Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1997:BU5714

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
15-09-1997
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
1997-155
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoerrechten

Van "eerste inrichting" in de zin van de LBBH is geen sprake indien de inventaris van een reeds ingericht gebouw wordt vervangen. De vrijstelling is van toepassing, voor zover die goederen zijn aan te merken als hulpmiddelen in de zin van artikel 128, lid 1, onder 6, letter n, AVIUD. Dergelijke goederen kunnen gedurende de gehele termijn van de tax-holiday vrij van invoerrechten worden ingevoerd. Van hulpmiddelen is er sprake indien het gaat om - niet onder machines en bedrijfspanden begrepen - zaken die voor de uitoefening van de onderneming worden gebezigd, met uitzondering van voorwerpen van geringe waarde waarvan de aanschaffings- of voortbrengingskosten gewoonlijk tot de dagelijkse kosten van de onderneming worden gerekend. Zie beschikkingen van 22 december 1989, nr. 29-89, 21 oktober 1993, nr. 50-92 en 15 augustus 1994, nr. 1994-42.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 15 september 1997, nr. 1997-155

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Curacao,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

Loop van het geding:

NV X heeft diverse aangiften gedaan van de invoer van goederen, bestemd voor .... bij de volgende documenten, met betaling - onder protest - van de volgende invoerrechten:

(Overzicht is niet opgenomen. Het totaal bedrag is NAfl 31.122,45)

Tegen deze op de aangiften voldane invoerrechten heeft NV X een bezwaarschrift ingediend, gedagtekend 4 november 1995, ingekomen ter inspectie op 7 november 1995.

Bij beschikking van 25 september 1996, No. AZ-2405, heeft de Inspecteur het bezwaarschrift afgewezen (in de beschikking wordt abusievelijk als datum van het bezwaarschrift 18 oktober 1995 genoemd).

Ter zake van het voormelde document d.d. 8 september 1995, nr. 5127, zond de Inspecteur aan NV X een oproep tot bijbetaling d.d. 27 september 1995, nr. 04/95, tot navordering van invoerrecht ex artikel 122, lid 2, van de Algemene Verordening In-, Uit- en Doorvoer 1908 (AVIUD) voor een bedrag van NAfl 9.877,35.

NV X heeft tegen deze navordering een bezwaarschrift ingediend, gedagtekend 18 oktober 1995. Bij beschikking van 25 september 1996, No. AZ-2298, heeft de Inspecteur het bezwaarschrift afgewezen (in de beschikking wordt abusievelijk als datum van het bezwaarschrift 4 november 1995 genoemd).

Uit de beschikking blijkt, dat het hier gaat om het bijzondere invoerrecht, geheven op de voet van art. 5, letter b, Landsverordening In- en Uitvoer (P.B. 1968, no. 42, gewijzigd bij P.B. 1991, no. 101), in verbinding met Tariefpost 94.03, vermeld in de Bijlage bij het Landsbesluit (P.B. 1994, no. 13), houdende algemene maatregelen, van de 3de januari 1994 ter uitvoering van artikel 4 van de Landsverordening In- en Uitvoer (P.B. 1968, no. 42), houdende wijziging van het Besluit heffingen op een aantal goederen 1991 (P.B. 1992, no. 43), hierna aangeduid als "economische heffing".

Tegen de twee beschikkingen van de Inspecteur op de bezwaarschriften heeft NV X bij één beroepschrift, bij de Raad ingekomen op 18 oktober 1996, mitsdien tijdig, beroep ingesteld. Appellant is niet in de gelegenheid gesteld het beroepschrift te splitsen. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 23 april 1995 op Curaçao. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van NV X, vergezeld van de directeur van NV X, alsmede de Inspecteur. Beide partijen hebben gepleit overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota. Nadat de Raad de behandeling ter zitting heeft geschorst, is de behandeling voortgezet ter zitting van de Raad op 24 april 1995 op Bonaire. Aldaar zijn verschenen de directeur van NV X en de Inspecteur.

Vaststaande feiten:

Bij Landsbesluit p is NV X (toen nog genaamd Y N.V.) voor een periode van tien jaren aangemerkt als onderneming in zin van artikel 1, onder b, van de Landsverordening ter bevordering van bedrijfsvestiging en hotelbouw (P.B. 1953, no. 194) (hierna: LBBH).

NV X heeft sindsdien een drietal gebouwen gesticht. Het eerste gebouw kwam gereed in 1993, het tweede gebouw in 1994 en het derde gebouw in 1996. Het eerste gebouw is eind 1995/begin 1996 gerenoveerd. De bij de onderhavige aangiften ingevoerde goederen waren alle bestemd voor de na die renovatie noodzakelijke herinrichting van dat gebouw.

Door NV X is een kort geding gevoerd teneinde de Inspecteur er toe te bewegen een beschikking op de bezwaarschriften te geven, en - later - onderscheidenlijk een vertoogschrift in te dienen. Het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao, heeft daarin een tussenvonnis en een eindvonnis gewezen.

Geschil:

Het geschil betreft de vraag of NV X al dan niet een beroep kan doen op de vrijstelling van invoerrechten ingevolge de LBBH, in verbinding met artikel 128, onder 60, letter n, AVIUD.

Standpunten van partijen:

NV X laat aan de hand van foto's en tekeningen zien, dat het hier een grondige renovatie betreft. Naar de mening van NV X is deze renovatie aan te merken als een vernieuwing in de zin van artikel 1, lid 2, LBBH.

De Inspecteur betoogt, dat voor wat betreft de in september ingediende aangiften het bezwaarschrift van 4 november 1995 niet binnen de in art. 128b AVIUD voorgeschreven termijn van een maand is ingediend, zodat het bezwaarschrift in zoverre niet ontvankelijk is. Het bezwaarschrift van 4 november 1995 is wel ontvankelijk voor zover het zich richt tegen de in oktober 1995 op de aangiften voldane bedragen. Tevens is ontvankelijk het tijdig ingediende bezwaarschrift van 18 oktober 1995 tegen de economische heffing.

De Inspecteur ontkent niet, dat in het onderhavige geval van een renovatie kan worden gesproken. Volgens de Inspecteur betreft het hier echter vervanging, welke niet valt onder het begrip vernieuwing van artikel 1, lid 2, LBBH. Het begrip vernieuwing moet worden uitgelegd in het licht van de bedoeling van de wetgever om in beginsel slechts bij de bouw en de eerste inrichting een faciliteit te verlenen. In het onderhavige geval wordt de inventaris van een reeds ingericht gebouw vervangen. Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat een belanghebbende gedurende de tax-holiday periode (i.c. 10 jaar) zich onbeperkt op de vrijstelling zou kunnen beroepen. Van vernieuwing in de zin van artikel 1, lid 2, LBBH kan naar de mening van de Inspecteur slechts sprake zijn bijv. ingeval een oud gebouw waarvoor geen tax-holiday geldt wordt verbouwd en ingericht en voor die bouw en inrichting een afzonderlijke tax-holiday wordt verleend.

Beoordeling van het geschil:

De Inspecteur heeft terecht vastgesteld, dat met betrekking tot de in september 1995 ingediende aangiften (hij noemt overigens daarbij het document d.d. 20 september 1995, nr. 5413, niet) het bezwaarschrift niet is ingediend binnen de termijn van een maand, genoemd in artikel 128b, lid 1, AVIUD.

De Raad acht evenwel een bijzondere omstandigheid aanwezig op grond waarvan de Raad het bezwaarschrift ook voor de hier bedoelde aangiften ontvankelijk acht. Deze bijzondere omstandigheid is gelegen in het feit, dat het aangifteformulier geen enkele mededeling bevat omtrent de mogelijkheid dat de aangever bezwaar kan maken tegen het door hem op de aangifte voldane bedrag.

De Raad stelt voorop, dat naar zijn oordeel het begrip "eerste inrichting" als gebezigd in artikel 128, lid 1, onder 60, letter n, AVIUD, moet worden opgevat in de zin van artikel 1, lid 2, LBBH, met inbegrip van de daaraan in het tweede lid van dat artikel gegeven uitbreiding. Dit blijkt met name uit artikel 2, lid 1, letter a, LBBH.

Naar het oordeel van de Raad kan een renovatie als in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden, niet worden aangemerkt als een vernieuwing in de zin van artikel 1, lid 2, LBBH. De aan het begrip door de Inspecteur gegeven beperkte uitleg komt de Raad juist voor. Die uitleg vindt steun in artikel 1 lid 1, letter b, LBBH, waarin voor een onderneming als die van NV X wordt geëist dat minimaal een bedrag van NAfl p wordt geïnvesteerd, en in artikel 1, lid 3, LBBH, dat dit bedrag - behoudens in bijzondere gevallen - binnen twee jaren na de dagtekening van het landsbesluit waarbij de tax-holiday is verleend, moet zijn besteed. De onderhavige renovatie voldoet niet aan deze eisen.

Het vorenstaande neemt evenwel niet weg, dat NV X voor de ingevoerde goederen aanspraak op de vrijstelling kan maken, voor zover die goederen zijn aan te merken als hulpmiddelen in de zin van artikel 128, lid 1, onder 60, letter n, AVIUD. Dergelijke goederen kunnen namelijk gedurende de gehele termijn van de tax-holiday vrij van invoerrechten worden ingevoerd. De Raad verwijst naar zijn beschikkingen van 22 december 1989, nr. 29/89, 21 oktober 1993, nr. 50/92 en 15 augustus 1994, nr. 1994/42.

Van belang is hierbij vooral de beperking die de Raad aan het begrip hulpmiddelen heeft gegeven in zijn beschikking van 21 oktober 1993, nr. 50/92, waarin de Raad dat begrip heeft omschreven als de - niet onder machines en bedrijfspanden begrepen - zaken die voor de uitoefening van de onderneming worden gebezigd, met uitzondering van voorwerpen van geringe waarde waarvan de aanschaffings- of voortbrengingskosten gewoonlijk tot de dagelijkse kosten van de onderneming worden gerekend.

Artikel 2, tweede lid, van eerdervermeld Landsbesluit geeft een vrijstelling van de economische heffing voor goederen bedoeld in artikel 128 AVIUD.

Aangezien de q-goederen zonder twijfel onder de in overweging 5.5 gegeven omschrijving van het begrip hulpmiddelen vallen, heeft NV X terecht een beroep op de vrijstelling gedaan voor wat betreft de economische heffing. Op NV X's beroep tegen de beschikking van de Inspecteur van 25 september 1996, No. AZ-2298, kan daarom thans door de Raad worden beslist.

De beslissing op het beroep tegen de beschikking van de Inspecteur van 25 september 1996, No. AZ-2405, dient evenwel te worden aangehouden, totdat partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de vraag, welke van de goederen waarop die beschikking betrekking heeft, zijn aan te merken als hulpmiddelen in de door de Raad daarvan gegeven omschrijving. Voor de beoordeling daarvan kan van belang zijn of NV X de goederen heeft geactiveerd op haar balans per 31 december 1995, dan wel de aanschaffingskosten daarvan in hun geheel ten laste van de verlies- en winstrekening 1995 heeft gebracht.

De Raad stelt de Inspecteur in de gelegenheid om binnen een maand na de ontvangst van de onder 6.2 bedoelde mededeling van NV X daarop een reactie

Beslissing:

De Raad vernietigt de beschikking van de Inspecteur van 25 september 1996, nr. AZ-2298, alsmede de oproep tot bijbetaling van 27 september 1995, nr. 04/95.

De Raad stelt NV X in de gelegenheid om binnen een maand na de dagtekening van de beschikking van de Raad aan de Raad mede te delen (met afschrift te zenden aan de Inspecteur) welke goederen naar haar mening voldoen aan de door de Raad gegeven omschrijving van het begrip hulpmiddelen en welke niet, een en ander onder vermelding van de bedragen waarvoor die goederen in de onderscheiden aangiften zijn vermeld.

De Raad stelt de Inspecteur in de gelegenheid om binnen een maand na de ontvangst van de onder 6.2 bedoelde mededeling van NV X daarop een reactie te zenden aan de Raad (met afschrift aan NV X).

In afwachting van deze stukkenwisseling houdt de Raad iedere verdere beslissing met betrekking tot de beschikking van de Inspecteur van 25 september 1996, No. AZ-2405, aan.

mrs. H. Warnink, J. Moltmaker en Th. Groeneveld