Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1998:BU5554

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
16-11-1998
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
1996-055
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / artt. 3 lid 1 jo art. 9 lid 1 jo art. 16B lid 2 LIB / Belastingjaar 1989

Niet in geld voldane persoonlijke verplichtingen dienen naar de waarde in het economische verkeer (of geldswaarde) te worden gewaardeerd. Bij rentedragend geworden rente dient dan de kans te worden geschat in hoeverre de tot hoofdsom geworden bijgeschreven rente zal worden afgelost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 16 november 1998, nr. 1996-055

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding

1.1. Aan appellante is, met dagtekening 19 augustus 1992, door de Inspecteur der Belastingen op Aruba (hierna: de Inspecteur) ambtshalve voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van Afl. 175.000,--.

1.2. Tegen deze aanslag heeft appellant bij bezwaarschrift van 18 juni 1993, ingekomen ter inspectie op 21 juni 1993, bezwaar gemaakt. Als bijlage werd meegezonden een ingevuld aangiftebiljet, vermeldend een negatief belastbaar inkomen van Afl. 181.471,--. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 29 februari 1996 appellant wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk in zijn bezwaar verklaard.

1.3. Appellant heeft daartegen, met een op 19 april 1996 bij de Raad ingekomen beroepschrift, dus tijdig, beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Hierop is door appellant gereageerd met een verweerschrift.

1.4. De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad op Aruba op 24 april 1998. Daar zijn verschenen de gemachtigde van appellant alsmede, namens de Inspecteur, mr. S. Beiden hebben een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd. De inhoud van die pleitnotities geldt als hier opgenomen.

2. Ontvankelijkheid bezwaarschrift

2.1. Het aanslagbiljet is verstuurd naar X, terwijl appellant al geruime tijd woonachtig is op het adres Y. De aanslag is dus niet op de juiste wijze aan appellant bekend gemaakt. Dat betekent dat de bezwaartermijn niet op de dag na 19 augustus 1992, maar op een latere datum is aangevangen.

2.2. Appellant stelt dat hij pas op 6 mei 1993 door de Ontvanger, die wel over het juiste adres beschikte, op de hoogte is gebracht van het bestaan van de aanslag. Die stelling is door de Inspecteur onvoldoende weersproken. De Raad moet dus uitgaan van de juistheid ervan.

2.3. Mitsdien is de bezwaartermijn op de dag na 6 mei 1993 aangevangen en is het bezwaarschrift tijdig, want binnen twee maanden nadien, bij de Inspecteur ingediend. Appellant is dus ten onrechte in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

3. Vaststaande feiten

3.1. Appellant is, in ieder geval vanaf 1982, erfpachter van een perceel grond aan Z. Op die grond heeft hij na 1982 een woon/winkelpand doen bouwen, dat hij vanaf 1989 verhuurt. In dat jaar bedroeg de huuropbrengst Afl. 37.250,--. Thans bedraagt de huuropbrengst Afl. 720.000,-- per jaar, terwijl de waarde voor de grondbelasting op Afl. 7.659.000,-- wordt geschat.

3.2. Op 20 februari 1989 sloot appellant – kennelijk mede ter vervanging van in 1988 op persoonlijke borgtocht aangegane leningen – ter financiering van het woon/winkelpand onder hypothecair verband een lening bij de Aruba Bank ter grootte van Afl. 650.000,-- tegen een rente van 13 percent per jaar “on net outstanding balances”. De in 1989 verschuldigde rente ad Afl. 87.690,-- werd schuldig gebleven en rentedragend bij de hoofdsom gevoegd.

3.3. In 1989 genoot appellant een beloning als commissaris van N.V. B van Afl. 84.321,--.

3.4. In zijn vertoogschrift berekende de Inspecteur het belastbaar inkomen aldus:

Aangifte (bij bezwaar) Afl. 181.470,--;

Correctie interest Afl. 221.870,--;

Correctie commissarisbeloning Afl. 84.321,--;

Correctie huur Afl. 37.250,--;

Belastbaar inkomen Afl. 161.971,--

4. Omschrijvingen van het geschil en standpunten van partijen

4.1. Het geschil betreft de rentecorrectie ad Afl. 221.870,--.

4.2. Appellant stelt dat hij in 1982 met Trust C (hierna: C) en in 1988 en 1989 met D een leningsovereenkomst is aangegaan. Volgens appellant is in 1982 van C US$ 175.000,-- (vermeerderd met bankcharges ad US$ 5.700,--) geleend en in 1988 en 1989 van D Nfl. 243.755,--, resp. Nfl. 493.813,--. In 1982 is de verstrekte lening gebruikt om een prefab gebouw aan te kopen. Dat gebouw is na betaling afgeleverd, waarna het tot 1988 heeft geduurd voordat kon worden overgegaan tot het opzetten ervan. Daarvoor diende de lening van Bank E alsmede de lening van D. Bank E had bedongen dat zij op het pand een recht van eerste hypotheek zou verkrijgen en ook dat de huurpenningen zouden worden gestort op een bij de Bank aan te houden rekening opdat rente en aflossing met die huurpenningen verrekend zouden worden. Appellant voert zijn slechte financiële situatie aan als reden voor het feit dat (aanvankelijk) de rente op de leningen steeds rentedragend is bijgeschreven bij de hoofdsom en geen aflossing heeft plaatsgevonden. In 1989 ging het volgens appellant om Afl. 87.109,-- aan rente voor C en om Afl. 47.070,-- aan rente voor D. De leningen van D en C zijn per 1 januari 1993 overgedragen aan C, een op Bonaire gevestigde offshore financieringsmaatschappij, waarvan de vader van appellant de meerderheid van de aandelen bezat. Volgens appellant is hij in 1993 overgegaan tot aflossing van de leningen en de bijgeschreven rente.

4.3. De inspecteur erkent het bestaan van de lening van Bank E, maar betwist het bestaan van de andere leningen en dus ook appellants renteverplichtingen jegens C en D. Voorts betoogt de inspecteur dat appellant niet in staat was en is aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen, zodat de bijgeschreven rente niet aftrekbaar is. Daarbij beroept de inspecteur zich op het arrest HR 7 juli 1993, BNB 1993/234.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De Raad is van oordeel dat appellant met de in het geding gebrachte producties het bestaan van de leningen van C en D genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt.

5.2. HR 7 juli 1993, BNB 1993/234 overwoog:

3.3. Het hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in 1987 niet in staat was het in geschil zijnde bedrag (….) te voldoen (…..) en, beoordeeld naar de toestand in dat jaar, redelijkerwijs daartoe in latere jaren evenmin in staat moest worden geacht (…..) Aan dit oordeel heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat de door belanghebbende over zijn schulden berekende rente niet als persoonlijke verplichting in aanmerking kan worden genomen.

3.4. Deze gevolgtrekking is juist, ook voor zover die rente bij de hoofdsom is gevoegd en rentedragend is geworden. De onderwerpelijke persoonlijke verplichtingen zijn voor zover zij (…..) rentedragend zijn geworden, niet voldaan in geld, maar bij de hoofdsommen gevoegd. Zoals niet in geld genoten inkomsten in aanmerking moeten worden genomen naar de waarde in het economisch verkeer dienen ook niet in geld voldane persoonlijke verplichtingen naar die maatstaf te worden gewaardeerd. Bij rentedragend geworden rente dient dan de kans te worden geschat in hoeverre de tot hoofdsom geworden bijgeschreven rente zal worden afgelost. Indien zodanige aflossing in het geheel niet aannemelijk is kan van enige aftrek geen sprake zijn.”

5.4. Gelet op het bepaalde in art.3, eerste lid, in verbinding met art. 9, eerste lid en met art. 16B, tweede lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 is de in BNB 1993/234 neergelegde rechtsregel op Aruba onverkort van toepassing, met dien verstande dat voor “waarde in het economisch verkeer” moet worden gelezen “geldswaarde”, maar materieel heeft dat verschil in terminologie te dezen geen betekenis.

5.5. Mitsdien moet – naar de toestand ultimo 1989 – de kans worden geschat in hoeverre de tot hoofdsommen geworden bijgeschreven rentebedragen op de lening van C, de twee leningen van D en de lening van Bank E zullen worden afgelost.

5.6. Anders dan tot 1988 het geval was, waren de vooruitzichten ultimo 1989 gunstig. Het woon/winkelpand was afgebouwd en de eerste huurpenningen waren binnengekomen. Mede gelet op de overige onder 3.1. hiervoor vastgestelde feiten is de Raad dan ook van oordeel dat er onvoldoende grond bestaat de kans dat de bijgeschreven rente niet zou worden afgelost op minder dan 100 percent te schatten, zodat er geen reden is de bijgeschreven rentebedragen op een lager bedrag dan nominaal te waarderen.

5.7. Mitsdien is het gelijk aan de zijde van appellant en moet het belastbare inkomen worden vastgesteld op Afl. 161.971,-- minus Afl. 221.870,-- is Afl. 59.8999,--. Dat betekent dat de aanslag moet worden vernietigd.

6. Beslissing

De Raad vernietigt de uitspraak waarvan beroep, alsmede de aanslag.

mrs. A.W.M. Bijloos, voorzitter, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink