Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1992:BU4664

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
13-05-1992
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
1990-059
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Artikel 51 LIB / Belastingjaar 1982

Indien geen aangifte is ingediend, bedraagt de termijn waarbinnen de inspecteur een aanslag kan opleggen 10 jaar na afloop van het belastingjaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 13 mei 1992, nr. 1990-059

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding

1.1. Aan X is voor het jaar 1982 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, berekend naar een zuiver inkomen van f 109.317,= met kinderaf¬trek van f 500, , gedagtekend 23 januari 1987.

1.2. X heeft tegen deze aanslag tijdig een bezwaarschrift ingediend. Bij de beschikking op het bezwaarschrift is X ten onrechte in zijn bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Het voor X bestemde afschrift van die beschikking is op 16 januari 1990 ter post bezorgd .

1.3. Bij brief van 30 april 1990, welke op 25 juni 1990 op de griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg is ontvangen, heeft X bij de Raad tegen deze beschikking beroep ingesteld.

1.4. Het beroepsschrift strekt tot vernietiging van de beschikkingen naar de Raad begrijpt tot vermindering van de aanslag tot een naar een zuiver inkomen van f 49.317, met kinderaftrek van f 500, .

1.5. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert daarin primair tot niet ontvankelijkverklaren van X in zijn beroep en subsidiair tot vernietiging van de bestreden beschikking in handhaving van de bestreden aanslag.

1.6. X heeft een verweerschrift ingediend. Ter aanvulling daarvan heeft X daarna nog enkele stukken ingezonden.

1.7. De Inspecteur heeft een repliekschrift ingediend.

1.8. X heeft daarna nog een geschrift ingediend; een afschrift daarvan is gezonden aan de Inspecteur.

1.9. De zaak is behandeld op de zitting van de Raad van 27 november 1991. Op deze zitting zijn beide partijen verschenen. X heeft ter zitting enkele stukken overgelegd. De Inspecteur, die in staat is ge¬steld daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten, heeft haar pleitnotities overlegd.

1.10. X is in staat gesteld binnen 1 maand na afloop van de zitting aan te tonen wanneer het beroepsschrift is verzonden. X heeft daarop een bewijs ingezonden van ter postbezorging van een aan de Raad gericht stuk d.d. 3 mei 1990. Daarna heeft X ongevraagd nog een stuk ingezonden. De Raad laat dat stuk buiten behandeling.

2. Ontvankelijkheid van het beroep.

Het voor X bestemde afschrift van de beschikking op het bezwaarschrift is op 16 januari 1990 ter post bezorgd. X woonde in die periode in M. De termijn voor het instellen van beroep tegen deze beschikking bedroeg daarom, gelet op artikel 47, lid 1 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna:LIB '43) gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2 van de Eilandsverordening van 20 september 1985 (Afkondigingsblad 1985 no. 30), 4 maanden. Het beroepsschrift is eerst op 25 juni 1990 en dus na afloop van die termijn ter griffie ontvangen. Het is algemeen bekend dat het postverkeer tussen A en M regelmatig ernstig wordt vertraagd. De Raad hecht daarom geloof aan de verklaring van X dat hij het afschrift aan de beschikking eerst op 6 april 1990 heeft ontvangen. X heeft aangetoond dat het beroepsschrift op 3 mei 1990 ter post is bezorgd. Uit een en ander volgt dat de overschrijding van de beroepstermijn mede is te wijten aan vertragingen in het postverkeer tussen beide eilanden. Deze niet voor rekening van X komende oorzaken van de overschrijding van de beroepstermijn vormen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5, lid 4 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940. Het beroep is daarom ondanks de termijnoverschrijding ontvankelijk.

3. Vaststaande feiten.

3.1. X was in 1982 werkzaam in loondienst. Zijn inkomsten uit dienstbetrekking bedroegen in 1982 f. 49.317, . Op deze inkomsten is loonbelasting ingehouden.

3.2. X is op 9 november 1983 aangehouden in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Bij zijn aanhouding heeft X onder andere verklaard dat hij beschikte over een gehuurd vliegtuig waarmee hij tegen betaling passagiers vervoerde. Tijdens dat onderzoek is in het huis van X een groot bedrag aan geld aangetroffen. Ter verantwoording van dat bedrag heeft X toen verklaard dat hij in een periode van 4 jaren f 60.000, per jaar had genoten aan inkomsten uit vliegen en in totaal f 90.000, aan inkomsten uit het "vliegen" van vliegtuigen. De Officier van Justitie heeft een en ander bij brief van 10 februari 1984 aan de Inspecteur meegedeeld.

3.3. De aanslag is gebaseerd op een zuiver inkomen van f 109.317, bestaande uit f 49.317, aan inkomsten uit dienstbetrekking en f 60.000 aan inkomsten uit bijverdiensten als bedoeld onder 3.2.

4. Geschil

In geschil is in de eerste plaats of aan X in 1987 nog een aanslag over 1982 kon worden opgelegd. Indien dat het geval is, is in geschil de juistheid van het zuiver inkomen waarnaar de aanslag is berekend.

5. Standpunten van partijen.

De Raad verwijst hiervoor naar de gedingstukken en de onder 1.9. genoemde pleitnotities. De Inspecteur heeft onder andere gesteld dat X, hem een aangiftebiljet had toegezonden, niet aan zijn aangifteplicht heeft voldaan en dat de aanslag daarom gelet op artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 moet worden gehandhaafd. X heeft dit ter zitting bestreden. X heeft daarbij erkend dat hij voor het onderhavige jaar geen aangifte heeft gedaan. Hij heeft echter gemotiveerd ontkend dat hem voor dat jaar een aangiftebiljet is toegezonden.

6. Beoordeling van het geschil.

6.1. De LIB'43 noemt geen termijn waarbinnen een primitieve aanslag moet worden opgelegd. Niettemin komt er, zoals de Raad bij beschikking van 23 november 1990 nr. 9/90 heeft overwogen, te eniger tijd na afloop van het belastingjaar een moment waarop de Inspecteur het recht om een primitieve aanslag op te leggen heeft verwerkt. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt mee dat een belastingplichtige niet bij voortduring in het onzekere blijft verkeren omtrent zijn verplichtingen jegens de overheid.

6.2. Mede in aanmerking nemend dat ondernemers ingevolge artikel 4 van het Wetboek van Koophandel van de Nederlandse Antillen de daar bedoelde boeken en bescheiden tien jaren moeten bewaren bij welke verplichting in de artikelen 37, lid 3 en 44, lid 4 van de LIB'43 wordt aangeknoopt en dat artikel 17, lid 6 van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 (hierna: LWB'40) een bewaarplicht voor een zelfde periode kent, is de Raad van oordeel dat het in het algemeen in strijd moet worden geacht met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met name met het rechtszekerheidsbeginsel indien een primitieve aanslag wordt opgelegd nadat er na afloop van het belastingjaar tien jaren zijn verstreken.

6.3. De omstandigheden van het geval kunnen ertoe leiden, dat de onder 6.2. genoemde termijn op minder dan tien jaren moet worden gesteld. Dit doet zich in het bijzonder voor in de gevallen waarin door de belastingplichtige overeenkomstig de wet aangifte is gedaan. Zoals bij de onder 6.1. genoemde beschikking is overwogen, zal in dergelijke gevallen de termijn behoudens bijzondere omstandigheden moeten worden gesteld op ten hoogste vijf jaren nadat de aangifte is ingediend. Na het verstrijken van die termijn kan worden gezegd, dat de Inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat hij heeft besloten geen, aanslag op te leggen.

6.4. Het niet inachtneming van deze termijn door de Inspecteur heeft evenwel niet tot gevolg, dat na het verstrijken ervan de opgelegde voorlopige aanslagen zonder meer moeten worden vernietigd of ingehouden loonbelasting zonder meer moet worden terugbetaald veelal zal uit het verstrijken van de termijn kunnen worden afgeleid dat de Inspecteur in verband met de reeds vastgestelde voorlopige aanslag of de reeds ingehouden loonbelasting heeft besloten een definitieve aanslag inkomstenbelasting op te leggen (LIB'43, artikel 41B, lid 2), of als het de winstbelasting betreft heeft besloten een definitieve aanslag op te leggen gelijk aan de voorlopige aanslag (LWB'40, artikel 29).

6.5. In het onderhavige geval is door X geen afgifte gedaan. Het geschil betreft een aanslag over het jaar 1982, gedagtekend 23 januari 1987, mitsdien binnen de onder 6.2 genoemde termijn van tien jaren. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die verkorting van deze termijn als door X bepleit, rechtvaardigen. De aanslag is mitsdien tijdig opgelegd.

6.6. X heeft nog aangevoerd dat het zuiver inkomen te hoog is gesteld. De aanslag is gebaseerd op de niet in geschil zijnde inkomsten uit loondienst van f 49.317, en de door X in zijn onder 3.2. bedoelde verklaring opgegeven neveninkomsten. Gesteld noch gebleken is dat X die verklaring anders dan in vrijheid heeft afgelegd. Het was daarom aan X om de juistheid van die verklaring aannemelijk te maken. X is daar niet in geslaagd, zodat de aanslag reeds om die reden moet worden gehandhaafd. De stelling van de Inspecteur dat de aanslag moet worden gehandhaafd omdat X niet aan zijn aangifteplicht heeft voldaan blijft derhalve buiten behandeling.

7. Beslissing.

De Raad VERNIETIGT de uitspraak waarvan beroep;

HANDHAAFT de aan X opgelegde aanslag.

mrs. E.J.Numann, J.W. Ilsink en J.W. van den Berge