bij brief van 22 augustus 1997 de gemachtigde medegedeeld dat hij niet aan diens bezwaren tegemoet zou komen.

1.4. Tegen deze mededeling van de Inspecteur heeft de gemachtigde van appellante een beroepschrift ingediend, bij de Raad ingekomen op 29 september 1997. Nadat de Inspecteur een vertoogschrift had ingediend, heeft de gemachtigde van appellant nog een verweerschrift ingediend.

1.5. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op Sint Maarten op 21 april 1998. Verschenen zijn de gemachtigde van appellante alsmede de Inspecteur. De gemachtigde heeft gepleit overeenkomstig een overgelegde pleitnota. De Inspecteur heeft zijn standpunt nader mondeling toegelicht.

1.6. Op verzoek van de Raad heeft de Inspecteur op 23 april 1998 aan de Raad nog een overzicht doen toekomen van de aan appellante met betrekking tot het jaar 1997 opgelegde voorlopige en definitieve aanslagen en de wijze waarop deze zijn berekend. De gemachtigde van appellante heeft op 2 mei 1998 verklaard met de cijfers (niet met de inhoudelijke berekening) akkoord te gaan.

2. Feiten

2.1. Voor wat betreft de feiten verwijst de Raad in de eerste plaats naar de eerdervermelde beschikking van 22 augustus 1996, nr. 1995/61.

2.2. Appellante had ingevolge artikel 22 van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (hierna: LWB) aangifte moeten doen uiterlijk op 29 juni 1988. Appellante was daarna in verzuim en zij heeft ook geen voorlopige aangifte op de voet van art. 24 LWB gedaan. Haar (definitieve) aangifte deed zij op 1 maart 1990. De Inspecteur legde een voorlopige aanslag op, berekend naar het aangegeven belastbare bedrag van Naf. 237.500,= zonder daarbij op de voet van art. 28 LWB rente te berekenen.

2.3. Naar aanleiding van een ingesteld boekenonderzoek legde de Inspecteur een nadere voorlopige aanslag op, berekend naar een belastbaar bedrag van Naf. 382.300,= en vervolgens een definitieve aanslag, berekend naar een belastbaar bedrag van Naf. 425.000,=. In deze aanslagen was een bedrag van rente begrepen, overeenkomstig art. 28, tweede lid, LWB berekend over een periode van 21 maanden (juni 1988 tot en met februari 1990) à ½ % per maand.

2.4. Het onder 1.6 bedoelde overzicht van de Inspecteur luidt als volgt (de eerder opgelegde aanslag is telkens verrekend met de daarop volgende aanslag).

Soort aanslag belastb. Bedrag belasting rente opcenten totaal

Voorl. aanslag 237.500 78.375 ------ 11.756 90.131

Nadere v.a. 382.300 126.159 13.246 20.910 160.315

Defin. aanslag 425.500 140.415 14.707 23.268 178.390

Na beschik. Raad 239.900 79.167 8.312 13.121 100.600

3. Geschil

Partijen verschillen van mening over de vraag of het beroepschrift ontvankelijk is en over de vraag of de Inspecteur terecht rente heeft berekend.

4. Standpunten van partijen

4.1. De Inspecteur acht het beroep niet ontvankelijk, omdat naar zijn mening de Raad bij beschikking van 22 augustus 1996, nr. 1995/61, het geschil tussen partijen definitief heeft beslist.

Naar de mening van de Inspecteur is de door hem berekende rente in overeenstemming met artikel 28, derde lid, juncto het tweede lid, LWB.

4.2. Appellante stelt, dat de renteberekening geen onderdeel vormde van de oorspronkelijke rechtsstrijd en pas na de uitvoering van de beschikking van de Raad is opgekomen. Er wordt dus niet tweemaal over dezelfde zaak geprocedeerd, zodat het beroep ontvankelijk is.

Volgens appellante zijn het tweede en derde lid van art. 28 LWB niet van toepassing, aangezien naar de bedoeling van de wetgever slechts rente verschuldigd is als er een aanzienlijk verschil is (meer dan 25%) tussen de voorlopige en de definitieve aanslag. In het onderhavige geval was een belastbaar bedrag aangegeven van Naf. 237.500,= dat vervolgens door de Raad is vastgesteld op Naf. 239.900,= dus een verschil van minder dan 25%.

5. Overwegingen met betrekking tot het geschil.

5.1. De ontvankelijkheid

5.1.1. Na de beschikking van de Raad van 22 augustus 1996, nr. 1995/61, diende de Inspecteur de aanslag te verminderen met inachtneming van de beslissing van de Raad. Over de inhoud van een dergelijke verminderingsbeschikking kan tussen partijen een geschil ontstaan; te dezen is dat het geval. De vraag rijst dan hoe en door wie dat geschil moet worden beslecht. Nu het daarbij gaat om de toepassing van een regel van belastingrecht – in casu het bepaalde in art. 28 LWB – ligt het in de rede de belastingrechter - de Raad us – bevoegd te achten. Een hanteerbare en doelmatige rechtspleging brengt dan mee in procesrechtelijk opzicht zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels voor bezwaar en beroep, in dit geval dus bij de regelng van Hoofdstuk IV LWB.

5.1.2. De verminderingsbeschikking van de Inspecteur is gedagtekend 31 oktober 1996. Ingevolge het bepaalde in art. 30 LWB had het bezwaarschrift tegen die beschikking uiterlijk op dinsdag 31 december 1996 ter inspectie moeten zijn ingekomen. Het bezwaarschrift is daar echter pas op 13 februari 1997 en dus te laat ingekomen. Nu de verminderingsbeschikking geen enkele rechtsmiddelverwijzing bevat, brengt een adequate rechtsbescherming mee de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Derhalve moet een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven.

5.1.3. Bij brief van 22 augustus 1997 heeft de Inspecteur op het bezwaarschrift beschikt. Tegen die beschikking is appellante op 29 september 1997, dus tijdig, in beroep gekomen bij de Raad. Het tussen partijen gerezen geschil over de renteberekening kan dus inhoudelijk worden berecht.

5.2. De renteberekening

5.2.1. Aangezien appellante verzuimd had een voorlopige aangifte in te dienen als bedoeld in art. 24 LWB, had de Inspecteur bij de eerste – overeenkomstig de gedane (definitieve) aangifte opgelegde – voorlopige aanslag een rente kunnen berekenen van 21 x ½% van Naf. 78.375,- = Naf. 8.229,-, nu arrt. 28, derde lid, LWB daartoe de mogelijkheid bood.

5.2.2. Dit bedrag van Naf. 8.229,= had niet bij de nadere voorlopige aanslag kunnen worden verhoogd, aangezien die aanslag niet is opgelegd “overeenkomstig de aangifte”, zoals in het derde lid van art. 28 wordt geëist. Het bedrag kon ook niet bij de definitieve aanslag worden verhoogd, aangezien het vierde lid van art. 28 slechts van toepassing is indien een – overeenkomstig de aangifte opgelegde – voorlopige aanslag (als bedoeld in het derde lid) achterwege is gebleven. Het bedrag had ook niet na de beschikking van de Raad op de voet van het zesde lid van art. 28 kunnen worden herrekend, aangezien dat zesde lid blijkens zijn bewoordingen slechts van toepassing is bij vermindering door de Raad van ambtshalve opgelegde aanslagen als bedoeld in het vijfde lid.

5.2.3. Een redelijke uitleg van de bepalingen van art. 28 LWB in hun onderling verband had meegebracht, dat in de definitieve aanslag, zoals die na de beschikking van de Raad zou zijn berekend, een bedrag aan rente van Naf. 8.229,= zou moeten zijn begrepen. Daaraan zou niet hebben afgedaan het feit, dat het door de Raad vastgestelde belastbare bedrag van Naf. 239.000,= minder dan 25% hoger is dan het aangegeven bedrag van Naf. 237.500,=. Het derde lid van art. 28 gaat ervan uit, dat door het ontbreken van een voorlopige aangifte en een daarop gebaseerde voorlopige aanslag, de overheid over de periode tussen het moment waarop de voorlopige aangifte had moeten zijn gedaan en het moment waarop de definitieve aangifte is gedaan, renteverlies lijdt over het gehele bedrag van de overeenkomstig de aangifte vastgestelde voorlopige aanslag. Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest, dat deze rente weer zou vervallen als de definitieve aanslag minder dan 25% hoger is dan de voorlopige aanslag. Anders gezegd: de verwijzing in het derde lid naar het tweede lid heeft uitsluitend betrekking op de in het tweede lid voorkomende berekening van de rente en niet op de voorwaarde die in de aanhef van het tweede lid voor de daar bedoelde situatie – die een andere is dan die van het derde lid – voor de verschuldigdheid van de rente is gesteld.

5.2.4. Nu de Inspecteur evenwel heeft verzuimd om in de eerste, overeenkomstig de aangifte opgelegde, voorlopige aanslag rente te berekenen, kan hij dat verzuim niet meer herstellen bij een nadere voorlopige aanslag, bij de definitieve aanslag, dan wel bij de op basis van de beschikking van de Raad nader vastgestelde definitieve aanslag. De redenen waarom dit niet kan, zijn dezelfde als vermeld in overweging 5.2.2.

5.2.5. Het gelijk is derhalve aan de zijde van appellante, wat er zij van de door de gemachtigde daartoe aangevoerde gronden. De aanslag dient dus overeenkomstig diens berekening te worden verminderd tot een bedrag aan belasting van Naf. 79.167,= vermeerderd met 15% opcenten of Naf. 11.875,=, in totaal Naf. 91.042,=.

6. Beslissing

De Raad vernietigt de verminderingsbeschikking van de Inspecteur en vermindert de aanslag tot een bedrag van Naf. 91.042,=, onder verrekening van de eerder geheven bedragen.

Aldus vastgesteld in raadkamer op 16 november 1998, door mrs. A.W.M. Bijloos, voorzitter, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris, mevr. A. van Eer.