Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1997:BU5652

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
13-02-1997
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
1997-068
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Belastingjaar 1994

Voor het gaan lopen van de bezwaartermijn geen voorwaarde dat het aanslagbiljet degene voor wie het is bestemd ook feitelijk heeft bereikt, maar wel dat de toezending ervan op regelmatige wijze heeft plaatsgevonden. Het niet-bereiken van het aanslagbiljet kan niet aan de adressant worden toegerekend. De verzender draagt het risico van gebreken in de postbestelling. De bezwaartermijn wordt verlengd, zodanig dat een nieuwe termijn van twee maanden begint te lopen vanaf de dag dat belastingplichtige redelijkerwijs wel in staat kon worden geacht een bezwaarschrift in te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 13 februari 1997, nr. 1997-068

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Bonaire,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding:

1.1. Aan X is voor het jaar 1994 een op 29 september 1995 gedagtekende aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een zuiver inkomen van Naf. 36.000,. Tegen deze aanslag is X op 23 februari 1996 in bezwaar gekomen bij de inspecteur. Het bezwaarschrift is gedagtekend 22 februari 1996. Bij beschikking van 11 maart 1996 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar. De inspecteur heeft X wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk in het bezwaar verklaard.

1.2. Tegen die beschikking is X bij beroepschrift van 2 mei 1996, ingekomen bij de Raad op 6 mei 1996, in beroep gekomen bij de Raad. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, waarop X heeft gereageerd met een verweerschrift.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op Bonaire op 8 november 1996. Aldaar zijn verschenen X, bijgestaan door zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur die ter zitting een pleitnota heeft ingediend en voorgedragen.

1.4. De zaken met de nummers 1996/68, 1996/112 en 1996/113 zijn behandeld alsof zij waren gevoegd. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd, geldt als aangevoerd in de andere zaken.

2. Beoordeling van het geschil:

2.1. X betwist de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar. Hij stelt dat het aanslagbiljet hem niet, althans niet tijdig heeft bereikt en dat hij pas kennis van de hem opgelegde aanslag heeft gekregen nadat zijn belastingadviseur, thans zijn gemachtigde, naar aanleiding van een hem op of omstreeks 20 februari 1996 opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting 1996 bij de Ontvanger heeft geinformeerd naar de nog openstaande posten. Eerst toen bleek hem van het bestaan van de onderhavige aanslag en heeft hij daartegen bezwaar gemaakt. Weliswaar wordt de overheidspost van X vaak in zijn postbus gedeponeerd, maar nu hij daarin ook regelmatig voor anderen bestemde post aantreft, rijst bij hem het vermoeden dat zijn post ook wel in verkeerde postbussen wordt gedaan. Dat laatste moet te dezen het geval zijn geweest, aldus X.

2.2. De inspecteur bestrijdt de stellingen van X, stellende dat het aanslagbiljet op reguliere wijze is verzonden, terwijl op Bonaire uiteindelijk steeds alle post op de juiste plaats aankomt, ook al zou deze aanvankelijk onjuist zijn besteld. Nu het bezwaarschrift bij hem is ingekomen op 23 februari 1996, dus buiten de termijn als bedoeld in artikel 43, lid 1, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LIB), is X volgens de inspecteur terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

2.3. Weliswaar is - naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad - voor het gaan lopen van de bezwaar termijn geen voorwaarde dat het aanslagbiljet degene voor wie het is bestemd ook feitelijk heeft bereikt, maar wel dat de toezending ervan op regelmatige wijze heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft te gelden dat het niet-bereiken van het aanslagbiljet niet aan de adressant kan worden toegerekend, terwijl wat de toezending betreft de verzender het risico draagt van gebreken in de postbestelling.

2.4. Gelet op hetgeen X ten processe en met name in zijn verweerschrift en ter zitting heeft aangevoerd, betwijfelt de Raad of hem het aanslagbiljet wel op regelmatige wijze is toegezonden. Nu daaromtrent geen zekerheid kan worden verkregen - de inspecteur verschaft deze niet - moet worden aangenomen dat de toezending gebrekkig is geweest. In dat geval is aan X het voordeel van de twijfel.

2.5. Derhalve moet worden gezegd dat X redelijkerwijs niet in staat kon worden geacht binnen de bezwaar termijn een bezwaarschrift in te dienen, zodat het bepaalde in artikel 43, lid 3, LIB meebrengt dat de bezwaar termijn wordt verlengd, zodanig dat een nieuwe termijn van twee maanden begint te lopen vanaf de dag dat X redelijkerwijs wel in staat kon worden geacht een bezwaarschrift in te dienen. Nu die dag op of omstreeks 20 februari 1996 valt, is de Raad van oordeel dat het bezwaarschrift, dat op 23 februari 1996 ter inspectie is ingekomen, tijdig is ingediend.

X is dus ontvankelijk in zijn bezwaar.

2.6. X is directeur/enig aandeelhouder van N.V. X, welke vennootschap onder de naam B Club een hotel/appartementencomplex exploiteert. Aan hem is geen salaris toegekend. Wel geniet hij vrije kost in het hotel, is hem door de NV om niet een appartement ter beschikking gesteld en rijdt hij in een auto van de NV. X heeft een vordering in rekening-courant op de NV, die aan het begin van het belastingjaar Naf. 500.333,bedroeg en waaruit hij opnamen doet.

2.7. In zijn aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 1991 gaf X een zuiver inkomen van nihil aan. Na overleg tussen X en de aanslagregelaar werd dat inkomen uiteindelijk vastgesteld op Naf. 36.000,. X heeft zich daarbij neergelegd.

2.8. Voor het onderhavige jaar deed belanghebbende ook weer een aangifte van nihil, maar in het biljet vermeldde hij wel dat "voor de boekhouding (.....) een bedrag van Naf. 25.000,(wordt) berekend, zijnde inkomsten door kost en inwoning". De aanslagregeling ging - overeenkomstig het jaar 1991 - uit van een zuiver inkomen van Naf. 36.000,2.9. In zijn bezwaarschrift becijferde X het zuivere inkomen op Naf. 15.050,. Daarbij hanteerde hij de volgende uitgangspunten:

- vrij wonen Naf. 700,per maand, zijnde de huurprijs van een eenpersoonsappartement;

- voeding Naf. 10,per dag;

- privé-gebruik auto 15 percent van de catalogusprijs ad. Naf. 20.000,In beroep komt X in zoverre op deze berekening terug dat hij voor privé-gebruik auto 10 percent van de catalogusprijs in aanmerking neemt, zodat het zuiver inkomen uitkomt op Naf. 14.050,.

2.10. De inspecteur volstaat ermee de Raad te verzoeken "om een nader onderzoek te doen naar de feiten", te melden dat hij " de huurwaarde van de woning (nog) (laat) taxeren " en te stellen dat de voor de voeding door X gehanteerde loonbelastingnorm hem "gezien het ontbreken van een dienstbetrekking (.....) niet zonder meer juist (lijkt)". Aldus heeft de inspecteur de berekening van X onvoldoende bestreden. Aangezien het hier gaat om een zuiver feitelijke kwestie,

2.11. Het beroep is gegrond. De bestreden beschikking moet worden vernietigd. De aanslag moet worden verminderd tot een berekend naar een zuiver inkomen van Naf. 14.050,.

3. Beslissing:

De Raad vernietigt de bestreden beschikking, verklaart X ontvankelijk in zijn bezwaar en vermindert de aanslag tot een berekend naar een zuiver inkomen van Naf. 14.050,.

mrs. A.W.M. Bijloos, J. Moltmaker en J.W. Ilsink