Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1994:BU4879

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
27-04-1994
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
1993-036
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Artikel 4 LIB / Belastingjaar 1990

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking van 27 april 1994, nr. 1993-036

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Sint Maarten,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding

1.1. Op 17 mei 1993 is bij de Raad ingekomen een beroepsschrift van X tegen de beschikking d.d. 19 maart 1993 van de Inspecteur op het door X ingediende bezwaarschrift tegen de hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting 1990, gedagtekend 20 november 1992.

1.2. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, dat bij de Raad is ingekomen op 11 november 1993.

1.3. Ter zitting van de Raad op 19 november 1993 is verschenen de gemachtigde van X alsmede de Inspecteur. De gemachtigde heeft zijn standpunt toegelicht overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota. De Inspecteur heeft eveneens zijn standpunt toegelicht overeenkomstig het op zijn verzoek als pleitnota aangemerkte vertoogschrift.

2. Vaststaande feiten

2.1. X heeft voor de inkomstenbelasting over het jaar 1990 aangifte gedaan naar een zuiver inkomen van 113.575,98. De Inspecteur heeft een aanslag opgelegd naar een zuiver inkomen van 138.912.

2.2. Van de door de Inspecteur toegepaste correcties is nog slechts van belang een verhoging van de aangegeven huurwaarde eigen woning van 9.600 tot 36.000, t.w. 8% van de waarde van de eigen woning van 450.000,-.

2.3. Dat de waarde van de eigen woning 450.000,- bedraagt is niet in geschil.

3. Geschil

In geschil is of de huurwaarde van de eigen woning moet worden berekend naar 8% over de waarde van de woning, zoals de Inspecteur heeft gedaan, dan wel naar 5%, zoals X verdedigt.

4. Standpunt van NV X

4.1. X acht het zeer twijfelachtig of een (fictief) rendement van 8% zou kunnen worden gehaald bij gebreke van een georganiseerde kapitaalmarkt en gelet op de gemiddelde rente die op de geldmarkt wordt aangeboden en op het rentepercentage op de vreemde-valutamarkt. X verwijst daarbij naar door hem overgelegdecijfers van de Centrale Bank en voor wat betreft vreemd geld naar cijfers van Bank A.

5. Standpunt van de Inspecteur

5.1. Volgens de Inspecteur wordt door de belastingdienst standaard een percentage van 8 gehanteerd, zulks overeenkomstig het bepaalde in art. 10 tweede lid van de Gebruiksbelastingverordening 1908. Gelet op de hoge huren acht de Inspecteur dit percentage geenszins te hoog.

5.2. De Inspecteur ontkent, dat men onvoldoende mogelijkheden zou hebben geld op de kapitaalmarkt rentegevend te beleggen. De geldmarkt vormt geen goede maatstaf. Hij wijst er in dit verband op, dat in de door X overgelegde cijfers van de Centrale Bank - welke overigens betrekking hebben op 1993 - onder het hoofd "Interest rates" , onderdeel VI: Government bonds, effective yield (5 years) een rentepercentage wordt genoemd van 7,88 sinds 22-6-1993 en voor het daaraan voorafgaande jaar 8,63.

5.3. De Inspecteur wijst er voor zoveel nodig op, dat in verband met de sterke stijging van de huur- en verkoopprijzen de huurwaarde een onevenredig groot deel van het inkomen in beslag kan nemen. Met het oog hierop is door de inspectie een regeling ontworpen waarbij de huurwaarde gebonden wordt aan een maximum van 30% van het inkomen. Voorts merkt hij op, dat bij een aanschrijving van de Directeur der Belastingen d.d. 5 mei 1992 is goedgekeurd, dat vanaf het belastingjaar 1992 de huurwaardebijtelling wordt gesteld op 8% van 60% van de waarde in het economisch verkeer, verminderd met de kosten.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. In de door X genoemde beschikking van 29 november 1991, heeft de Raad overwogen: ".......kan ervan worden uitgegaan dat een eigenaar die het woonhuis zou verhuren, naast een vergoeding voor kosten van onderhoud en dergelijke tevens een vergoeding zal trachten te bedingen voor de rente welke hij derft over het in het woonhuis geïnvesteerde vermogen". In dat geval werd het door de Inspecteur gehanteerde rentepercentage van 8 overigens door de X niet bestreden, zodat de Raad van dat percentage uitging.

6.2. Het overwogene in vorenstaand citaat tot de conclusie, dat het voor de vaststelling van de huurwaarde te hanteren rentepercentage veelal hoger zal liggen dan de rente op het geïnvesteerd vermogen. In verband hiermee en tevens gelet op hetgeen door de Inspecteur is gesteld, acht de Raad het door X verdedigde percentage van 5 te laag en komt het door de Inspecteur gehanteerde percentage van 8 de Raad aannemelijk voor. Het beroep van X dient derhalve te worden verworpen.

7. Beslissing

De Raad verwerpt het beroep.

mrs. H. Warnink, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink