Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1995:BU4921

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
30-06-1995
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
1995-022
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Artikel 48 LIB / Belastingjaar 1988

Voor de vraag of een aanslag binnen de navorderingstermijn is opgelegd, is de dagtekening van het kohier van belang is. De dagtekening van het aanslagbiljet is van betekenis voor de aanvang en het einde van de beroepstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 30 juni 1995, nr. 1995-022

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Procesverloop:

1.1. Aan X is voor het jaar 1988 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een zuiver inkomen van Af 212.446,. Het aanslagbiljet is gedagtekend 31 december 1993.

1.2. Tegen die aanslag is X in beroep gekomen bij de Raad, alwaar het beroepschrift op 4 februari 1994 is ingekomen. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, waarna X een verweerschrift heeft ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van de Raad van 22 februari 1995, gehouden op Aruba. Aldaar zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde en de Inspecteur.

1.4. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt. Ter zitting is voorts door hem een stuk overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpartij, aan wie ter zitting de gelegenheid is gegeven van de inhoud daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Ook de inhoud van dit stuk moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Overwegingen omtrent het beroep:

2.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 48 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LIB) kan de Inspecteur een navorderingsaanslag opleggen zolang niet sedert het einde van het belastingjaar vijf jaren zijn verstreken. Dat betekent dat voor het onderhavige belastingjaar 1988 de navorderingstermijn eindigde op 31 december 1993.

2.2. Uit bijlage 5 bij het vertoogschrift blijkt dat de thans bestreden navorderingsaanslag door de Inspecteur is geregeld op 27 december 1993. Enige onduidelijkheid is ontstaan over het tijdstip waarop de aanslag op kohier is gebracht: 30 of 31 december 1993. De Inspecteur heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij het kohier op 30 december 1993 heeft ondertekend, zodat die aanslag toen is vastgesteld, en dat de wijziging van 30 in 31 december op een administratieve vergissing berust, die is terug te voeren op eigenmachtig optreden van één zijner ondergeschikten. De Raad acht 's Inspecteurs ter zitting gehouden betoog dienaangaande betrouwbaar, geloofwaardig en overtuigend. De vermeende gebreken in het kohier zijn daarmee genoegzaam verklaard. Bovendien pleit voor de lezing van de Inspecteur het feit dat de navordering is aangekondigd bij een - door X geproduceerde - brief d.d. 28 december 1993. Ten slotte is het zo dat het aanslagbiljet op 31 december 1993 is gedagtekend.

2.3. Anders dan naar Nederlands belastingrecht is naar Arubaans belastingrecht voor het antwoord op de vraag of de aanslag binnen de termijn is opgelegd slechts van belang op welke datum de aanslag op kohier is gebracht, en niet op welk tijdstip de aanslag aan X is bekend gemaakt. Immers, zoals de Inspecteur met juistheid heeft aangevoerd, in het Arubaanse belastingrecht ontbreekt een bepaling als artikel 5 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Op Aruba geldt dus de oude leer van de Hoge Raad als neergelegd in onder meer zijn arrest van 14 oktober 1953, BNB 1953/278. overigens gaat het hier - zoals de Inspecteur terecht betoogt - om vaste jurisprudentie van de Raad.

2.4. De Raad voegt daaraan toe dat X ook niet in zijn belangen is geschaad. Gelet op het feit dat hij tijdig tegen de navorderingsaanslag in beroep is gekomen, moet worden aangenomen dat hij kort na de verzending op de hoogte was van de hem opgelegde aanslag.

2.5. Anders dan X in zijn verweerschrift aanvoert, is te dezen niet in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 2, lid 2, van de Landsverordening op de invordering van directe belastingen 1943, aangezien zowel in het kohier als in het aanslagbiljet dezelfde dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, te weten 31 december 1993. Daaraan doet niet af dat het kohiere zelve is gedagtekend 30 december 1993.

2.6. Samenvattend is het dus zo dat voor de vraag of de aanslag binnen de navorderingstermijn is opgelegd de dagtekening van het kohier van belang is, en dat de dagtekening van het aanslagbiljet van betekenis is voor de aanvang en het einde van de beroepstermijn als bedoeld in artikel 51, lid 1, LIB.

2.7. Niet alleen uit oogpunt van rechtsbescherming, maar ook uit oogpunt van rechtshandhaving wordt hier een bevredigende oplossing bereikt. X heeft immers zijn in de motivering van het beroepschrift verwoorde, materiële grieven tegen de hem opgelegde aanslag in zijn verweerschrift niet gehandhaafd, zodat moet worden aangenomen dat de materiële belastingschuld met de onderhavige navorderingsaanslag op juiste wijze is geformaliseerd.

2.8. De Raad komt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is en dat de bestreden navorderingsaanslag moet worden gehandhaafd.

3. Beslissing:

De Raad handhaaft de navorderingsaanslag.

mrs. H. Warnink, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink