Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1997:BU5563

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
25-04-1997
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
1996/096
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoerrechten / Artikel 128 LIUD / Belastingjaar 1996

Werktuig is ingevoerd in verband met een bedrijf waarvoor geen tax holiday geldt. Bovendien is de vrijstelling voor invoerrechten van het tax holiday bedrijf niet verleend voor werktuigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 25 april 1997, nr. 1996/096

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding:

1.1 Op 23 februari 1996 heeft appellante ten invoer aangegeven een ..... machine met toebehoren (hierna: het werktuig) met het verzoek het werktuig vrij van invoerrechten te mogen invoeren. Bij beschikking van 26 februari 1996 heeft de Inspecteur het verzoek om vrijstelling afgewezen.

1.2 Tegen deze beschikking heeft appellante op 28 februari 1996 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 15 mei 1996 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3 Bij beroepschrift van 12 juni 1996, op 14 juni 1996 bij de Raad ingekomen, heeft appellante beroep ingesteld tegen de beschikking op bezwaar. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.4 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de Raad van 5 november 1996, gehouden op Aruba. Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Ook de Inspecteur is verschenen. Beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen en deze als gedingstuk overgelegd. Appellante heeft met instemming van de Inspecteur ter zitting nog enige stukken in het geding gebracht.

2. Vaststaande feiten:

2.1 Bij verzoekschrift van 22 mei 1990 heeft A N.V., gevestigd op Aruba, de Gouverneur van Aruba verzocht haar "aan te wijzen als een onderneming ex artikel 1a van de Landsverordening ter bevordering industriebouw en hotelbouw 1953, voor wat betreft de investering in en de exploitatie van een P-bedrijf. Voorts is verzocht "de faciliteit uit hoofde van de eerdergenoemde Landsverordening van toepassing te verklaren voor een periode van 11 jaar". Als toelichting is onder meer het volgende aangevoerd. "(...). Middels het P-bedrijf zal aanvoer van .... per boot mogelijk worden. Ook de verpakking van .... in zakken wordt een nieuwe activiteit, waarbij export eveneens tot de mogelijkheden behoort. (...). Het bedrijf zal worden gevestigd op een stuk terrein bij de haven (...)".

2.2 Bij Landsbesluit van ..... heeft de Gouverneur van Aruba - "gelezen het verzoekschrift" en "gelet op artikel 1, eerste lid, sub a en artikel 2, tweede lid van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw" - besloten "te verklaren dat de naamloze vennootschap A N.V. voor de duur van ten hoogste elf jaren wordt aangemerkt als een bedrijf in de zin van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw".

Voorts heeft de Gouverneur toen aan A N.V. een tax-holiday verleend - voor zover thans van belang - bestaande uit:

a. vrijstelling van invoerrechten ten behoeve van de bouw en eerste inrichting van bedrijfspanden bestemd voor de uitoefening van het bedrijf op de voet van artikel 128, eerste lid, aanhef en ten 6de onder de letter n, van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer;

b. (...);

e. vrijstelling van invoerrechten op grondstoffen en halffabrikaten welke door A N.V. worden bewerkt of verwerkt in het hier bedoelde bedrijf".

2.3 Bij verzoekschrift van 24 oktober 1991 heeft A N.V. de Gouverneur van Aruba verzocht "de aktiviteiten, waarvoor ons bedrijf conform landsbesluit van 28 januari 1991 no 6 is aangewezen als vennootschap vallende onder artikel 1a van de Landsverordening ter bevordering Industrievestiging en Hotelbouw 1953, onder te mogen brengen in de N.V.: X N.V., gevestigd te B alhier", zulks onder verwijzing "naar artikel 7 lid 1 en 2 van bovengenoemde Landsverordening".

2.4 Bij Landsbesluit van ..... heeft de Gouverneur van Aruba besloten "het landsbesluit van .... waarbij de naamloze vennootschap A N.V., voor wat betreft de bouw en exploitatie van een P-bedrijf werd aangemerkt als een bedrijf in de zin van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw (...) van toepassing te verklaren op de naamloze vennootschap X N.V., met dien verstande dat deze verklaring slechts zal gelden voor de resterende periode van de in vorenbedoeld landsbesluit vastgestelde belastingfaciliteiten".

2.5 Appellante is opgericht bij notariële akte van 23 oktober 1991. Blijkens die akte heeft zij ten doel:

"a. De handel, waaronder begrepen de import, export, groothandel en kleinhandel van P-goederen, alles in de ruimste zins des woords.

b. Het exploiteren van P-bedrijven, alles in de ruimste zin des woords.

c. Het verpakken en transporteren van P-goederen in de ruimste zin des woords.

d. Het bouwen en exploiteren van opslagtanks voor alle soorten bulkgoederen en vloeistoffen.

e. Het verrichten van alle werkzaamheden en alle handelingen welke met het vorenstaande in de ruimste zin in verband staan, daaruit voortvloeien of daaraan bevorderlijk kunnen zijn".

2.6 Het werktuig wordt gebruikt voor de produktie van P-goederen.

3. Omschrijving geschil en standpunten van partijen:

3.1 Het geschil betreft de vraag of het ingevoerde werktuig onder de tax-holiday valt. Appellante beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2 Appellante stelt dat een zinvolle, teleologische en grammaticale interpretatie van het Landsbesluit meebrengt dat de activiteiten waarvoor het werktuig wordt gebruikt onder de tax-holiday vallen.

3.3 De Inspecteur weerspreekt het standpunt van appellante.

3.4 Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging daarvan.

4 Overwegingen omtrent het beroep:

4.1 Uitgangspunt bij de heffing - en dus ook bij de vrijstelling - van invoerrechten op Aruba is hetgeen is bepaald bij of krachtens de Landsverordening In-, Uit- en Doorvoer (LIUD). Dat betekent dat het geschil moet worden berecht aan de hand van de desbetreffende vrijstellingsbepaling in de LIUD, dat is artikel 128, lid 1, aanhef en ten 6°, onderdeel n.

Wil een bedrijf - in een geval als het onderhavige - met succes een beroep op deze vrijstellingsbepaling kunnen doen, dan moet de Gouverneur van Aruba op verzoek van het bedrijf bij landsbesluit hebben verklaard dat dit bedrijf moet worden aangemerkt als een bedrijf in de zin van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw. Onder meer uit het bepaalde in de artikelen 2 en 3 kan worden afgeleid dat de Gouverneur daarbij de bevoegdheid heeft de reikwijdte van de vrijstelling te beperken.

4.2 Anders dan in het geval dat is berecht bij beschikking van de Raad van 15 augustus 1994, nr. 1992/47, heeft de Gouverneur te dezen van evenbedoelde bevoegdheid gebruik gemaakt. Het onder 2.2 bedoelde Landsbesluit stelt zulks duidelijk in het licht.

Nu dit besluit formele rechtskracht heeft, moet de Raad van de inhoud ervan uitgaan. Dat neemt overigens niet weg dat - gelijk te dezen het geval is - zich bij de toepassing van het besluit interpretatiegeschillen kunnen voordoen, zodat de Raad genoodzaakt is de inhoud ervan uit te leggen.

4.3 Allicht is bij die uitlegging van groot belang het verzoek van de rechtsvoorgangster van appellante aan de Gouverneur meerbedoeld besluit te nemen.

In haar verzoekschrift heeft die rechtsvoorgangster zich gepresenteerd als exploitant van een P-bedrijf en te kennen gegeven dat "middels het P-bedrijf aanvoer van .... per boot mogelijk (zal) worden", terwijl "ook de verpakking van .... in zakken (...) een nieuwe activiteit (wordt), waarbij export eveneens tot de mogelijkheden behoort". Over de produktie van .... wordt in het verzoekschrift met geen woord gerept.

Aangenomen moet dus worden dat het Landsbesluit alleen betrekking heeft op het P-bedrijf van appellante en niet op haar produktiebedrijf. Nu vaststaat dat het werktuig is ingevoerd met het oog op de uitoefening van het produktiebedrijf, valt die invoer niet onder de tax-holiday.

4.4 Zelfs indien - veronderstellenderwijs - wordt aangenomen dat het Landsbesluit ziet zowel op het P-bedrijf als op het produktiebedrijf, komt de Raad niet tot een ander oordeel.

Nu is gesteld noch gebleken dat het werktuig ten behoeve van de bouw of eerste inrichting van het bedrijf is ingevoerd, kan alleen onderdeel e van het Landsbesluit op de invoer van toepassing zijn. In dat onderdeel wordt echter alleen gesproken over grondstoffen en halffabrikaten, terwijl gesteld noch gebleken is dat het werktuig als zodanig moet worden gekwalificeerd.

Hooguit zou het werktuig als machine of als hulpmiddel kunnen worden aangemerkt - de Raad laat dat in het midden - maar dat is niet van belang aangezien het Landsbesluit niet ziet op machines en evenmin op hulpmiddelen.

4.5 Ten overvloede wijst de Raad erop dat appellante, zo zij de tax-holiday wil doen uitstrekken tot het produktiebedrijf en tot machines of hulpmiddelen, de Gouverneur om een wijziging van het Landsbesluit moet verzoeken. Voor de Raad is hier geen taak weggelegd.

4.6 Het beroep is ongegrond en moet dus worden verworpen.

5. Beslissing:

De Raad verwerpt het beroep.

mrs. A.W.M. Bijloos, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink