Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1995:BU5474

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
31-01-1995
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
1995-047
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Belastingjaar 1989

Een ambtelijk verzuim staat navordering in de weg tenzij er sprake is van een administratieve vergissing, die op één lijn kan worden gesteld met een schrijf- of typefout en voorts aannemelijk is, dat de fiscale kennis van belastingplichtige zodanig is, dat hem aanstonds duidelijk had moeten zijn, dat de aanslag niet kon berusten op een - zij het mogelijk onjuiste - vaststelling van zijn belastbaar inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 31 januari 1995, nr. 1995-047

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding:

1.1. Aan X is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1989 opgelegd, berekend naar een tabel-inkomen van 292.987,- verminderd met een bij de echtgenote van X belast inkomen van 15.275 ofwel 277.712,.

1.2. Bij beroepsschrift, bij de Raad ingekomen op 28 februari 1994, mitsdien tijdig, heeft X beroep bij de Raad ingesteld tegen deze navorderingsaanslag.

1.3. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, naar aanleiding waarvan X een verweerschrift heeft ingediend.

1.4. De zaak is behandeld op de zitting van de Raad op 28 september 1994. Daar zijn verschenen X met diens gemachtigde vergezeld van Y, alsmede de Inspecteur vergezeld van G. Beide partijen hebben gepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnota. G heeft voorts nog een verklaring afgelegd omtrent de door de Belastingaccountantsdienst met X en diens toenmalige adviseur gevoerde gesprekken.

2. Vaststaande feiten:

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

2.1. Aan X is op 30 augustus 1993 een primitieve aanslag inkomstenbelasting 1989 opgelegd, berekend naar een tabel-inkomen van 55.535,-. Aangezien X buiten gemeenschap van goederen is gehuwd, werd de belasting berekend met toepassing van art. 21, tweede lid en art. 25A Landsverordening op de inkomstenbelasting (LIB).

2.2. X is directeur en groot-aandeelhouder van NV. A. Bij deze N.V. werd door de Belastingaccountantsdienst (hierna: BAD) een boekenonderzoek ingesteld voor de winstbelasting over de jaren 1986 tot en met 1990. In het BAD-rapport d.d. 20 februari 1992 wordt voor het jaar 1989 naast een aantal kleinere correcties een omzetcorrectie voorgesteld van 221.333,en een correctie wegens tantième van 15.000,. Aan het slot van het rapport merken de controleurs op: " X en diens adviseur gaan met alle voorgestelde correcties accoord. De correcties m.b.t. de punten 4.2 (omzet) en 5.1 (tantième) kunnen als uitdeling worden aangemerkt; de overige correcties kunnen in rekening courant worden verrekend".

2.3. De Inspecteur heeft dienovereenkomstig bij de primitieve aanslag rekening gehouden met een winstuitdeling (tantième) van 15.000,, maar verzuimd rekening te houden met de omzetcorrectie. Dit verzuim heeft hij hersteld door het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag, waarbij het tabelinkomen als volgt is berekend:

Inkomen volgens primitieve aanslag56.534,Inkomen echtgenote15.275,Winstuitdeling N.V.221.333,Minder aftrek buitengewone lasten wegens verhoging

van de drempel 844,Zuiver inkomen293.987,4x kinderaftrek 1.000,Tabel inkomen292.987,Echtgenote afzonderlijk belast voor 15.275,Tabel inkomen277.712,3. Geschil:

Het geschil betreft de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

4. Standpunt van X:

X stelt, dat hij met de controlerende ambtenaren slechts één kort gesprek heeft gehad, waarbij slechts de correctie winstbelasting aan de orde kwam. Noch hij, noch zijn adviseur - die te dezer zake niet deskundig was - hebben begrepen, dat een correctie voor de winstbelasting consequenties zou hebben voor de inkomstenbelasting. Hij heeft ter zake daarvan dan ook nimmer enig compromis gesloten.

5. Standpunt van de Inspecteur:

5.1. Volgens de Inspecteur vond de slotbespreking over het BAD-rapport ten kantore van de N.V. op 18 februari 1992 plaats tussen X, diens toenmalige adviseur en 2 controlerende ambtenaren. Alle correcties werden besproken en daarover werden compromissen gesloten, behoudens betreffende de omzetcorrecties. Daarover vond tussen dezelfde personen nog een vervolgbespreking plaats op 20 februari 1992 bij de BAD.

De wijze van correctie (uitdeling of verrekening in rekening courant) werd toen besproken en er werden globale berekeningen gemaakt van de gevolgen van de verschillende mogelijkheden. X en zijn adviseur gingen akkoord met de omzetcorrectie als uitdeling (en met de verrekening van de andere correcties in rekening courant), mede omdat X over onvoldoende financiële middelen beschikte om de omzetcorrecties met zijn N.V. in rekening courant te verrekenen. Naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen de aanslag winstbelasting heeft volgens de Inspecteur op 19 februari 1993 nog een derde bespreking plaatsgevonden, waarbij deze op de voet van art. 26 LIB zou worden belast. X achtte dit toen een voor hem bevredigende oplossing.

5.2. De Inspecteur maakt hieruit de gevolgtrekking, dat de opgelegde primitieve aanslag zodanig laag was, dat X had kunnen en moeten begrijpen dat daarbij abusievelijk geen rekening is gehouden met de uitkomst van het BAD-onderzoek voor wat betreft de omzetcorrectie en hetgeen in dat kader was afgesproken, zodat van een ambtelijk verzuim niet kan worden gesproken.

6. Beoordeling van het geschil:

6.1. Bij het regelen van de primitieve aanslag is wèl rekening gehouden met de in het BAD-rapport voorgestelde correctie van 15.000,, in het rapport aangeduid als " tantième", maar niet met de voorgestelde omzetcorrectie. Het is daarom bepaald niet uitgesloten dat dit laatste berust op een bij de aanslagregelende ambtenaar bestaand een onjuist inzicht in de feiten of in het recht. De Inspecteur heeft hieromtrent onvoldoende duidelijkheid verschaft en heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt, dat de omzetcorrectie niet in de primitieve aanslag is meegenomen tengevolge van een administratieve vergissing, die op één lijn kan worden gesteld met een schrijf- of typefout.

6.2. De Raad acht het voorts niet aannemelijk, dat de fiscale kennis van X zodanig was, dat hem aanstonds duidelijk had moeten zijn, dat de aanslag niet kon berusten op een - zij het mogelijk onjuiste - vaststelling van zijn belastbaar inkomen.

6.3. Uit het in 6.1. en 6.2. overwogene volgt, dat het feit dat bij het regelen van de primitieve aanslag geen rekening is gehouden met de in het BAD-rapport voorgestelde omzetcorrectie berust op een ambtelijk verzuim hetwelk aan navordering in de weg staat.

7. Beslissing:

De Raad vernietigt de navorderingsaanslag.

mrs. H. Warnink, J.K. Moltmaker en Th. Groeneveld