Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1994:BU4894

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
16-05-1994
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
1993/042
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winstbelasting / Artikel 6 WlB / Belastingjaar 1988

Inspecteur mag vertoogschrift te laat indienen.

Arubaanse (en de Antilliaanse tot 2001) deelnemingsvrijstelling is niet een objectieve vrijstelling ter berekening van de (belastbare) winst, maar een vrijstelling die uitsluitend geldt voor de tarieftoepassing. Het gaat om netto-winstaandelen, dus om bruto-winstaandelen verminderd met de daarop drukkende kosten tot verwerving, inning en behoud van die winstaandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 16 mei 1994, nr. 1993/042

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding:

1.1. Aan NV X is voor het jaar 1988 een aanslag in de winstbelasting opgelegd naar een winst van f. 297.700,-. Het aanslagbiljet is gedagtekend 16 oktober 1992.

1.2. Bij bezwaarschrift, ingekomen ter Inspectie op 11 november 1992, heeft NV X bezwaar gemaakt tegen deze aanslag.

1.3. Bij beschikking d.d. 11 mei 1993, heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaarschrift. Daarbij werd de aanslag gehandhaafd.

1.4. Bij pro forma beroepschrift van 25 mei 1993, ingekomen bij de Raad op 26 mei 1993, is NV X tegen-deze beschikking in beroep gekomen bij de Raad. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van de Raad van 23 november 1993, gehouden op Aruba. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van NV X, alsmede de Inspecteur.

1.6. Ter zitting heeft de gemachtigde van NV X het beroepschrift aangevuld. Afgesproken werd dat de Inspecteur schriftelijk zou reageren en dat de Raad daarna recht zou doen op de stukken, tenzij de Inspecteur of NV X om een tweede mondelinge behandeling van de zaak zou vragen.

1.7. De reactie van de Inspecteur kwam binnen bij de Raad op 15 februari 1994. Op 30 maart 1994 heeft de gemachtigde van NV X nog een verweerschrift ingediend, waarna de Inspecteur op 9 mei 1994 een repliekschrift heeft ingediend. Geen van beide partijen heeft verzocht om een tweede mondelinge behandeling.

2. Vaststaande feiten:

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

2.1. NV X is een houdstermaatschappij en ontvangt o.a. dividenden van haar binnenlandse dochtermaatschappijen A N.V. en B N.V.; in het onderhavige jaar werd aan dividenden in totaal f. 450.000,- ontvangen.

2.2. Ter financiering van de deelneming in B N.V. heeft NV X een lening ten bedrage van NLf. 1.180.000,- gesloten; de rente bedraagt 6,75 percent per jaar. In verband met deze lening betaalde NV X in het onderhavige jaar een bedrag van in totaal f. 81.136,aan bankkosten en rente.

2.3. Aanslagregeling:

zuivere winst f. 660.039

Dividendvrijstelling f. 450.000

aangegeven winst f. 210.039

correcties:

Huur f. 6.600

Financieringskosten f. 81.136

vastgestelde winst f. 297.775

3. omschrijving geschil en standpunten van partijen:

3.1. Het geschil betreft de vraag of de correctie financieringskosten terecht is aangebracht. NV X beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. NV X stelt dat, gelet op de wetsgeschiedenis, op doel en strekking van de vrijstelling en op de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet VpB 1969), de dividendvrijstelling van artikel 11 van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (hierna: Lv WB 1940) een bruto-vrijstelling is in die zin dat de kosten ter financiering van de deelneming niet op de ontvangen (en vrijgestelde) dividenden in mindering behoeven te worden gebracht, maar ten laste van de belaste winst komen.

3.3. De Inspecteur weerspreekt die stelling. Volgens haar gaat het om een netto-vrijstelling omdat artikel 11 Lv WB 1940 niet met artikel 13 Wet VpB 1969 moet worden vergeleken maar met artikel 7 van het Besluit op de Winstbelasting 1940 en artikel 15 van het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942, alsmede en vooral met artikel 8 van de (Nederlands-Indische) Ordonnantie op de vennootschapsbelasting 1925.

3.4. Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken.

3.5. NV X concludeert tot vermindering van de aanslag tot één berekend naar een winst van

f. 216.639,-. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de aanslag.

4. Overwegingen omtrent het geschil:

4.1. NV X klaagt erover dat de in artikel 7, leden 3 en 4, van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 bedoelde termijnen zijn overschreden en stelt dat daarom geen acht mag worden geslagen op het vertoogschrift. De Raad stelt voorop dat de procesorde wordt bepaald door de rechter en het dus aan hem is te bepalen welke stukken al dan niet tot de processtukken worden gerekend. Bovendien heeft NV X geen belang bij haar klacht aangezien zij één en ander maal in de gelegenheid is geweest de stellingen in het vertoogschrift te bestrijden en zij ook van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt. De Raad verwerpt derhalve de klacht.

4.2. Anders dan de Nederlandse deelnemingsvrijstelling van artikel 13 Wet VpB 1969 is de Arubaanse (en de Antilliaanse) dividendvrijstelling van de artikelen 11 en 13 Lv WB 1940 niet een objectieve vrijstelling ter berekening van de (belastbare) winst, maar een vrijstelling die uitsluitend geldt voor de tarieftoepassing. Weliswaar is de strekking van beide vrijstellingen de voorkoming van dubbele (winst)belasting, maar de wijze waarop de Nederlandse wetgever de materie heeft geregeld is een volstrekt andere dan de manier waarop de Nederlandse Antillen en Aruba de zaak hebben aangepakt. Iedere vergelijking met Nederland gaat dan ook mank.

Veeleer moet, zoals de Inspecteur deed, een vergelijking worden gemaakt met de regeling in het toenmalige Nederlands-Indië.

4.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 11 Lv WB 1940 wordt de belasting niet geheven van hetgeen zuiver wordt genoten als aandeel in de winst van o.m. vennootschappen. Mede gelet op het bepaalde in de artikelen 4 en 5 Lv WB 1940 gaat het hier om netto-winstaandelen, dus om bruto-winstaandelen verminderd met de daarop drukkende kosten tot verwerving, inning en behoud van die winstaandelen.

4.4. Tot die kosten behoren de financieringskosten als waarom het te dezen gaat. Vrijgesteld voor de toepassing van het tarief is dus het genoten aandeel in de winst van de beide dochtermaatschappijen ad f. 450.000,verminderd met de financieringskosten ad f. 81.136,. Het gelijk is dus aan de zijde van de Inspecteur. Het beroep moet worden verworpen.

5. Beslissing:

De Raad verwerpt het beroep.

mrs. Warnink, Moltmaker en Ilsink