Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1995:BU4908

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
19-05-1995
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
1993-117
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belasting / Artikel 5A, lid 3 onder c WIB / Belastingjaar 1988

Van "bedrijfsmatig personenvervoer" is slechts sprake is, indien een ondernemer in het kader van zijn onderneming met behulp van (personen)automobielen personen vervoert of doet vervoeren krachtens een met de te vervoeren personen of derden gesloten vervoersovereenkomst.

Van een automobiel die zonder chauffeur ter beschikking van derden wordt gesteld (verhuurd), kan niet worden gezegd, dat deze bestemd is voor het bedrijfsmatig personenvervoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking van 19 mei 1995, nr. 1993-117

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Sint Maarten,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1 Loop van het geding:

1.1 Op 22 februari 1993 is aan NV X een aanslag winstbelasting 1988, kohierartikel 27, opgelegd naar een belastbaar bedrag van NAf 93.900,--.

1.2. Het door NV X tegen deze aanslag ingediende bezwaarschrift is door de Inspecteur afgewezen bij beschikking van 13 augustus 1993, nr. HW2.

1.3. Tegen deze beschikking heeft NV X bij beroepschrift, bij de Raad ingekomen op 30 september 1993, mitsdien tijdig, beroep ingesteld.

1.4. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Vervolgens heeft NV X een verweerschrift ingediend, waarop de Inspecteur nog heeft gereageerd met dupliekschrift.

1.5. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 24 februari 1995, waar zijn verschenen de gemachtigde van NV X alsmede de Inspecteur. Beide partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigde van NV X overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota.

2. vaststaande feiten:

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

2.1. NV X is opgericht in 1972 en heeft tot doel het voeren van een verhuurbedrijf van vervoermiddelen zoals personen- en vrachtautomobielen, motorfietsen enz. al dan niet met chauffeur. In de praktijk worden de vervoermiddelen verhuurd zonder chauffeur.

2.2. NV X heeft over het jaar 1988 aangifte gedaan van een belastbare winst van NAf 57.415,68. Daarbij is in aanmerking genomen een bedrag van NAf 36.524,- wegens investeringsaftrek ter zake van de door NV X in 1988 aangeschafte personenautomobielen, bestemd voor de verhuur.

3. Geschil:

Het geschil betreft de vraag of NV X recht heeft op investeringsaftrek ten bedrage van NAf 36.524,--.

4. Standpunten van partijen:

4.1. De Inspecteur stelt, dat tot de bedrijfsmiddelen, waarvoor investeringsaftrek wordt verleend, ingevolge het derde lid onder c, van art. 5A van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (LWB) niet worden gerekend personenautomobielen, tenzij deze personenautomobielen bestemd zijn voor het bedrijfsmatig personenvervoer. Volgens de Inspecteur kan de wijze waarop de personenautomobielen door NV X worden gebruikt niet worden aangemerkt als bedrijfsmatig personenvervoer. Hij verwijst daarbij naar HR 27 maart 1968, BNB 1968/107.

4.2. Volgens NV X dient op de Nederlandse Antillen een ruimere toepassing te gelden dan in Nederland. De faciliteit van de investeringsaftrek is in het leven geroepen ter bevordering van de nationale economie op de Nederlandse Antillen, welke economie - in het bijzonder ook op Sint Maarten - vrijwel geheel afhankelijk is van het toerisme. Mede door het ontbreken van een behoorlijk openbaar vervoer op Sint Maarten speelt de autoverhuur een vitale rol in dat toerisme. Het is niet aannemelijk, dat de wetgever dit niet voor ogen zou hebben gehad, toen hij de investeringsaftrek in 1985 in de LWB opnam. Van belang is daarbij ook dat hij niet koos voor de redactie van art. 11 (oud) Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarin wordt gesproken van "beroepsvervoer over de weg", maar voor de kennelijk ruimer bedoelde redactie "bedrijfsmatig personenvervoer".

5. Overwegingen omtrent het geschil:

5.1. De Raad gaat ervan uit, dat in art. 5A LWB personenautomobielen in beginsel van de investeringsaftrek zijn uitgezonderd om dezelfde reden als zij in art. 11 (oud) Wet op de inkomstenbelasting 1964 werden uitgezonderd, t.w. dat zij veelal ook voor privé-doeleinden worden gebruikt en dat zakelijk en privé gebruik in de praktijk moeilijk van elkaar valt te onderscheiden. Dit betekent, dat er gevallen zullen zijn, waarin een personenautomobiel door een ondernemer geheel als bedrijfsmiddel wordt gebruikt, maar hij niettemin geen recht heeft op investeringsaftrek.

5.2. Hoewel aan NV X kan worden toegegeven, dat de omstandigheden op Sint Maarten niet geheel vergelijkbaar zijn met die in Nederland, met name ook voor wat betreft de betekenis van autoverhuur in de vervoerssituatie op Sint Maarten, is daarmee nog niet gezegd, dat de wetgever aan het begrip "bedrijfsmatig personenvervoer" een ruimere betekenis heeft willen toekennen dan hetgeen uit deze bewoordingen zelf voortvloeit. Een dergelijke ruimere betekenis kan naar het oordeel van de Raad ook niet worden afgeleid uit het verschil in terminologie met art. 11 (oud) Wet op de inkomstenbelasting 1964.

5.3. De Raad is van oordeel, dat van "bedrijfsmatig personenvervoer" slechts sprake is, indien een ondernemer in het kader van zijn onderneming met behulp van (personen)automobielen personen vervoert of doet vervoeren krachtens een met de te vervoeren personen of derden gesloten vervoersovereenkomst.

Het bedrijfsmatig (doen) vervoeren van personen als hier omschreven heeft een ander karakter dan het bedrijfsmatig verhuren van automobielen zonder chauffeur. M.a.w. van een automobiel die zonder chauffeur ter beschikking van derden wordt gesteld (verhuurd), kan niet worden gezegd, dat deze bestemd is voor het bedrijfsmatig personenvervoer

6. Beslissing:

De Raad verwerpt het beroep.

mrs. H. Warnink, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink