Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1997:BU5599

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
15-09-1997
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
1996-174
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoerrechten / Belastingjaar 1996

Aan de woorden "woonplaats" en "hoofdverblijf" moet dezelfde inhoud worden toegekend. Nu niet een bijzonder voorschrift bestaat, moet ervan worden uitgegaan dat de plaats waar iemand woont of waar hij zijn hoofdverblijf heeft naar de omstandigheden wordt beoordeeld; vgl. RvBB 2 maart 1992, nr. 1990-86.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 15 september 1997, nr. 1996-174

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Curacao,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding:

1.1 Op 16 februari 1996 is namens appellant op een enig document C4/20 DVV ten invoer aangegeven een gebruikte auto. Eveneens op 16 februari 1996 zijn namens appellant op een enig document C4/20 DVV ten invoer aangegeven 171 colli gebruikte verhuisgoederen. De auto en de verhuisgoederen zaten in dezelfde container. In beide gevallen werd verzocht om toepassing van de verhuisboedelvrijstelling van artikel 128, lid 1, aanhef en ten 8°, aanhef en onderdeel d, AVIUD jo. artikel 7 UB art. 128. Voor de verhuisgoederen werd dat verzoek - bij besluit van 19 maart 1996 - ingewilligd, voor de auto niet.

1.2 Met betrekking tot de auto werd op 29 februari 1996 door de douane een nota van onvolledigheid opgemaakt. Daarin staat vermeld: "volgens aangehechte (certificate of title) heeft u de auto geen 6 maanden in gebruik", en ook: "gelieve model "c" hiervoor opmaken". Uit de nota blijkt niet of, en zo ja, door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan tegen dit besluit bezwaar kan worden gemaakt.

1.3 Bij brieven van 12 maart en 4 april 1996 heeft appellant - onder overlegging van bewijsmiddelen - de Inspecteur verzocht hem alsnog de verlangde vrijstelling te verlenen. Bij faxbericht van 12 juni 1996 heeft de Inspecteur appellant meegedeeld dat "niet is komen vast te staan dat de auto langer dan 6 (zes) maanden bij u in gebruik is geweest zodat vrijstelling in casu niet kan worden verleend".

Uit het faxbericht blijkt niet of, en zo ja, door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan tegen dit besluit bezwaar kan worden gemaakt.

1.4 Bij brief van 13 juni 1996 heeft appellant - wederom onder overlegging van bewijsmiddelen - de Inspecteur andermaal verzocht hem "alsnog vrijstelling van invoerrechten bij invoer van mijn auto als onderdeel van mijn verhuisboedel te geven". Op deze brief heeft de Inspecteur niet gereageerd.

1.5 Vervolgens heeft appellant de auto opnieuw ten invoer doen aangeven, ditmaal bij enig document C400 C. De op 16 april 1996 ondertekende aangifte is - blijkens een op het document geplaatste stempelafdruk - op 26 juni 1996 door de douane in behandeling genomen. Aan invoerrecht op de voet van de AVIUD is toen geheven NAf 13.084,12 en aan economische heffing op de voet van de Landsverordening In- en Uitvoer NAf 8.411,22. Uit het document blijkt niet of, en zo ja, door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan tegen deze heffing bezwaar kan worden gemaakt.

1.6 Bij brief van 4 september 1996 heeft de gemachtigde van appellant de Inspecteur - onder verwijzing naar de brieven van 12 maart, 4 april en 13 juni 1996 - laten weten dat zijn "cliënt tot op heden geen formele beschikking op zijn verzoek c.q. bezwaar tegen uw weigering om de vrijstelling te verlenen (...) [heeft] mogen ontvangen". Verzocht werd "alsnog te willen beschikken op het bezwaar van mijn cliënt tegen uw weigering om de vrijstelling toe te staan". Bij brief van 6 november 1996 heeft de Inspecteur - kort gezegd - dat verzoek afgewezen en meegedeeld "dat naar mijn mening tegen mijn beslissing geen mogelijkheid van bezwaar (...) open staat".

1.7 Bij beroepschrift van 5 december 1996, op dezelfde dag bij de Raad ingekomen, heeft appellant beroep ingesteld tegen deze beschikking. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.8 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad van 23 april 1997, gehouden op Curaçao. Beide partijen zijn verschenen. Beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen en deze met de daarbij behorende bijlagen als gedingstuk overgelegd.

2. Vaststaande feiten:

2.1 Appellant woonde in de Verenigde Staten, laatstelijk op het adres a-street 1 te V (Californië). Op zeker moment besloot hij zich met zijn echtgenote als penshonado op Curaçao te vestigen en daar een huis te bouwen. Op 25 maart 1994 werd hem een vergunning tot verblijf op Curaçao verleend. Sinds 18 september 1995 staat hij ingeschreven in het bevolkingsregister van het eilandgebied Curaçao.

2.2 Appellant kocht de auto - tegen inruil van zijn oude auto - op 26 februari 1995 van garage A te V. Op dezelfde datum werden de "odometer disclosure statement" en de "new vehicle smog exemption statement" verstrekt. Toen werd ook de "agreement to furnish insurance policy" gesloten. Vanaf 2 maart 1995 is de auto bij het "California department of motor vehicles" geregistreerd. De "certificate of title" voor de auto werd door de State of California op 6 april 1995 uitgegeven.

2.3 Op of omstreeks 16 februari 1996 bracht appellant zijn verhuisboedel over van de Verenigde Staten naar Curaçao. Aangezien zijn huis op Curaçao toen nog niet klaar was, bleven hij en zijn echtgenote in hun huis in de Verenigde Staten wonen. Eerst nadat de woning in juli 1996 was voltooid, is appellant metterwoon naar Curaçao vertrokken.

3. Omschrijving geschil en standpunten van partijen:

3.1 In geschil is de vraag of op de invoer van de auto de verhuisboedelvrijstelling van toepassing is. Appellant beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2 Daarnaast heeft de Inspecteur diverse ontvankelijkheidsverweren opgevoerd, die door appellant zijn bestreden.

3.3 Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota's. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

4. Overwegingen omtrent het beroep:

4.1 De Raad stelt voorop dat de fiscale bezwaar- en beroepstermijnen niet in de belastingverordeningen zijn opgenomen om te verhinderen dat een rechtzoekende belastingplichtige zijn grieven aan de rechter voorlegt, maar om ter wille van de rechtszekerheid op zeker ogenblik te kunnen vaststellen dat tegen een bepaald fiscaal overheidsbesluit geen rechtsmiddel meer kan worden aangewend en dat besluit dus onherroepelijk vaststaat. Dat stelsel kan alleen bevredigend functioneren indien de fiscus de belastingplichtige op adequate wijze voorlicht over de aan te wenden rechtsmiddelen. Te dezen is dat laatste niet gebeurd. In dit licht moeten de ontvankelijksheidsverweren van de Inspecteur worden bezien.

4.2 Tussen appellant en de Inspecteur is verschil van mening ontstaan over de toepassing van de verhuisboedelvrijstelling op de invoer van de auto. Artikel 128, lid 8, AVIUD schrijft in een dergelijk geval voor dat "wordt (...) beslist door de Inspecteur met hoger beroep op de Raad (...)".

Bij appellant is verwarring en onzekerheid ontstaan over de vraag of, en zo ja wanneer de Inspecteur op het vrijstellingsverzoek heeft beslist; dat blijkt wel uit de onder de loop van het geding weergegeven procesfeiten. Aangenomen moet worden dat die verwarring en onzekerheid (mede) zijn ontstaan omdat de Inspecteur telkenmale heeft nagelaten appellant voor te lichten over de vraag of, en zo ja, door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan tegen zijn beslissingen bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld.

Met de brief van 4 september 1996 heeft appellant gepoogd een einde aan de verwarring te maken en zekerheid te krijgen over de vraag of de auto met toepassing van de verhuisboedelvrijstelling kon worden ingevoerd. Die zekerheid heeft hij verkregen met de afwijzende beslissing van de Inspecteur van 6 november 1996, waartegen appellant binnen een maand en dus tijdig in beroep is gekomen bij de Raad. Mitsdien falen de ontvankelijksheidsverweren van de Inspecteur alle.

4.3 De verhuisboedelvrijstelling is van toepassing indien - naar luid van artikel 20 Besluit 1908 - blijkt "dat de belanghebbende zijn woonplaats van elders naar Curaçao overbrengt", dan wel - zoals artikel 7, lid 1, UB art. 128 bepaalt - indien sprake is van "de overbrenging van diens hoofdverblijf van het buitenland naar het binnenland, alwaar hij nog geen verblijf had". Gelet op de samenloop van beide bepalingen moet worden aangenomen dat zij elkaar volledig dekken. Dat betekent dat aan de woorden "woonplaats" en "hoofdverblijf" dezelfde inhoud moet worden toegekend. Nu te dezen niet een bijzonder voorschrift bestaat, moet ervan worden uitgegaan dat de plaats waar iemand woont of waar hij zijn hoofdverblijf heeft naar de omstandigheden wordt beoordeeld; vgl. RBB 2 maart 1992, nr. 1990/86.

4.4 Vaststaat dat appellant aanvankelijk in de Verenigde Staten woonde, dat hem op 25 maart 1994 een vergunning tot verblijf op Curaçao werd verleend, dat hij sinds 18 september 1995 staat ingeschreven in het bevolkingsregister van het eilandgebied Curaçao, dat hij op of omstreeks 16 februari 1996 zijn verhuisboedel overbracht van de Verenigde Staten naar Curaçao, dat zijn woning op Curaçao in juli 1996 is gereedgekomen en dat hij toen metterwoon naar Curaçao is vertrokken.

4.5 Gelet op deze feiten en omstandigheden is de Raad van oordeel dat appellant eerst vanaf juli 1996, maar in ieder geval niet vóór 16 februari 1996 zijn woon- of hoofdverblijfplaats op Curaçao had.

4.6 Vaststaat dat de auto appellant vanaf 26 februari 1995 in eigendom toebehoorde, terwijl niet in geschil is dat de auto in ieder geval vanaf 6 april 1995 bij hem in de Verenigde Staten in gebruik was.

4.7 Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat te dezen is voldaan aan het bepaalde in artikel 7, lid 4, UB art. 128, zodat appellant ter zake van de invoer van de auto recht heeft op toepassing van de verhuisboedelvrijstelling. Het beroep is dus gegrond.

5. Beslissing:

De Raad vernietigt de beslissing waarvan beroep en gelast de Inspecteur appellant het door deze betaalde invoerrecht ad NAf 13.084,12, alsmede de economische heffing ad NAf 8.411,22 tegen behoorlijk bewijs van kwijting terug te betalen.

mrs. A.W.M. Bijloos, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink