Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1995:BU4933

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
31-01-1995
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
1994-046
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belasting / Artikel 57, tweede lid LIB / Belastingjaar 1988

Nieuw feit indien BAD-rapport ontvangen wordt na het opleggen van de aanslag, maar voor de dagtekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 31 januari 1995, nr. 1994-046

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding:

1.1. Aan X is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1988 opgelegd, gedagtekend 30 december 1993, berekend naar een tabel-inkomen van f. 210.003,.

1.2. Bij beroepsschrift, bij de Raad ingekomen op 28 februari 1994, mitsdien tijdig, heeft X beroep bij de Raad ingesteld tegen deze navorderingsaanslag.

1.3. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, naar aanleiding waarvan X een verweerschrift heeft ingediend.

1.4. De zaak is behandeld op de zitting van de Raad op 28 september 1994. Daar zijn verschenen X met diens gemachtigde vergezeld van Z. Beide partijen hebben gepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnota. Z heeft voorts nog een verklaring afgelegd omtrent de door de Belastingaccountantsdienst met X en diens toenmalige adviseur gevoerde gesprekken.

2. Vaststaande feiten:

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

2.1. Aan X is op 24 maart 1992 een primitieve aanslag inkomstenbelasting 1988 opgelegd, berekend naar een tabelinkomen van f. 32.556,. Aangezien X buiten gemeenschap van goederen is gehuwd, werd de belasting berekend met toepassing van art. 21, tweede lid, en art. 25A Landsverordening op de inkomstenbelasting (LIB).

2.2. X is directeur en groot-aandeelhouder van N.V. A. Bij deze N.V. werd door de Belastingaccountantsdienst (hierna BAD) een boekenonderzoek ingesteld voor de winstbelasting over de jaren 1986 tot en met 1990. In het BAD-rapport d.d. 20 februari 1992 wordt voor het jaar 1988 naast een aantal kleinere correcties een omzetcorrectie voorgesteld van f. 177.066,. Aan slot van het rapport merken de controleurs op: "X en diens adviseur gaan met alle voorgestelde correcties accoord. De correcties m.b.t. de punten 4.2. (omzet) en 5.1 (tantième) kunnen als uitdeling worden aangemerkt; de overige correcties kunnen in rekeningcourant worden verrekend".

2.3. Overeenkomstig dit voorstel heeft de Inspecteur de omzetcorrectie voor de heffing van de inkomstenbelasting als winstuitdeling aangemerkt en een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij het tabel-inkomen als volgt is berekend:

inkomen volgens aangiftef. 32.556,winstuitdeling N.V. 177.066,minder aftrek buitengewone lasten wegens verhoging

van de drempel 318,Zuiver inkomenf. 211.003,4x kinderaftrek- 1.000,tabel-inkomenf. 210.003,3. Geschil:

Het geschil betreft de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

4. Standpunt van X.:

4.1. Volgens X moet de uitdrukking "enig gegeven in art. 48 LIB worden verstaan als "nieuw feit". Van zodanig feit is naar de mening van X hier geen sprake, aangezien de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag bekend was, althans redelijkerwijs kon zijn, met het BAD-rapport. Aangezien er maar één inspectie is en geen afzonderlijke inspecties winstbelasting en inkomstenbelasting, dient de wetenschap van de Inspecteur die de aanslag winstbelasting regelt te worden toegerekend aan de Inspecteur die de aanslag inkomstenbelasting regelt.

4.2. X stelt voorts, dat hij met de controlerende ambtenaren slechts één kort gesprek heeft gehad, waarbij slechts de correctie winstbelasting aan de orde kwam. Noch hij, noch zijn adviseur - de te dezer zake niet deskundig was -hebben begrepen, dat een correctie voor de winstbelasting consequenties zou hebben voor de inkomstenbelasting. Hij heeft ter zake daarvan dan ook nimmer enig compromis gesloten.

5. Standpunt van de Inspecteur:

5.1. De Inspecteur stelt primair, dat de feitelijke beoordeling van de aangifte inkomstenbelasting en de vaststelling van de aanslag plaats vond op 21 januari 1992, dus nog vóór het BAD-rapport. In verband met de administratieve verwerking werd het aanslagbiljet gedagtekend 24 maart 1992. De Inspecteur kon bij de aanslagregeling derhalve redelijkerwijs niet op de hoogte zijn van het BAD-rapport. Er is daarom wel degelijk sprake van een nieuw feit.

5.2. Volgens de Inspecteur vond de slotbespreking over het BAD-rapport ten kantore van de N.V. op 18 februari 1992 plaats tussen X, diens toenmalige adviseur B en de controlerende ambtenaren A en C. Alle correcties werden toen besproken en daarover werden compromissen gesloten, behoudens betreffende de omzetcorrecties. Daarover vond tussen dezelfde personen nog een vervolgbespreking plaats op 20 februari 1992 bij de BAD. De wijze van correctie (uitdeling of verrekening in rekening-courant) werd toen besproken en er werden globale berekeningen gemaakt van de gevolgen van de verschillende mogelijkheden. X en zijn adviseur gingen akkoord met de omzetcorrectie als uitdeling (en met de verrekening van de andere correcties in rekeningcourant), mede omdat X over onvoldoende financiële middelen beschikte om de omzetcorrecties met zijn N.V. in rekening-courant te verrekenen. Naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen de aanslag winstbelasting heeft volgens de Inspecteur op 19 februari 1993 nog een derde bespreking plaats gevonden, waarbij nogmaals de uitdeling ter sprake kwam en de wijze waarop deze op de voet van art. 26 LIB zou worden belast. X achtte dit toen een voor hem bevredigende oplossing.

5.3. De Inspecteur maakt hieruit de gevolgtrekking, dat ook als een nieuw feit niet aanwezig zou worden geoordeeld, de opgelegde primitieve aanslag zodanig laag was, dat X had kunnen en moeten begrijpen dat daarbij abusievelijk geen rekening is gehouden met de uitkomst van het BAD-onderzoek voor wat betreft de omzetcorrectie en hetgeen in dat kader was afgesproken, zodat van een ambtelijk verzuim niet kan worden gesproken.

6. Beoordeling van het geschil:

6.1. Gelet op het ervaringsgegeven, dat nadat de aanslag is geregeld de administratieve verwerking enige tijd vergt, acht de Raad de stelling van de Inspecteur dat de aanslagregelende ambtenaar ten tijde van de beoordeling van de aangifte van X nog niet beschikte over het BAD-rapport, aannemelijk. De navordering was derhalve gerechtvaardigd, gelet op de daarna beschikbaar gekomen gegevens van het BAD-rapport.

6.2. In verband hiermee behoeft de vraag of er sprake is van een administratieve vergissing die op één lijn kan worden gesteld met een schrijf- of typefout en of zulks de X aanstonds duidelijk had moeten zijn, geen beantwoording.

7. Beslissing:

De Raad verwerpt het beroep.

mrs. H. Warnink, J.K. Moltmaker en Th. Groeneveld