Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1998:BU5528

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
16-11-1998
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
1996-022
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Belastingjaar 1990

Niet in geschil is dat de boekhouding ondeugdelijk is. Gelet op feiten kan de inspecteur zich standpunt stellen dat tenminste NAƒ x op een bankrekening heeft gestaan en dat hierop, uitgaande van een vergoede rente van 5 percent, NAƒ y aan rente is ontvangen. Brutowinstpercentage was laag in vergelijking met dat bij enige andere soortgelijke zaken. Theoretische omzetberekening uitgaande van een brutowinstpercentage dat op de meeste produkten zit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 16 november 1998, nr. 1996-022

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Curaçao,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding:

1.1 Aan appellant is met dagtekening 28 december 1995 over het jaar 1990 een navorderingsaanslag opgelegd naar een zuiver inkomen van ƒ a. Tegendie navorderingsaanslag heeft appellant beroep ingesteld bij een geschrift, ingekomen bij de Raad op 5 februari 1996.

1.2 Bij ambtshalve gegeven beschikking van 26 juli 1996 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag verminderd tot een naar een zuiver inkomen van ••ƒ b.

1.3 De Inspecteur heeft op 23 oktober 1997 een vertoogschrift ingediend, strekkende tot verdere vermindering van de navorderingsaanslag tot een naar een zuiver inkomen van NAƒ c.

1.4 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de Raad van 22 april 1998. Verschenen zijn appellant en de Inspecteur.

2. Vaststaande feiten:

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat voor de Raad het volgende vast.

2.1 Appellant (...) dreef in 1990 een eenmanszaak. Omdat appellant in gebreke was gebleven met het indienen van de aangifte inkomstenbelasting 1990, is hij over dat jaar op 6 maart 1992 ambtshalve aangeslagen naar een zuiver inkomen van NAƒ d. Op 15 september 1994 heeft hij, door middel van indiening van het aangiftebiljet 1990, bezwaar gemaakt tegen de amtshalve aanslag en verzocht die aanslag te verminderen tot een naar een zuiver inkomen van NAƒ e. De Inspecteur heeft (nog) geen uitspraak gedaan op dit bezwaar.

2.2 Op verzoek van de Inspecteur heeft het Belasting Accountantsbureau (hierna: BAB) een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting 1989 tot en met 1993 van appellant. Het desbetreffende rapport, dat als bijlage 3 aan het vertoogschrift is gehecht, is gedateerd 27 februari 1996.

2.3 Bij brief van 4 april 1996 hebben de controlerende ambtenaren appellant een overzicht doen toekomen van de correcties, die zij naar aanleiding van het bij hem ingestelde boekenonderzoek aan de Inspecteur hebben voorgesteld. Zij hebben voorgesteld het over 1990 aangegeven belastbaar inkomen van NAƒ e te verhogen met NAƒ f (ontvangen rente), NAƒ g (vervroegde afschrijving), NAƒ h (omzetcorrecties), NAƒ i (privé-gebruik auto) en NAƒ j (privé-gebruik goederen) tot een belastbaar inkomen van NAƒ b. De correcties zijn gespecificeerd in de bijlagen bij de brief, die zijn overgenomen uit het rapport van het BAB.

3. Omschrijving geschil en standpunten van partijen:

3.1 Het geschil beperkt zich thans nog tot de vraag of de bijtelling van een bedrag aan ontvangen rente op een buitenlandse bankrekening en de toegepaste omzetcorrectie juist zijn.

3.2 Ter ondersteuning van zijn beroep heeft appellant het volgende aangevoerd.

3.2.1 De bewijslast met betrekking tot de buitenlandse bankrekening rust op de Inspecteur. De veronderstelling van het BAB dat hij een buitenlandse bankrekening hield, is onjuist, omdat die is ingegeven door de verklaring van zijn echtgenote, van wie hij reeds enige jaren duurzaam gescheiden leeft. De desbetreffende betaling betreft geen privéstorting maar commissie op een buitenlandse lening, zoals ook blijkt uit een verklaring van de A-Bank, die bij het aanvullend beroepschrift is overgelegd.

3.2.2 De omzetcorrecties zijn niet vastgesteld binnen de grenzen der redelijkheid, die de Inspecteur ook bij verwerping van de boekhouding in acht dient te nemen. Het BAB stelt het brutowinstpercentage op gemiddeld 15, doch geeft niet aan op welke pakketsamenstelling dit gemiddelde is gestoeld. Het is ongerijmd om de brutowinstpercentages te vergelijken met die van branchegenoten, omdat hij tot zijn eigen schade genoegen nam met zeer lage marges om in relatief korte tijd een groot marktaandeel te veroveren.

3.3 De Inspecteur heeft daartegenover het volgende gesteld.

3.3.1 Uit het onderzoek en bewijsstukken is gebleken dat appellant over een bankrekening in P (heeft) beschikt. In 1993 heeft hij een lening ad US$ k afgesloten bij A-Bank. Als dekking voor deze lening heeft een bankrekening van appellant gediend. In 1990 heeft op de rekening tenminste NAƒ m gestaan als borg voor de afgesloten lening. Uitgaande van een vergoede rente van 5 percent, heeft appellant NAƒ f aan rente ontvangen.

3.3.2 Het door de controlerende ambtenaren gehanteerde brutowinstpercentage van 15% ligt minstens 5% lager dan dat bij soortgelijke bedrijven. Met de lage verkoopprijzen van appellant is derhalve al rekening gehouden.

4. Overwegingen omtrent het geschil:

4.1 De Raad stelt voorop dat tussen partijen - terecht - niet in geschil is dat de boekhouding van appellant op grond van de daarin door het BAB geconstateerde gebreken ondeugdelijk is.

4.2 Met betrekking tot de bijtelling van NAƒ f aan ontvangen rente overweegt de Raad als volgt.

4.2.1 In hun voormelde rapport hebben de controlerende ambtenaren opgemerkt:

"(blz. 2) (...) In verband met de aankoop van het .... onroerend goed heeft X in september 1993 van de B-Bank een lening van NAƒ n gekregen. In de administratie constateerden wij in verband met deze aankoop een tweede lening van NAƒ k, ontvangen van de A-Bank (...) Tevens constateerden wij een overboeking op 16-09-93 van de bankrekening van X naar de A-Bank van US$ p, ten gunste van Y (...)

(blz. 3) (...) Op 7 juni 1995 ontvingen wij van X een kopie van de leningsovereenkomst, die hij per fax van de A-Bank (...) had ontvangen. Op 10 augustus 1995 hebben wij met Mw. X in haar woning gesproken. (...) Zij verklaarde (...) dat haar man ca. 10 jaar geleden een bankrekening bij de A-Bank had geopend en dat vanaf deze rekening geld werd overgeboekt naar de moeder van haar man. (...) De (...) opgestelde leningsovereenkomst (...) is op ons verzoek gedeeltelijk mondeling vertaald door de heer Z, werkzaam voor het P-consulaat op Curaçao. Uit deze leningsovereenkomst zou blijken dat bij niet terugbetaling door X de A-Bank de bankrekening van X kan aanspreken en dat de kosten voortvloeiende uit de overeenkomst door de bank op de bankrekening van X worden gedebiteerd. Op 16 januari 1996 hebben wij opnieuw met de heer X (...) gesproken over de bankrekening in P. [Hij] bleef bij zijn verklaring dat hij geen prive-rekening heeft [bij] de A-Bank en als er sprake zou zijn van een bankrekening, die als dekking heeft gediend voor de lening, dit een rekening zou moeten zijn van zijn moeder en zijn broers. Wel heeft hij in 1985 een prive-rekening gehad bij de A-Bank, op welke rekening door hem US$ q is gestort. Deze rekening had hij geopend vanwege de hoge rente (...). De rekening is inmiddels opgeheven en het geld op deze rekening is naar zijn moeder overgeboekt. Uiteindelijk heeft hij beloofd gegevens over deze rekening aan ons op te sturen, hetgeen tot nu toe (...) niet gebeurd is.

Conclusie:

In verband met:

* het gestelde in de leningsovereenkomst;

* de overboeking van US$ p naar Y;

* de verklaring van zijn echtgenote stellen wij dat de heer X in september 1993 een bankrekening had bij de A-Bank met een saldo van minimaal het bedrag van de lening, zijnde NAƒ r.

Deze rekening zal zijn gevoed met verzwegen omzet van zijn eenmanszaak (zie punt 4 Resultatenrekening). Uitgaande van een saldo per 1 januari 1989 is per jaar NAƒ s op de rekening gestort.

Uitgaande van een rentepercentage van 5% bedraagt de verzwegen rente:

(...) 1990 (...)

(...) NAƒ f

(blz. 5) (...) 4. RESULTATENREKENING

(...) Op de proef- en saldibalans 1993 gaf de grootboekrekening Kruisposten een credit-saldo van f. t aan.

Door K is in het 1e hj 1995 de boekhouding van 1992, 1993 en 1994 gecontroleerd. Na diverse correcties resteert een credit-saldo op de grootboekrekening Kruisposten van f. u. De opbrengst verkopen is door K met dit bedrag gecrediteerd.

Dit is eveneens gebeurd in 1992 met een bedrag van f. v. Omdat na deze correctie het brutowinst percentage volgens K kennelijk nog te laag was, heeft K de opbrengst verkopen 1992 verhoogd met een bedrag van f. w ten laste van de rekening-courant privé van X."

4.2.2 Naar het oordeel van de Raad heeft de Inspecteur, gelet op de overboeking op 16 september 1993 van US$ p van de bankrekening van appellant naar Y, (....) voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant in september 1993 over een bankrekening in het buitenland beschikte. Ook in de overeenkomst van lening is sprake van een bankrekening, die de A-Bank kan aanspreken indien X de lening niet terug betaalt.

4.2.3 Bij het aanvullend beroepschrift heeft appellant een (...) verklaring van de A-Bank d.d. 23 juli 1996 overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat de overboeking niet een privé-storting maar commissie op een buitenlandse lening betreft. Daarmee heeft appellant weliswaar een verklaring gegeven voor de bestemming van het overgeboekte bedrag, doch niet het bestaan van een buitenlandse bankrekening op zijn naam weerlegd.

4.2.4 Gelet op de onder 4.2.2 weergegeven passages uit het onderzoeksrapport en bij gebreke van in een andere richting wijzende gegevens, die appellant tijdens het onderzoek van het BAB heeft toegezegd maar niet overgelegd, is de Raad verder van oordeel dat de Inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in 1990 tenminste NAƒ q op voormelde bankrekening heeft gestaan en dat appellant in dat jaar, uitgaande van een vergoede rente van 5 percent, NAƒ f aan rente heeft ontvangen.

4.3 Met betrekking tot de omzetcorrectie overweegt de Raad dat de controlerende ambtenaren in hun rapport hebben geconstateerd dat het brutowinstpercentage van de eenmanszaak van appellant in 1990 11,6 bedroeg en dat het brutowinstpercentage bij enige andere soortgelijke eenmanszaken ruim boven de 20 ligt. Zij hebben vervolgens een omzetberekening gemaakt uitgaande van een brutowinstpercentage van 15, de marge die op de meeste produkten van appellant zit. Door aldus tenminste 5 procentpunten onder het gemiddelde brutowinstpercentage van de branchegenoten van appellant te blijven, hebben de controlerende ambtenaren en in hun voetspoor de Inspecteur voldoende rekening gehouden met het argument van appellant dat hij genoegen nam met zeer lage marges om in relatief korte tijd een groot marktaandeel te veroveren.

4.4 Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. De navorderingsaanslag kan evenwel niet in stand blijven gelet op de vermindering daarvan bij beschikking van 26 juli 1996 en de verdere vermindering naar een zuiver inkomen van NAƒ c, waartoe de Inspecteur in het vertoogschrift heeft geconcludeerd. De navorderingsaanslag dient derhalve te worden verminderd tot een aanslag naar een zuiver inkomen van NAƒ c.

4.5 Een en ander leidt de Raad tot de volgende beslissing.

5. Beslissing:

De Raad vermindert de navorderingsaanslag tot een naar een zuiver inkomen van NAƒ c.

mrs. A.W.M. Bijloos, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink