Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1997:BU5600

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
15-09-1997
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
1996-177
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoerrechten / Belastingjaar 1996

De inspecteur kan tegen het beroep op het vertrouwensbeginsel niet aanvoeren dat zijn brief niet aan belanghebbende was gericht. Gezien de belangrijk lagere prijs die het gevolg was van zijn standpunt, is het aannemelijk dat het standpunt van de Inspecteur spoedig algemeen bekend zal zijn geworden.

De brief bevat een stellige en zonder voorbehoud geformuleerde inlichting. De Inspecteur kan zich er niet op beroepen dat die inlichting berustte op onvolledige informatie. Hij had zich vóór het verzenden van de brief volledig moeten informeren, dan wel een voorbehoud moeten opnemen.

Appellante heeft de auto’s besteld en ingevoerd in de veronderstelling, dat daarop het tarief van 18% van toepassing zou zijn. Aannemelijk, dat zij schade leidt indien zij invoerrechten naar een hoger tarief zou hebben moeten betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 15 september 1997, nr. 1996-177

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Curacao (Bonaire),

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Gang van zaken tot en met de beschikkingen op de bezwaarschriften:

1.1 Document nr. 3140 d.d. 15 mei 1996, vervangen door document nr. 3453, d.d. 28 mei 1996.

1.1.1 Bij document nr. 3140 heeft appellante (onder meer) aangifte gedaan van de invoer van drie automobielen, omschreven als Toyota Landcruiser GX station wagon 10 seater. Het te betalen invoerrecht werd door appellante berekend naar een tarief van 18%.

1.1.2 De Inspecteur heeft aanvankelijk geweigerd de Toyota Landcruisers vrij te geven omdat naar zijn mening invoerrechten verschuldigd waren naar een tarief van 46%, t.w. 28% invoerrechten op basis van de Algemene Verordening In-, Uit- en Doorvoer 1908 (AVIUD), hierna aangeduid als "gewone" invoerrechten, alsmede 18% bijzondere invoerrechten op de voet van art. 5, letter b, Landsverordening In- en Uitvoer (PB 1968, no. 42, gewijzigd bij PB 1991, no. 101), hierna aangeduid als "economische heffing". Om de andere bij dit document aangegeven automobielen vrij te krijgen, werden de Toyota Landcruisers doorgehaald.

1.1.3 Bij vonnis in kort geding d.d. 27 mei 1996 heeft het Gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Curaçao, op basis van zijn voorlopig oordeel omtrent de hoogte van het tarief, bevolen dat de automobielen binnen 24 uur aan appellante ter beschikking dienen te worden gesteld tegen betaling van 18% van de C.I.F.-waarde.

1.1.4 Vervolgens is met betrekking tot de Toyota Landcruisers een nieuw document opgemaakt genummerd 3453, d.d. 28 mei 1996, waarop door appellante een bedrag aan invoerrechten van NAƒ 25.687,98 is betaald, berekend naar een tarief van 18 %. Overeenkomstig een op dit document door hem gestelde aantekening heeft de Inspecteur bij brief van 28 mei 1996 aan appellante het volgende medegedeeld:

"Hierbij wordt U op de hoogte gebracht, dat gevolggevend aan de rechterlijke uitspraak d.d. 27 mei 1996 worden de aan de ommezijde aangegeven automobielen vrijgegeven tegen betaling van 18% invoerrechten, echter onder voorbehoud dat in casu alsnog bijbetaling ad 28% wordt nagevorderd."

1.5 In onzekerheid verkerend of de Inspecteur geacht kon worden een (eventueel mondelinge)(navorderings)aanslag te hebben opgelegd, heeft de gemachtigde van appellante tegen de heffing van 46% een bezwaarschrift ingediend, bij de Inspecteur ingekomen op 30 mei 1996. In het bezwaarschrift wordt als - mogelijke - datum van de aanslag 10 mei 1996 genoemd. Voorts wordt in het bezwaarschrift wordt verwezen naar de onder 1.1.3 vermelde uitspraak in kort geding.

1.1.6 Bij beschikking van 6 december 1996, AZ nr. 1065, heeft de Inspecteur het bezwaar niet ontvankelijk verklaard, met als motivering, dat uit het bezwaarschrift niet valt op te maken op welke aangifte het bezwaar betrekking heeft en dat in ieder geval op 10 mei 1996 geen aangifte ten invoer van drie zgn. 10 seaters werd gedaan.

1.1.7 Bij "Beschikking navordering" van 6 december 1996, No. Az-1388, overweegt de Inspecteur, dat

"bij beschikking van 4 december 1996 ons nummer AZ. 2191 (zie punt 1.4.4 hierna) inhoudelijk is beslist op het bezwaarschrift ten aanzien van de zogenaamde 10-seaters" en "dat thans geen belemmeringen meer zijn de navordering daadwerkelijk ten uitvoer te leggen".

Vervolgens wordt ter zake van een drietal documenten (nrs. 3453, 4428 en 6442, zie hierna) een totaal bedrag van NAƒ 73.554,17 nagevorderd, waarin ter zake van het onderhavige document nr. 3453 is begrepen een bedrag van NAƒ 14.271,10 aan gewone invoerrechten en een bedrag van NAƒ 25.687,98 aan economische heffing of NAƒ 39.959,08 in totaal.

1.2 Enz.

1.3 Documenten nrs. 290 en 291, d.d. 16 januari 1997.

1.3.1 Ten aanzien van de bij deze documenten ingevoerde automobielen werd tevoren een tussen partijen gevoerd kort geding beëindigd door een compromis d.d. 9 december 1996, waarbij werd afgesproken dat één automobiel (document nr. 290) zal worden vrijgegeven tegen betaling van 46% invoerrechten (te vermeerderen met ABB) en één automobiel (document nr. 291) tegen betaling van 18% invoerrechten, een en ander onder voorbehoud van alle rechten met betrekking tot aangifte, aanslag en navorderingen.

1.3.2 Bij document nr. 290 heeft appellante aangifte gedaan van de invoer van een automobiel, omschreven als Toyota Landcruiser GX, onder betaling van een bedrag aan invoerrechten van NAƒ 8.410,75, berekend naar een tarief van 17%, vermeerderd met een bedrag aan ABB van NAƒ 3.473,15.

1.3.3 Blijkens een door een douaneambtenaar op de achterzijde van het document gestelde aantekening d.d. 17 januari 1997 diende ter zake van deze invoer nog in totaal NAƒ 14.684,18 te worden betaald, t.w. aan "gewoon" invoerrecht (27% - 17% =)10% of NAƒ 4.947,50, aan economische heffing 18% of NAƒ 8.905.50 en aan ABB NAƒ 4.304,33. Overeenkomstig voormeld compromis heeft appellante dit totale bedrag bijbetaald.

1.3.4 Bij document nr. 291 heeft appellante aangifte gedaan van de invoer van een automobiel, omschreven als Toyota Landcruiser GX, onder betaling van een bedrag aan invoerrechten van NAƒ 8.410,75, berekend naar een tarief van 17%, vermeerderd met een bedrag aan ABB van NAƒ 3.473,15.

1.3.5 Blijkens een door een douaneambtenaar op de achterzijde van het document gestelde aantekening d.d. 17 januari 1997 diende ter zake van deze invoer nog in totaal NAƒ 14.684,18 te worden betaald, t.w. aan "gewoon" invoerrecht (27% - 17% =)10% of NAƒ 4.947,50, aan economische heffing 18% of NAƒ 8.905.50 en aan ABB NAƒ 831,18. Overeenkomstig voormeld compromis werd de automobiel zonder bijbetaling vrijgegeven, doch onder voorbehoud van navordering.

1.3.6 Bij oproep tot bijbetaling d.d. 23 januari 1997, nr. 01/97, heeft de Inspecteur een totaalbedrag van NAƒ 13.853,-- nagevorderd, t.w. NAƒ 4.947,50 aan gewone invoerrechten en NAƒ 8.905,50 aan economische heffing. Bij afzonderlijke oproep tot bijbetaling met dezelfde datum en nummer heeft de Inspecteur een bedrag van NAƒ 831,18 aan ABB nagevorderd.

1.3.7 Bij één bezwaarschrift, ingekomen op 28 januari 1997, heeft appellante zowel bezwaar gemaakt tegen het ter zake van de invoer op document nr. 290 betaalde bedrag, voor zover meer bedragend dan 18%, vermeerderd met ABB, als tegen de ter zake van de invoer op document nr. 291 nagevorderde bedragen.

1.3.8 Bij beschikking van 25 februari 1997, AZ nr. 186'97, heeft de Inspecteur het bezwaarschrift afgewezen.

2. Het verdere verloop van de procedure:

2.1 Bij beroepschrift, bij de Raad ingekomen op 30 december 1996 en geboekt onder nr. 1996/177, heeft appellante beroep ingesteld tegen de beschikkingen van de Inspecteur d.d. 6 december 1996, AZ nr. 1065 (vermeld onder 1.1.6), d.d 6 december 1996, No. Az-1388 (vermeld onder 1.1.7)....

2.2 Bij beroepschrift e, bij de Raad ingekomen op 12 febrauri 1997 en geboekt onder nr.1997/27 ... enz.

2.3 Bij beroepschrift, bij de Raad ingekomen op 11 maart 1997 en geboekt onder nr. 1997/42, heeft appellante beroep ingesteld tegen de beschikking van de Inspecteur d.d. 25 februari 1997, AZ nr. 186'97 (vermeld onder 1.3.8).

2.4 De Inspecteur heeft in de drie zaken één vertoogschrift ingediend.

2.5 De zaken zijn tezamen behandeld ter zitting van de Raad op 23 april 1997. Verschenen is de gemachtigde van appellante, vergezeld van mevrouw en de heer P. De gemachtigde heeft gepleit overeenkomstig een overgelegde pleitnota, onder overlegging van een aantal stukken zonder bezwaar van de wederpartij. Voorts is verschenen de Inspecteur, die heeft gepleit overeenkomstig een overgelegde pleitnota en daarbij nog enkele stukken overgelegd zonder bezwaar van de wederpartij.

3. Voeging:

3.1 Omdat iedere aangifte ten invoer op zichzelf een belastbaar feit oplevert, had in het onderhavige geval in beginsel per document afzonderlijk een bezwaarschrift moeten zijn ingediend, een afzonderlijke beschikking op dat bezwaarschrift moeten zijn genomen en een afzonderlijk beroepschrift bij de Raad moeten zijn ingediend.

3.2 Ervan uitgaande, dat de aangifte voor iedere heffing afzonderlijk een belastbaar feit oplevert, zou bovendien moeten worden aangenomen, dat indien de aangifte leidt tot een tweetal c.q. drietal heffingen (de gewone invoerrechten, de economische heffing en de ABB) er niet alleen per document, maar ook per soort heffing een afzonderlijk bezwaarschrift had moeten zijn ingediend enz. Appellante had daarom in de gelegenheid moeten zijn gesteld zijn bezwaarschriften en/of zijn beroepschriften dienovereenkomstig te splitsen.

3.3 Gelet op art. 11, lid 2, Landsverordening In- en Uitvoer, waarin wordt bepaald, dat de heffingen zijn verschuldigd boven die, welke zijn opgenomen in artikel 128 van de AVIUD, als waren zij mede in genoemd tarief opgenomen, heeft de Raad er geen bezwaar tegen om in het onderhavige geval, waarbij beide heffingen op één aangifte zijn voldaan, het ongesplitste beroepschrift bij één beschikking af te doen.

3.4 Dit geldt ook voor de ABB die ter zake van dezelfde aangifte is voldaan. Artikel 18 Landsverordening algemene bestedingsbelasting 1996 (LABB 1996) schrijft voor, dat op de heffing van de ABB verschuldigd ter zake van de invoer van goederen de regels ter zake van de heffing ingevolge de AVIUD van overeenkomstige toepassing zijn. In het onderhavige geval is de heffing van de ABB als zodanig niet in geschil, doch slechts de hoogte van de invoerrechten die ingevolge artikel 15, eerste lid, LABB 1996 onderdeel vormen van de maatstaf van heffing voor de ABB.

3.5 Gelet op het vorenstaande en op het feit dat appellante niet in de gelegenheid is gesteld haar bezwaar- en beroepschriften te splitsen, terwijl bovendien het materiële geschil tussen partijen hetzelfde is en uitsluitend het tarief van de invoerrechten betreft, zal de Raad de drie beroepschriften (welke telkens meer dan één document en meer dan één heffing betreffen) overeenkomstig het door appellante gesteunde voorstel van de Inspecteur voegen en bij één beschikking afdoen.

4. Vaststaande feiten:

4.1 Blijkens de overgelegde folders en foto's en uit hoofde van eigen waarneming door de Raad, staat vast dat het gaat om automobielen, welke als volgt zijn ingericht:

a. Voorin bevindt zich naast de plaats voor de bestuurder een kleine bank met een lengte van 69 cm, die voorzien is van één hoofdsteun en één driepuntsgordel. Er kan eventueel een tweede persoon op het bankje plaatsnemen, maar voor deze is slechts een beperkte zitruimte, een - in verband met de hoge versnellingsbak - zeer beperkte beenruimte, een tweepunts-(heup)gordel en geen hoofdsteun beschikbaar.

b. De bank daarachter heeft een lengte van 130 cm, heeft twee hoofdsteunen en twee driepuntsgordels. Voor een derde persoon is (beperkte) zitruimte beschikbaar en een tweepunts-(heup)gordel.

c. In de ruimte achter de tweede bank bevindt zich in de lengterichting aan beide zijden een opklapbare bank voor twee personen, zonder hoofdsteunen. De afmeting van de banken bedraagt 40 x 80 cm en de beenruimte tussen de beide banken 29 cm.

4.2 Bij brief van 28 juli 1994, nr. AZ-1484, deelde de Inspecteur aan de heer Q (directeur van Y N.V.; volgens het beroepschrift is appellante een sub-dealer van X N.V.) mede, dat

"autobussen zoals in casu de TOYOTA Landcruiser II met 10 zitplaatsen die door u worden ingevoerd belast zijn met invoerrechten naar reden van 18 % C.I.F.

Ten overvloede deel ik U mee dat als autobussen in de zin der tarief der invoerrechten worden aangemerkt motorrijtuigen geschikt voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder niet inbegrepen."

4.3 Bij brief van 30 oktober 1996, nr. AZ 936/1065/2191, schreef de Inspecteur aan appellante het volgende:

"Hierbij deel ik u mee dat, naar aanleiding van een aantal aangiften ten invoer waarop Toyota's Landcruiser CX ten invoer werden aangegeven onder tariefpost 87 02 A II (8702 1200) en waarbij de goederen op deze aangiften gedeeltelijk daadwerkelijk werden opgenomen, ik van mening ben dat automobielen van het genoemde model onder tariefpost 87 02 A III (87021900) dienen te worden aangegeven.

Vanaf heden zullen aangiften ten invoer voor automobielen van het genoemde model onder tariefpost 87 02 A III (87021900) dienen te worden aangegeven. Het onder een andere tariefpost aangeven zal worden beschouwd als het doen van een onjuiste aangifte."

4.4 Omdat appellante het met dit standpunt niet eens was, spande zij op 12 november 1996 een tweede kort geding aan, waarbij zij eiste

a. dat de Inspecteur onverwijld zou beslissen op de twee door appellante eerder ingediende bezwaarschriften;

b. dat de Inspecteur zou dienen vrij te geven de twee reeds vóór 30 oktober 1996 bestelde Landcruisers tegen het tarief van 18%, subsidiair de ene reeds voor die datum door appellante verkochte Landcruiser.

Dit kort geding is geëindigd met het compromis, omschreven onder 1.3.1.

5. Geschil:

5.1 In geschil is primair of de ingevoerde automobielen vallen onder het invoerrechtentarief van 18% (in 1997 17%), dan wel onder het tarief van 28% (in 1997 27%), vermeerderd met de economische heffing van 18%, of in totaal 46% (in 1997 45 %), met ABB over het meerdere.

5.2 Subsidiair is in geschil of de heffingen in strijd zijn met het vertrouwensbeginsel.

6. Standpunten van partijen:

6.1 Appellante

6.1.1 Volgens appellante vallen de onderhavige automobielen onder het begrip "autobus" van art. 87.02, letter A, onder II, van het Tarief Invoerrechten, waarvoor een tarief geldt van 18%. Zij beroept zich in de eerste plaats op de wetsgeschiedenis, met name de MvT op hoofdstuk 87, blz. 102, waar wordt opgemerkt:

"Als autobussen zijn aan te merken de motorrijtuigen geschikt voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder niet inbegrepen."

Aangezien de onderhavige automobielen 10 zitplaatsen hebben en derhalve ingericht (geschikt) zijn voor het vervoer van 10 personen, voldoen zij - aldus appellante - aan de omschrijving in de MvT. Ook de klapbanken zijn geenszins ongeschikt voor het vervoer van personen. Dat klapstoelen niet zouden meetellen, staat nergens in de Antilliaanse wetgeving. De Richtlijnen van de Europese Unie, waaruit dit mogelijk zou voortvloeien, gelden hier niet.

6.1.2 Volgens appellante heeft de Inspecteur door zijn brief van 28 juli 1994 het vertrouwen opgewekt, dat het tarief van 18% toepassing zou vinden. Om zijn verkoopprijs te kunnen berekenen moet een autohandelaar van te voren weten welk tarief van toepassing is. Als het tarief wordt verhoogd op een tijdstip dat hij de auto reeds heeft verkocht, kan hij die verhoging niet meer doorberekenen. Daarom heeft de Inspecteur in ieder geval door zijn plotselinge verandering van opvatting in mei 1996 met betrekking tot de invoer bij document nr. 3453 in strijd met dit opgewekte vertrouwen gehandeld.

6.1.3 Voor wat betreft de periode van mei tot en met oktober 1996 geldt volgens appellante hetzelfde. Weliswaar werd op document 3453 de aantekening met betrekking tot de navordering gesteld, maar vervolgens werden bij latere invoeren de automobielen na aangifte en betaling van 18% probleemloos en zonder aantekening op de documenten vrijgegeven. .... Zoals ook blijkt uit het gestelde in het tweede kort geding (zie 1.6.1 en 4.4) en uit de redactie van de brief van 30 oktober 1996, mocht appellante naar haar mening uit deze gang van zaken de conclusie trekken, dat de Inspecteur zijn in mei 1996 ingenomen standpunt had laten varen voor wat betreft de daarna ingevoerde automobielen en in het bijzonder ook, dat zijn standpuntwijziging per 30 oktober 1996 nog niet zou gelden voor de op dat moment reeds bestelde automobielen, althans voor de op dat moment reeds verkochte automobiel, d.w.z. voor de bij de documenten 290 en 291 ingevoerde automobielen, althans voor de reeds voor 30 oktober 1996 verkochte, bij document nr. 291 ingevoerde automobiel.

6.1.4 Appellante voert tenslotte nog aan, dat de drie beschikkingen van de Inspecteur op de bezwaarschriften ondeugdelijk en onjuist zijn gemotiveerd evenals de "oproepen tot bijbetaling" van 28 juni en 16 september 1996, nrs. 02/96, 06/96 en 06a/96, zodat deze niet in stand kunnen blijven.

6.2 Inspecteur

6.2.1 De Inspecteur betoogt, dat voor het begrip autobus dient te worden aangesloten bij de uitleg op basis van het internationaal in gebruik zijnde Geharmoniseerd Systeem (voorheen Brusselse Nomenclatuur) en de daarbij gegeven toelichting van de Internationale Douane Raad (IDR, thans World Customs Organisation). De toelichting op de IDR-nomenclatuur geeft zelf geen duidelijke omschrijving van het begrip autobus, maar de EU-toelichting (Boekwerk Heffingen bij invoer, deel III, 87.02.02) zegt onder verwijzing naar de toelichting op de IDR-nomenclatuur, dat de tot de onderverdeling A I a behorende voertuigen (t.w. autobussen) tenminste 9 zitplaatsen moeten hebben, waarbij de zitplaats van de chauffeur en de klapstoeltjes buiten beschouwing worden gelaten. De Nederlands-Antilliaanse wetgever heeft hierbij willen aansluiten. Dit was niet alleen een dwingende noodzaak, gelet op de LGO-regeling tussen de Nederlandse Antillen en de Europese Unie, op basis waarvan de Europese Unie bepaalde vrijstellingen van invoerrechten geeft, maar het blijkt onder meer ook uit het Landsbesluit van 11 augustus 1976, P.B. 1976, no. 170, h.a.m. ter uitvoering van artikel 4 van de Landsverordening In- en Uitvoer, in welk besluit een invoerverbod voor bepaalde automobielen werd uitgevaardigd, waarvan werden uitgezonderd "autobussen met vaste zitplaatsen geschikt voor het vervoer van meer dan 8 personen, de bestuurder niet inbegrepen..."

De Inspecteur verwijst voorts nog naar de opvatting van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, zoals deze blijkt uit het vonnis in kort geding van 16 oktober 1996, no. 1594, waarin onder meer wordt verwezen naar het maatschappelijk doel van het vervoermiddel. Uit een beperkt onderzoek dat door de Inspecteur is ingesteld bij acht kopers van een Toyota Landcruiser is hem gebleken dat zeker zeven van deze acht geen autobusrijbewijs bezitten en dat de achtste niet in het rijbewijsregister voorkomt. De Inspecteur stelt voorts, dat het openbaar vervoer op Curaçao hoofdzakelijk wordt afgewikkeld met kleine busjes, waarvan de ritprijs door de overheid wordt vastgesteld, echter zodanig laag dat een Toyota Landcruiser in verband met de aanschaffingsprijs niet lonend voor dit vervoer zal kunnen worden ingezet. Bovendien kan niet van een betalende passagier worden gevergd, dat deze genoegen neemt met de zitplaats naast de bestuurder, welke zitplaats gezien de beperkingen daarvan niet als volwaardig is te beschouwen.

6.2.2 De Inspecteur is van mening dat de navorderingen niet in strijd zijn met het vertrouwensbeginsel. Hij stelt daartoe in de eerste plaats, dat zijn brief van 28 juli 1994 aan Y N.V. was gericht en niet aan appellante, zodat appellante daar geen vertrouwen aan kan ontlenen. Bovendien had Y N.V. onvoldoende gegevens verstrekt, waardoor de Inspecteur werd verleid tot het doen van een onjuiste uitspraak. Voorts werd de inlichting gegeven met betrekking tot een Toyota van het type Landcruiser II, terwijl het hier betreft de Toyota Landcruiser GX. Vervolgens stelt de Inspecteur, dat zijn brief van 30 oktober 1996 slechts beoogde het sinds medio mei 1996 bekende standpunt te bevestigen, met als toevoeging, dat het aangeven van de automobielen onder een onjuiste tariefpost zal worden aangemerkt als het (opzettelijk) doen van een onjuiste aangifte.

Aangezien iedere douaneaangifte op zichzelf een belastbaar feit is, kan naar de mening van de Inspecteur aan het feit, dat een vorige aangifte ten onrechte door een ambtenaar voor conform is afgetekend niet het vertrouwen worden ontleend, dat op een volgende aangifte van eenzelfde goed een onjuist tarief zal worden toegepast.

6.2.3 Vanaf medio mei 1996 was het standpunt van de Inspecteur inzake de tariefstoepassing volstrekt duidelijk... De navorderingen zijn voldoende gemotiveerd en hebben plaatsgevonden binnen de wettelijke termijn van een jaar (zelfs binnen 7 maanden), zodat ook van laksheid niet kan worden gesproken.

7. Beoordeling van het geschil:

7.1 Het toepasselijke tarief

7.1.1 Hoewel IDR- en/of EU-opvattingen niet rechtstreeks op de Nederlands-Antilliaanse invoerrechten van toepassing zijn, acht de Raad het aannemelijk dat de wetgever bedoeld heeft daarbij zo veel mogelijk aan te sluiten, gelet op hetgeen daartoe door de Inspecteur is aangevoerd. De Raad wijst er daarbij nog op, dat de considerans van de Landsverordening van 21 april 1971, PB 1971, no. 35, tot wijziging van de AVIUD het volgende inhoudt:

"In overweging genomen hebbende:

dat het ter voldoening van de verplichting voortvloeiende uit de associatie met de Europese Economische Gemeenschap noodzakelijk is het tarief van invoerrechten opgenomen in de Algemene Verordening I. U en D. 1908 (PB 1949, no. 62), zoals gewijzigd te herzien;"

7.1.2 Aangezien blijkens de EU-toelichting klapstoelen niet meetellen voor de berekening van het aantal zitplaatsen, betekent dit voor de onderhavige automobielen, dat de twee klapbanken niet als zitplaatsen kunnen worden aangemerkt.

7.1.3 Nog afgezien van het vorenstaande kan naar het oordeel van de Raad de zitplaats naast de bestuurder niet als een volwaardige zitplaats worden aangemerkt, gelet op de beperkte zitruimte, de onvoldoende beenruimte, het ontbreken van een hoofdsteun en de aanwezigheid van (slechts) een heupgordel.

7.1.4 Op grond van de vorenstaande overwegingen is de Raad van oordeel, dat de onderhavige automobielen niet zijn ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, de chauffeur niet meegerekend, zodat zij niet kunnen worden aangemerkt als autobussen. De door de Inspecteur oplegde navorderingsaanslagen zijn derhalve juist, tenzij zij zijn opgelegd in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel.

7.1.5 De Raad merkt nog ten overvloede het volgende op. De omschrijving van het begrip autobus als een motorrijtuig ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, komt in de Nederlandse wetgeving in tal van bepalingen voor, zowel in de fiscale wetgeving (art. 2, letter f, Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994; art.3, lid 2, Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 en het thans vervallen art. 50, lid 2, letter a, Wet op de omzetbelasting 1968) als in de verkeerswetgeving (art. 1, lid 1, letter b, Wet Personenvervoer en de op de Wegenverkeerswet gebaseerde art. 1, letter b, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, art. 1.1, letter h, 10, Voertuigreglement en art. 15, lid 1, letter d, Reglement rijbewijzen). De vraag of voor de toepassing van de fiscale wetgeving sprake is van een autobus, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve kwalificaties te ontlenen aan de Rijkskeuringsvoorschriften Autobussen 1988. In art. 1.13 daarvan wordt een zitplaats omschreven als: de voorgeschreven ruimte om een persoon te vervoeren op een zitbank.

De voorgeschreven ruimte als daar bedoeld is te vinden in de Keuringseisen (Bijlage II van de regels voor keuring van bussen, Stcrt. van 23 december 1987, nr. 248). In Ÿ 10.1.1 daarvan wordt voor een zitplaats onder meer als eis gesteld dat de breedte op zitplaatshoogte tot 27 cm daarboven tenminste 40 cm bedraagt en vanaf 27 cm tot 65 boven de zitting 44 cm. In Ÿ 10.1.3 wordt bepaald, dat de afstand tussen de bovenzijde van de zitting en de voetenvloer tenminste 35 cm (en ten hoogste 55 cm) moet bedragen. Ÿ 10.1.5 schrijft voor dat de breedte van de voetenvloer voor elke zitbank tenminste 30 cm moet bedragen. Gelet op deze eisen zou een motorrijtuig als omschreven in overweging 4.1 dan ook niet als autobus kunnen worden aangemerkt.

7.2 Het vertrouwensbeginsel

7.2.1 Tegen het beroep op het vertrouwensbeginsel kan naar het oordeel van de Raad niet worden aangevoerd, dat de brief van 28 juli 1994 van de Inspecteur was gericht aan de directeur van Y N.V. Gezien de belangrijk lagere prijs die het gevolg was van dat standpunt, acht de Raad het aannemelijk dat het standpunt van de Inspecteur spoedig algemeen bekend zal zijn geworden in de auto-import-branche. Bovendien heeft appellante onweersproken gesteld, dat zij een sub-dealer is van Y N.V., zodat zij ook uit dien hoofde van het standpunt van de Inspecteur op de hoogte zal zijn gebracht. Het zou voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel zijn, indien de Inspecteur met betrekking tot de invoer door appellante een ander standpunt zou hebben ingenomen dan met betrekking tot de invoer door Y N.V.

7.2.2 De brief van 28 juli 1994 bevat een stellige en zonder voorbehoud geformuleerde inlichting. De Inspecteur kan zich er daarom thans niet op beroepen dat die inlichting berustte op onvolledige informatie. Het had op zijn weg gelegen om zich vóór het verzenden van de brief volledig te laten informeren, dan wel een voorbehoud in de brief op te nemen.

7.2.3 De Inspecteur heeft wel gesteld, dat de inlichting betrekking had op een ander type Toyota Landcruiser dan de onderhavige Toyota Landcruiser GX, maar hij heeft niet gesteld, dat er zodanige verschillen tussen beiden typen zijn, dat appellante niet in redelijkheid mocht aannemen dat de inlichting ook niet op het type GX betrekking had.

7.2.4 Appellante heeft de Toyota Landcruisers, vermeld in document nr. 3140 d.d. 15 mei 1996, (later document nr. 3453, d.d. 28 mei 1996) besteld en ingevoerd in de veronderstelling, dat daarop het tarief van 18% van toepassing zou zijn. De Raad acht het aannemelijk, dat zij in dat stadium schade zou hebben geleden indien zij invoerrechten naar het hogere tarief zou hebben moeten betalen of thans schade zou lijden indien zij na de beschikking van de Raad die hogere invoerrechten alsnog zou moeten betalen. Voor wat betreft de invoer bij dit document doet appellante derhalve terecht een beroep op het vertrouwensbeginsel.

7.2.5 Na het kort geding in mei 1996 kon er evenwel bij appellante geen enkel misverstand meer over bestaan, dat de Inspecteur zijn standpunt had gewijzigd, zij het dat hij ter voldoening aan het vonnis in kort geding de automobielen moest vrijgeven tegen betaling van een invoerrecht van 18%. Appellante kan daarom naar het oordeel van de Raad geen beroep doen op het feit, dat op een aantal documenten geen voorbehoud betreffende navordering is gemaakt. De AVIUD stelt de mogelijkheid tot navordering niet van een daartoe strekkende aantekening op het document afhankelijk.

7.2.6 Ingevolge het vorenstaande dient de Beschikking navordering van 6 december 1996, No. Az-1388, te worden vernietigd in zoverre daarin ter zake van document nr. 3453 is begrepen een bedrag van NAƒ 14.271,10 aan gewone invoerrechten en een bedrag van NAƒ 25.687,98 aan economische heffing of in totaal NAƒ 39.959,08.

8. Beslissing:

De Raad vernietigt de Beschikking navordering van 6 december 1996, No. Az-1388, voor zover deze betrekking heeft op document nr. 3453, mitsdien voor een bedrag van in totaal NAƒ 39.959,08, en verwerpt de beroepen voor het overige.

mrs. A.W.M. Bijloos, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink