Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1993:BU4841

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
21-10-1993
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
1992-058a
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Artikel 4 jo 5 LIB / Belastingjaar 1980

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 21 oktober 1993, nr. 1992-058a

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Procesverloop

1.1. Aan X werd een aanslag inkomstenbelasting voor het belastingjaar 1980 opgelegd, naar een belastbaar inkomen van 45.653,=, met een na verrekening van de loonbelasting nog aan belasting te betalen bedrag van 7.295,65. Op het door X ingediende bezwaarschrift werd door de Inspecteur bij beschikking, verzonden op 13 september 1991, afwijzend beschikt. Tegen deze beschikking kwam X in beroep bij beroepsschrift, bij de Raad ingekomen op 13 november 1991.

1.2. Bij brief van 4 maart 1992 berichtte X de Raad, dat hij alsnog tot een akkoord was gekomen met de Inspecteur en zijn beroepsschrift wenste in te trekken.

1.3. Bij beschikking, verzonden op 1 juli 1992, verminderde de Inspecteur ambtshalve de aanslag tot een belastingbedrag berekend naar een belastbaar inkomen van 33.053,= met een na verrekening van de loonbelasting nog te betalen bedrag aan belasting van 1.993,15.

1.4. Bij beroepsschrift bij de Raad ingekomen op 16 september 1992 heeft X tegen vermelde beschikkingen beroep ingesteld.

1.5. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, gedagtekend 23 november 1992, waarop X heeft gereageerd met een verweerschrift, gedagtekend 29 januari 1993 en een nader verweerschrift, gedagtekend 25 februari 1993, met als bijlage een beslag-exploot.

1.6. Ter zitting van de Raad op 11 mei 1993 zijn verschenen X, vergezeld van B, alsmede de Inspecteur.

1.7. Bij brief bij de Raad ingekomen op 11 juni 1993 heeft X nog enkele mededelingen gedaan en enkele stukken opgezonden betreffende de belastingjaren 1985 en 1986.

2. Vaststaande feiten

2.1. Het door X over het jaar 1980 aangegeven inkomen is door de Inspecteur onder meer gecorrigeerd met een bedrag wegens huurwaarde eigen woning van 8% van de leggerwaarde voor de grondbelasting of 9.000,= (met aftrek van kosten en eigen gebruik), alsmede met een bedrag van 12.600,= wegens huuropbrengst van het pand Z.

2.2. Bij brief van 16 mei 1991 heeft de Inspecteur X een overzicht doen toekomen van de voor de jaren 1983 tot en met 1986 gemaakte correcties, mede omvattend correcties als bedoeld onder 2.1.

2.3. Bij brief van 3 februari 1992 heeft de Inspecteur X een overzicht doen toekomen van de belastbare inkomens van X over de jaren 1980 tot en met 1986, zoals die inkomens zouden luiden zonder en met de aangegeven huur van het pand Z en de door de Inspecteur daarin aangebrachte correcties.

2.4. Bij brief van 12 februari 1992 heeft de Inspecteur X een overzicht doen toekomen van de belastbare inkomens over de jaren 1980 tot en met 1986, zoals door de Inspecteur vastgesteld, telkens verminderd met 4.200,= t.w, het verschil tussen de door de Inspecteur op 9.000,= vastgestelde huurwaarde van de eigen woning en het bedrag van 4.800,=, waarop die huurwaarde volgens X zou moeten worden vastgesteld.

3. Geschil

In geschil is of X ondanks de intrekking van zijn beroepsschrift bij brief 4 maart 1992 alsnog ontvankelijk is in zijn beroep en zo ja, of de Inspecteur de huurwaarde van de eigen woning van X niet te hoog heeft vastgesteld.

4. Standpunten van partijen

4.1. Volgens de Inspecteur hebben partijen tussen 12 februari 1992 en 4 maart 1992 met betrekking tot de jaren 1980 tot en met 1986 een compromis gesloten, krachtens hetwelk X de door de Inspecteur op 9.000,= vastgestelde huurwaarde van de eigen woning zou accepteren en de Inspecteur voor wat betreft de huur van het pand Z de aangifte zou volgen. Ter uitvoering daarvan heeft X bij brief van 4 maart 1992 zijn beroep ingetrokken en heeft de Inspecteur de verminderingsbeschikking, bedoeld onder 1.3. genomen. De Inspecteur is daarom van mening, dat X niet ontvankelijk is in zijn beroep. Voor het geval de Raad daarover anders mocht oordelen is de Inspecteur van mening, dat de huurwaarde van de eigen woning van X niet te hoog is vastgesteld en hetgeen X daar tegen heeft aangevoerd onvoldoende is om aannemelijk te maken dat de huurwaarde lager is.

4.2. X stelt, dat hij de strekking van de ter Inspectie gevoerde gesprekken onvoldoende heeft begrepen. Hij zou de brief van 4 maart 1992 hebben geschreven in de veronderstelling dat hij niet langer door de Ontvanger zou worden lastig gevallen, met name dat het beslag op zijn woning zou worden opgeheven. In zoverre zou hij bedoeld hebben al zijn rechten voor te behouden. In zijn beroepsschrift, bij de Raad ingekomen op 16 september 1992, welk beroepsschrift gelijkluidend is aan het eerdere, op 13 november 1991 ingekomen beroepsschrift, stelt X nog, dat het in strijd is met beginselen van behoorlijk bestuur dat in het jaar 1991 nog aangeslagen worden opgelegd over de jaren 1980 tot en met 1986.

5. Beoordeling van het beroep

5.1. De Raad stelt voorop, dat het niet tot zijn bevoegdheid behoort te beoordelen of verminderingen wel tijdig aan de Ontvanger worden doorgegeven en dat de Raad evenmin een oordeel kan geven over het invorderingsbeleid van de Ontvanger.

5.2. Zoals blijkt uit de onder 2 gegeven opsomming van de gevoerde correspondentie, heeft de Inspecteur X in de loop van de procedure uitvoerig ingelicht over de consequenties van de verschillende standpunten. De Raad acht het dan ook aannemelijk dat tussen partijen een compromis is gesloten als door de Inspecteur is vermeld en dat X de strekking daarvan heeft moeten kunnen begrijpen, gelet op het feit, dat hij daarbij slechts op één enkel punt, t.w. de hoogte van de huurwaarde van zijn woning, ongelijk kreeg.

5.3. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat X gebonden is aan zijn mededeling bij brief van 4 maart 1992, dat het beroep is ingetrokken, zodat het beroepsschrift, ingekomen op 16 september 1992 als een nieuw beroepsschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend, is X in dit beroep niet ontvankelijk.

5.4. Ten overvloede merkt de Raad nog op, dat ook al zou X ontvankelijk zijn geweest, zijn beroep niet zou hebben kunnen slagen, aangezien X met betrekking tot het enige nog resterende geschilpunt, t.w. de huurwaarde van de eigen woning, tegenover hetgeen de Inspecteur dienaangaande heeft gesteld onvoldoende heeft aangevoerd om aannemelijk te maken, dat een bedrag van 9.000,= te hoog is.

6. Beslissing

De Raad verklaart X niet ontvankelijk in zijn beroep.

mrs. H. Warnink, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink