Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1998:BU5569

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
30-10-1998
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
1996/116
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Belastingjaar 1992

Personeelskosten vallen niet onder het begrip investeren.

Het standpunt van de Inspecteur, dat de 35% regeling niet van toepassing is, omdat zij door de Raad onverbindend is verklaard, is onjuist. Werknemers kunnen onder die regeling vallen op grond van het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 30 oktober 1998, nr. 1996/116

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding:

1.1 Aan appellante is een aanslag inkomstenbelasting 1992 opgelegd, gedagtekend 19 oktober 1995. Het daartegen ingediende bezwaarschrift vanappellante is bij de Inspectie ingekomen op 4 december 1995, mitsdien tijdig. Het afschrift van de beschikking van de Inspecteur op het bezwaarschrift is gedagtekend 29 augustus 1996.

1.2 Tegen de voormelde beschikking van de Inspecteur heeft appellante beroep bij de Raad ingesteld bij beroepschrift ingekomen op 24 juli 1996, mitsdien tijdig. Op 8 oktober 1997 is een nadere motivering van het beroepschrift bij de Raad ingekomen. De Inspecteur heeft vervolgens een vertoogschrift ingediend, ingekomen op 13 maart 1998, waarna de gemachtigde van appellante nog een verweerschrift heeft ingediend, ingekomen op 15 april 1998.

1.3 De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 24 april 1998, waar zijn verschenen de gemachtigde van appellante alsmede de Inspecteur. Beide partijen hebben gepleit overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota.

2. Vaststaande feiten:

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

2.1 Het belastbare inkomen en het bedrag van de te verrekenen loonbelasting zijn in de aanslag inkomstenbelasting 1992 vastgesteld conform de door appellante ingediende aangifte.

2.2 Bij bezwaarschrift heeft appellante alsnog toepassing verzocht van de zogenaamde 35%-regeling als is bedoeld in de Ministerile regeling van 25 mei 1993, AB 1993, no. 25 (hierna: de Ministeriële regeling). De inhoud van deze regeling is weergegeven in de beschikking van de Raad van 2 maart 1998, nr. 1997/65, door de Inspecteur als bijlage bij zijn vertoogschrift overgelegd.

2.3 Appellante heeft de Noord-Amerikaanse nationaliteit. Zij verblijft sinds 25 juni 1990 tijdelijk op Aruba en was het gehele jaar 1992 in loondienst bij P N.V.

2.4 De bouw van het P-onroerend goed is begonnen in 1988. Tot en met het boekjaar 1996, dus gedurende een periode van 9 jaren, is door P N.V. een bedrag van rond US$ a of rond Aƒ b geïnvesteerd. Daarnaast heeft P N.V. vanaf de startdatum tot en met het boekjaar 1997 een bedrag van rond US$ c of rond Aƒ d aan personeelskosten betaald.

3. Geschil:

In geschil is de vraag of appellante aanspraak kan maken op de 35%-regeling als bedoeld in de Ministeriële regeling.

4. Standpunt van de Inspecteur:

4.1 De Inspecteur stelt in de eerste plaats, dat de Ministerile regeling niet kan worden toegepast, aangezien deze door de Raad bij de beschikkingen van 2 maart 1998, nrs. 63, 64 en 65 onverbindend is verklaard.

4.2 De Inspecteur is voorts van mening, dat ook al zou de Ministeriële regeling niet onverbindend zijn verklaard, deze geen toepassing had kunnen vinden, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat P N.V. binnen een periode van drie jaar een bedrag van Aƒ 150.000.000 heeft geïnvesteerd. Volgens de Inspecteur valt het betalen van personeelskosten niet onder het begrip investeren.

4.3 De Inspecteur meent, dat geen beroep kan worden gedaan op het gelijkheidsbeginsel, omdat de Ministeriële regeling berust op interpretatief beleid.

Indien daarin al sprake is van een begunstigend beleid, berust dit op een onjuiste opvatting omtrent de wetstoepassing en niet op een bewuste begunstiging.

5. Standpunt van appellante:

5.1 Volgens appellante heeft de Hoge Raad slechts in gevallen van interpretatief beleid aan de toepassing van het gelijkheidsbeginsel nadere beperkingen gesteld, t.w. dat het een zeer beperkte groep van belastingplichtigen betreft en dat aannemelijk is, dat dit beleid zonder de onjuiste rechtsopvatting achterwege zou zijn gebleven. Appellante is van mening dat de Ministeriële regeling geen interpretatief beleid bevat, maar een bewust goedkeurend/begunstigend beleid en dat zij derhalve aanspraak kan maken op toepassing van de Ministeriële regeling ingevolge het gelijkheidsbeginsel.

5.2 Appellante leidt uit de zinsnede "dan wel zullen investeren" van art. 1 van de Ministeriële regeling af, dat de investeringen niet binnen de termijn van drie jaren moeten plaatsvinden, maar dat binnen drie jaar na de aanvang van de onderneming duidelijk moet zijn, dat de onderneming aan het investeringsvereiste zal voldoen. Gelet voorts op de strekking van de regeling, t.w. het investeren van gelden die een duurzame bijdrage aan de Arubaanse economie leveren, dient onder het begrip "investering" in de Ministeriële regeling ook de investering in personeelskosten te worden begrepen. De investeringen van 1988 tot en met 1997 overschrijden in dat geval ruimschoots de vereiste Aƒ 150.000.000.

6. Overwegingen omtrent het geschil:

6.1 Het standpunt van de Inspecteur, dat de Ministeriële regeling reeds niet van toepassing is, omdat zij door de Raad onverbindend is verklaard, is onjuist.

Zoals blijkt uit de beschikking van de Raad van 2 maart 1998, nr. 1997/65, kunnen werknemers die onder die regeling vallen tot en met het belastingjaar 1998 op toepassing van die regeling aanspraak maken op grond van het vertrouwensbeginsel.

6.2 De vraag of de Ministeriële regeling een interpretatief dan wel een goedkeurend/begunstigend karakter heeft, is niet relevant. De regeling betreft de uitvoering van artikel 58, eerste lid, onderdeel a, Landsverordening inkomstenbelasting en is als zodanig zelf een wettelijke regeling. Waar het om gaat is, of het aannemelijk is, dat de Inspecteur aan die regeling geen uitvoering had gegeven als hij van de onverbindendheid op de hoogte was geweest. Uit de eerdervermelde beschikking van de Raad van 2 maart 1998 blijkt impliciet, dat de Raad die vraag bevestigend beantwoordt, aangezien de Raad daarin aanneemt, dat de Inspecteur pas een bewust begunstigend beleid voert als hij de regeling voor het belastingjaar 1999 gaat toepassen. Hieruit volgt, dat de Ministeriële regeling niet reeds - overeenkomstig overweging 5.8 van meergenoemde beschikking van 2 maart 1998 - op grond van het gelijkheidsbeginsel op appellante van toepassing is, daargelaten of P N.V. al dan niet aan de voorwaarden van de regeling voldoet.

6.3 De zinsnede in artikel 1 van de Ministeriële regeling "binnen een periode van drie jaar voor tenminste Aƒ 150.000.000 hebben geïnvesteerd of zullen investeren" betekent naar het oordeel van de Raad, dat binnen een periode van drie jaren het bedrag van Aƒ 150.000.000 moet zijn geïnvesteerd. Het "zullen investeren" betekent in dit verband, dat bijv. in het eerste jaar van die periode reeds de 35%-regeling kan worden toegepast indien aannemelijk is, dat de investering in dat jaar tezamen met de investeringen in de daarop volgende twee jaren tenminste Aƒ 150.000.000 zullen belopen.

6.4 De Raad is met de Inspecteur van oordeel, dat onder het begrip "investeren" in artikel 1 van de Ministeriële regeling het betalen van personeelskosten niet kan worden begrepen.

6.5 Aangezien P N.V. derhalve niet aan de in artikel 1 van de Ministeriële regeling gestelde vereisten voldoet en appellante voorts geen aanspraak kan maken op toepassing van de 35%-regeling op grond van het gelijkheidsbeginsel, heeft de Inspecteur terecht die toepassing geweigerd en is het beroep van appellante ongegrond.

7. Beslissing:

De Raad verklaart het beroep van appellante ongegrond.

mrs. A.W.M. Bijloos, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink