Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1994:BU4890

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
27-04-1994
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
1993-040
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belasting / Artikel 6 LWB / Belastingjaar 1989

Niet zakelijk om geen rente te bedingen op een lening aan een dochtervennootschap. Geen informeel kapitaal. Rente (10%) is belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 27 april 1994, nr. 1993-040

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding:

1.1. Aan NV X werd een navorderingsaanslag winstbelasting 1989, gedagtekend 26 maart 1993, art. 121, opgelegd, vermeldende een belastingbedrag van Afl. 61.910,35. Bij beroepschrift, bij de Raad ingekomen op 25 mei 1993, heeft NV X tegen deze aanslag beroep ingesteld.

1.2. Het vertoogschrift van de Inspecteur is bij de Raad ingekomen op 22 juli 1993. NV X heeft hierop niet meer gereageerd.

1.3. Wel is bij de Raad ingekomen een brief van mr.( ) d.d. 18 oktober 1993 houdende een nadere toelichting op het beroepschrift tegen de beschikking op het bezwaarschrift inzake de aanslag de winstbelasting 1988. Dit betreft eenzelfde geschil als voor het jaar 1989. Bij brief van 3 november 1993 heeft de Inspecteur de Raad verzocht de behandeling van die zaak aan te houden tot na de beslissing in de onderhavige zaak.

1.4. Ter zitting van de Raad op 23 november 1993 heeft de Inspecteur zijn standpunt nader toegelicht aan de hand van een pleitnota. NV X is niet verschenen, evenmin als haar gemachtigde.

2. Vaststaande feiten:

2.1. NV X exploiteert via een aantal dochtermaatschappijen hotels op Aruba. Daarnaast heeft zij een deelneming van 81 % in N.V. A. NV A is op 17 augustus 1983 voor de duur van 7 jaar aangemerkt als een bedrijf in de zin van de landsverordening ter bevordering industrievestiging en hotelbouw 1953.

2.2. NV A is een goed florerende onderneming die in staat is jaarlijks een behoorlijk dividend uit te keren. Uit de jaarstukken van NV X en NV A blijkt, dat in 1988 een bedrag van

US$ 549.889,96 aan te vorderen dividend is geboekt als een renteloze lening. Het verslag aan de aandeelhouders over 1989 vermeldt dienaangaande:

"Loans US$ 438,779

The company was granted a non interest bearing loan of US$ 549,890 by A N.V. This loan can be repaid at any time without penalty and may also be recalled at any time without any notice whatsoever given.

Movements in the loan are as follows US$

Balance at 01-01-1989 549.890

Redemption 1989 (111.111)

Balance at 12-31-1989 438.779

2.3. Nadat aan NV X op 2 mei 1991 ambtshalve een aanslag winstbelasting 1989 over een belastbare winst van Afl. 100.000 was opgelegd, heeft NV X op 1 augustus 1991 aangifte gedaan van een belastbare winst van Afl. 161.600.

Bij dit laatste bedrag heeft de Inspecteur een bedrag van Afl. 98.428 aan rentegemis van 10 % van voormelde renteloze lening van US$ 549.890 opgeteld en mitsdien een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbare winst van in totaal Afl. 260.000.

3. Geschil:

In geschil is de vraag of de belastbare winst over 1989 van NV X dient te worden verhoogd met voormeld bedrag van Afl. 98.428,-.

4. Standpunt van NV X:

4.1. Volgens NV X moet primair de vraag worden beantwoord of NV A ter zake van haar schuld aan NV X een fictieve rente in aftrek kan brengen.

4.2. NV X stelt, dat het hier een gewone dividendvordering betreft, die nimmer is omgezet in een vordering uit geldlening. Over opeisbare dividendvorderingen pleegt volgens NV X geen rente te worden vergoed.

4.3. Indien voor de winstbepaling van NV A en NV X rekening zou moeten worden gehouden met een fictieve rente, zou daarvoor hetzelfde fiscale regime moeten gelden als wanneer er in werkelijkheid rente was betaald.

4.4. Indien rente zou zijn betaald, zou die rente interest van kapitaal vormen als bedoeld in art. 6, lid 2, letter b, Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (hierna: LWB), waarvoor ingevolge die bepaling geen aftrek als bedrijfsonkosten is toegelaten en waarover bij de crediteur op grond van art. 11, lid 1, LWB geen winstbelasting wordt geheven.

4.5. Ingeval sprake zou zijn van opgenomen gelden als bedoeld in art. 6, lid 2, letter c, LWB, zou ingevolge die bepaling de rente niet aftrekbaar zijn en zou dienovereenkomstig ingevolge art. 11, lid 3, LWB 1940 die rente niet belastbaar zijn bij NV X.

De dividendvordering is volgens NV X niet een in het bedrijfsleven gebruikelijke wijze van voorziening in de behoefte aan gelden bij NV A, als bedoeld in art. 6, lid 2, letter c, slot, LWB.

NV X verwijst nog naar de toelichting en de commentaren op art. 5, lid 2, sub 3 van de Ordonnantie op de vennootschapsbelasting 1925 (Stb. 1925,319) waaraan art. 6, lid 2, letter c, LWB 1940 is ontleend.

5. Standpunt van de Inspecteur:

5.1. Volgens de Inspecteur is hier sprake van een geldlening. Na toepassing van de dividendvrijstelling van art. 11 LWB op het tegoed geschreven dividend, krijgt de dividendvordering de fiscale status van een gewone vordering.

Van een informele kapitaalstorting is geen sprake. De (fictieve) rente kan niet worden aangemerkt als interest van eigen kapitaal in de zin van art. 6, lid 2, letter b, LWB.

5.2. Transacties tussen gelieerde partijen als NV X en NV A moeten "at armls length" geschieden. Dit betekent, dat op een verstrekte lening rente in rekening moet worden gebracht. Wordt geen rente bedongen dan moet bij NV X het belastbare bedrag worden verhoogd.

5.3. Het enkele feit van de moeder-dochter-verhouding betekent nog niet, dat de rente niet aftrekbaar is bij de debiteur en onbelast bij de crediteur. Art. 6, lid 2, letter c, LWB stelt als additionele voorwaarde, dat er sprake is van ongebruikelijke financiering. Slechts het feit dat i.c. geen rente wordt betaald is ongebruikelijk; de lening zelf is niet ongebruikelijk. NV A heeft een uitstekende financiële positie, zodat iedere derde bereid zou zijn haar geld te verstrekken (tegen een behoorlijke rente).

5.4. De Inspecteur vermeldt nog als vermoedelijke reden voor het niet direct uitbetalen van gedeclareerde dividenden het feit, dat NV A een tax-holiday status heeft, zodat het beleggen van deze dividenden via NV A kennelijk fiscale voordelen heeft boven het beleggen door NV X zelf.

6. Overwegingen omtrent het geschil:

6.1. De Raad is met de Inspecteur van oordeel, dat indien het hier niet de moedermaatschappij van NV A betrof, maar een willekeurige kleine aandeelhouder, het niet gebruikelijk zou zijn om de gedeclareerde dividenden anders dan voor een betrekkelijk korte periode niet op de eisen maar als renteloze vordering op NV A te laten bestaan.

6.2. Ook is de Raad met de Inspecteur van oordeel, dat het hier een vordering op NV A betreft en geen informeel kapitaal, zodat van (fictieve) interest op eigen kapitaal in de zin van art. 6, lid 2, letter b, LWB geen sprake kan zijn.

6.3. In het midden kan blijven wat de oorzaak van de vordering is. De oorzaak: gedeclareerd en niet opgeëist dividend, dan wel geldlening, is niet van belang. In beide gevallen zou bij een zakelijke verhouding tussen de vennootschappen een normale rente zijn bedongen en betaald.

In beginsel zal derhalve een fictief bedrag aan rente (door de Inspecteur gesteld op 10 %, wat door NV X niet is bestreden) door NV A in aftrek kunnen worden gebracht op haar winst en door NV X als winst moeten worden verantwoord (vgl. HR 31 mei 1978, BNB 1978/252).

6.4. De Raad is voorts van oordeel, dat op de aftrek resp. belastbaarheid van deze fictieve rente de bepalingen van de LWB moeten worden toegepast, als ware het werkelijk betaalde rente, zodat de aftrekbaarheid bij NV A moet worden getoetst aan art. 6, lid 2, letter c, LWB en de belastbaarheid bij NV X vervolgens (zo nodig) aan art. 11, lid 3, LWB.

In het bijzonder is in het onderhavige geval van belang de vraag of kan worden gezegd, dat de vordering in overeenstemming is met de in het bedrijfsleven gebruikelijke wijze van voorziening aan gelden van NV A. ,

6.5. Voor de beantwoording van deze vraag is naar het oordeel van de Raad de financieringsstructuur van NV A en met name de vraag of NV A al dan niet behoefte heeft aan vreemd vermogen niet van doorslaggevende betekenis. Gelet op de strekking van art. 6, lid 2, letter c, LWB is beslissend of de vordering, gelet op de voorwaarden ervan en de overige omstandigheden, in wezen kapitaal vormt van NV A, d.w.z. dat indien rente zou zijn betaald, die rente als een uitdeling zou moeten zijn aangemerkt. Voor de beantwoording van deze vraag neemt de Raad de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake art. 13 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 tot richtsnoer.

6.6. Zoals de HR overweegt in zijn arrest van 27 januari 1988, BNB 1988/217, dient voor de vraag of een geldverstrekking door een moedervennootschap aan haar dochtervennootschap als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, als regel een formeel criterium worden aangelegd, zodat in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend is voor de fiscale gevolgen. In het arrest wordt een drietal uitzonderingen vermeld, t.w.

a. indien alleen naar de schijn sprake is van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen;

b. indien de lening is verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar of

c. indien bij het verstrekken van de lening reeds aanstonds duidelijk is, dat in verband met de financiële positie van de schuldenaar het ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald.

6.7. Aangezien niet gesteld of gebleken is, dat zich in het onderhavige geval van deze uitzonderingen voordoet, is aan de vereisten van art. 6, lid 2, letter c, LWB niet voldaan, zodat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

7. Beslissing:

De Raad verwerpt het beroep.

mrs. Warnink, Moltmaker en Ilsink