Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1994:BU4849

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
27-04-1994
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
1993-024a
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Belastingjaar 1982

De aanslag is onjuist geadresseerd. Aangezien belastingplichtige zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was tegen de aanslag in bezwaar kwam, moet hij daarin ontvankelijk worden geacht.

De inkomstenbelasting wordt geheven over het aandeel in de winst van de vennootschap onder firma. Welk gedeelte hij daarvan feitelijk als salaris heeft opgenomen en welk gedeelte hij in het bedrijf opnieuw heeft geïnvesteerd, is niet van belang.

Aangezien geen aangifte is gedaan en aan de Raad de onjuistheid van de aanslag, zoals deze ambtshalve is verminderd, niet is gebleken, dient de aanslag te worden gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 27 april 1994, nr. 1993-024a

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Bonaire,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van der geding

1.1. Op 28 december 1987 werd aan X bij gebreke van een door hem gedane aangifte ambtshalve een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting 1982 naar een zuiver inkomen van 57.198,=. Op 6 augustus 1992 diende hij een bezwaarschrift tegen die aanslag in. Bij beschikking van 20 februari 1993 verklaarde de Inspecteur X niet ontvankelijk in zijn bezwaar en handhaafde de aanslag.

1.2. Bij beroepsschrift, ingekomen bij de Raad op 11 maart 1993, heeft X ingesteld tegen de voormelde beschikking van de Inspecteur op het bezwaarschrift.

1.3. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, bij de Raad ingekomen op 9 juli 1993. Op 20 augustus 1993 is bij de Raad een verweerschrift van X ingekomen.

1.4. Ter zitting van de Raad op 22 november 1993 zijn verschenen X, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigde van X door voorlezing van het verweerschrift, hetwelk de Inspecteur stelt nimmer te hebben ontvangen en met goedvinden van partijen daarom als een pleitnota wordt beschouwd.

2. Vaststaande feiten

2.1. X dreef in de jaren 1981 en 1982 samen met Y een vennootschap onder firma. Een door de Inspecteur overgelegde resultatenrekening van die vennootschap vermeldt als winstaandeel van appellant een bedrag van 49.841,-.

2.2. De Inspecteur heeft dit bedrag aan de aanslag ten grondslag gelegd, vermeerderd met een bedrag van 7.348,- aan uit de onderneming ontvangen loon, verminderd met een kostenaftrek van 3% en premie AOV/AWW.

2.3. Tevens is door de Inspecteur overgelegd een aan de Inspectie gerichte brief d.d. 8 februari 1984 van M met de mededeling dat X en Y hun onderneming hebben omgezet in een NV conform de bij brief overgelegde kopie van de oprichtingsakte d.d. 30 augustus 1983 van de naamloze vennootschap C. Bij deze brief wordt tevens goedkeuring verzocht voor de geruisloze overgang per 1 januari 1983 van de vennootschap onder firma naar de N.V. In de brief is nog vermeld, dat uit de rekening-courant tegoeden per 1 januari 1983 voor X nog een bedrag van 26.480,- aan inkomstenbelasting over de jaren 1979 tot en met 1982 moet worden betaald.

3. Geschil

Het geschil betreft de vraag of de Inspecteur X terecht niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar en voorts de vraag of de Inspecteur de aanslag zoals deze luidt na de vermindering bij de ambtshalve gegeven beschikking op het bezwaarschrift niet te hoog heeft vastgesteld.

4. Standpunt van X

4.1. X stelt, dat hij nimmer een aanslag over het jaar 1982 heeft ontvangen en dat hij van het bestaan van die aanslag pas op de hoogte kwam doordat hij in juli 1992 van de ontvanger een ongedateerde vorderingsstaat ontving. Zijn bezwaarschrift was dus geenszins te laat, zodat de Inspecteur hem ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard.

4.2. Voorts stelt X, dat hij in 1982 geen inkomen heeft genoten ter hoogte van het door de Inspecteur vastgestelde bedrag. Hij erkent, dat hij in 1976 met de heer Y een vennootschap op firma heeft opgericht, dat hij daaruit in 1982 een salaris ontving van 1.000,- per maand, dat er nimmer winstuitkeringen plaatsvonden, daar de winst steeds in het bedrijf werd geïnvesteerd met het oog op de vergroting van de financiële draagkracht en de bedrijfsvoorraad. Naar zijn mening kan de fiscus niet meer belasten dan hij aan salaris genoot, t.w. 12.000,- per jaar.

5. Standpunt van de Inspecteur

5.1. Naar de mening van de Inspecteur heeft X de niet-ontvankelijkheid van zijn bezwaarschrift onvoldoende bestreden, zodat het materiële geschil niet aan de orde komt.

5.2. Voor zoveel nodig merkt hij op, dat X geen aangifte heeft gedaan en dat bij de beschikking op het bezwaarschrift is uitgegaan van het winstaandeel van X, vermeerderd met een bedrag aan uit de onderneming ontvangen loon.

5.3. Naar de Inspecteur meent, is X niet concreet ingegaan op de gegevens op basis waarvan de Inspecteur de aanslag heeft vastgesteld.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Blijkens de bij het vertoogschrift gevoegde resultatennota van de aanslag is deze aan X geadresseerd "P/a Radiodienst". Ter zitting heeft X onweersproken gesteld dat hij vanaf medio 1981 tot 1990 niet bij de Landsradio werkte. De aanslag is dus onjuist geadresseerd. Aannemelijk is dan ook dat X eerst kennis kreeg van de aanslag toen hij in juli 1992 daarvan op de hoogte werd gesteld. Aangezien X vervolgens zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was tegen de aanslag in bezwaar kwam, moet hij daarin ontvankelijk worden geacht. De beschikking op het bezwaarschrift moet dus worden vernietigd.

6.2. De gegevens die de Inspecteur aan de aanslag, zoals bij zijn ambtshalve gegeven beschikking op het bezwaarschrift verminderd, ten grondslag heeft gelegd, zijn door X onvoldoende weersproken.

6.3. De inkomstenbelasting wordt geheven over de aandeel van X in de winst van de vennootschap onder firma. Welk gedeelte hij daarvan feitelijk als salaris heeft opgenomen en welk gedeelte hij in het bedrijf opnieuw heeft geïnvesteerd, is niet van belang.

6.4. Aangezien X geen aangifte heeft gedaan en aan de Raad de onjuistheid van de aanslag, zoals deze ambtshalve is verminderd, niet is gebleken, dient de aanslag te worden gehandhaafd.

7. Beslissing

De Raad vernietigt de beschikking waarvan beroep. Handhaaft de aanslag.

H. Warnink, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink