Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1990:BU4660

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
23-11-1990
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
1990/024
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting / Artikel 16 lid 4 LLB jº art. 44 lid 4 LIB / Belastingjaar 1988

In geschil is of de door de N.V. gedane winstuitkeringen op grond van artikel 14 van de Landsverordening ter bevordering industrievestiging en hotelbouw 1953 zijn vrijgesteld van loonbelasting.

Het niet voldoen aan de door de wetgever opgelegde inlichtingenplicht kan tot gevolg hebben dat de aanslag waar tegen in beroep is gekomen wordt gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 23 november 1990, nr. 1990/024

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba,

inzake:

belanghebbende

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1. Loop van het geding:

1.1. Bij beschikking van 1 december 1988 heeft de Inspecteur de aan de N.V. over het tijdvak 1980 tot en met 1984 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting verminderd tot f. 342.566,- aan belasting.

1.2. Tegen deze beschikking heeft gemachtigde namens de N.V. beroep ingesteld bij de Raad.

Het beroepschrift is op 31 januari 1989, mitsdien tijdig, bij de Raad ingekomen. Het beroepschrift is aangevuld bij brief met bijlagen van 30 oktober 1989.

Het beroep strekt, naar de Raad uit de stukken opmaakt, tot vernietiging van de beschikking en vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van f 177.976,--.

1.3. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en heeft daarbij, onder overlegging van een aantal produkties, geconcludeerd tot bevestiging van de beschikking.

1.4. Bij de mondelinge behandeling van de zaak op 3 mei 1990 zijn verschenen de voornoemde gemachtigde alsmede de Inspecteur. Partijen hebben hun standpunt nader toegelicht en een pleitnota overgelegd. De Inspecteur ter zitting nog een produktie overgelegd.

2. Vaststaande feiten:

2.1. In 1966 werd opgericht de naamloze vennootschap NV X, gevestigd op Aruba. De vennootschap had tot doel het drijven van een hotelresort op Aruba en het deelnemen in andere ondernemingen van gelijke of aanverwante aard. In 1983 werd de naam van de vennootschap gewijzigd.

De naamloze vennootschap wordt door partijen in de stukken aangeduid als Hotel D.

Met deze benamingen is, naar partijen ter zitting van 30 mei 1990 eenstemmig hebben verklaard, steeds bedoeld de naamloze vennootschap. De vennootschap wordt hierna aangeduid als "de N.V.".

2.2. Gedurende de jaren 1980 tot en met 1984 is C bij de N.V. in dienstbetrekking werkzaam geweest. C heeft achtereenvolgens de functies vervuld van general manager, assistent vice-president. Het door C als zodanig genoten salaris steeg van f 43.413,- in 1980 tot f 71.119,- in 1984. C bezat voorts aandelen in de N.V..

2.3. Een verklaring van W afgelegd op 28 november 1988 houdt onder andere in:

1. I am Chairman of the Board, President, and Chief Executive Officer of D Hotels N.V. formerly N.V.().

2. () during the past 20 years, up to and including the corporatie fiscal year ending April 30, 1988, it has been the policy of D Hotels to recognize and reward officers of the company who have contributed to the growth of the company, not only by performing the services as officers of the company, but also by becoming shareholders of the company thereby contributing to the capital resources needed by the company for its growth and development.

3. () by reason of the foregoing, the company established a policy of distributing a share of the company profits, above and beyond the regular shareholder dividend, to ( Mr.) C () by providing that Mr. C would receive a payment of 3 % of the net profit of the company () each year during the period of time that (he) occupied the position of officer and shareholder.()."

2.4. Gedurende de jaren 1980 tot en met 1984 heeft C ingevolge het in de onder 2.3. bedoelde verklaring in totaal f 305.997,- aan, winstuitkeringen van de N.V. ontvangen.

In de jaarstukken en de aangiften voor de winstbelasting zijn deze winstuitkeringen als loonkosten ten laste van de winst gebracht.

2.5. Aan de N.V. is een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd voor de periode 1990 tot en met 1994 van f 622.811,-. Deze naheffingsaanslag is na bezwaar verminderd tot f 342.566.-. Van dit laatste bedrag heeft f 164.690,- betrekking op de onder 2.4. bedoelde winstuitkeringen aan C.

2.6. In de bezwaarfase heeft de Inspecteur aan de N.V. verzocht het arbeidscontract van C over te leggen. De N.V. heeft aan dat verzoek niet voldaan.

3. Geschil:

In geschil is of de door de N.V. in de jaren 1980 tot en met 1984 gedane winstuitkeringen ad in totaal f 305.987,- op grond van artikel 14 van de Landsverordening ter bevordering industrievestiging en hotelbouw 1953 zijn vrijgesteld van loonbelasting.

4. Standpunten van partijen:

4.I. De Inspecteur stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de naheffingsaanslag gelet op artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 moet worden gehandhaafd omdat de N.V. heeft geweigerd het arbeidscontract van C ter inzage te verstrekken. De Inspecteur ontkent voorts dat de winstuitkeringen aan C kunnen worden aangemerkt als dividenden en andere winstuitkeringen aan aandeelhouders en houders van andere op een deel van de winstrecht gevende bewijzen als bedoeld in artikel 14 van de Landsverordening ter bevordering van de industrievestiging en hotelbouw 1953.

4.2. De N.V. heeft aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst met C mondeling werd aangegaan en niet werd neergelegd in een schriftelijk contract.

De N.V. stelt zich op het standpunt dat de winstuitkeringen aan C niet zijn onderworpen aan de inhouding van loonbelasting omdat C de uitkeringen heeft genoten als aandeelhouder van de N.V., dan wel als geldschieter.

5. Beoordeling van het geschil:

5.I. Artikel 14 van de Landsverordening ter bevordering industrievestiging en hotelbouw 1953 geeft, kort samengevat, een vrijstelling van inkomstenbelasting voor dividenden en andere winstuitkeringen aan aandeelhouders en houders van andere op een deel van de winstrecht gevende bewijzen, welke afkomstig zijn van bedrijven en winsten, welke van winstbelasting zijn vrijgesteld. Het is aan de N.V., die zich op deze vrijstelling beroept, om aannemelijk te maken dat de onder 2.4. bedoelde winstuitkeringen aan C als winstuitkeringen in de zin van die vrijstelling kunnen worden beschouwd. De N.V. is daarin niet geslaagd. De onder 2.3. geciteerde verklaring van W is daartoe onvoldoende, terwijl voorts met het beroep op de vrijstelling niet te verenigen is dat deze uitkeringen in de jaarstukken en de aangiften voor de winstbelasting van de N.V. als loonkosten ten laste van de winst zijn gebracht.

5.2. Voorts geldt nog het volgende. Vaststaat dat de Inspecteur de N.V. in het kader van de behandeling van het door de N.V. tegen de naheffingsaanslag ingediende bezwaarschrift heeft verzocht het met C gesloten arbeidscontract ter inzage te verstrekken. Aan dit verzoek heeft de N.V. niet voldaan. Gelet op artikel 23, lid 2 van de Landsverordening op de loonbelasting 1976 moet het bezit van een dergelijk stuk worden verondersteld. Het tegendeel is door de N.V. niet aannemelijk gemaakt. Dat, zoals de N.V. stelt, tussen haar en C slechts een mondelinge arbeidsovereenkomst heeft bestaan acht de Raad, gelet op de functies van C en het door hem genoten salaris, niet aannemelijk.

5.3. Door het arbeidscontract met C niet ter inzage te verstrekken heeft de N.V. tevens gehandeld in strijd met de op haar in artikel 16, lid 4 van de Landsverordening juncto artikel 44 lid 4 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 opgelegde inlichtingenplicht. Artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 verbindt daaraan de consequentie dat de naheffingsaanslag zoals deze bij de beschikking op het bezwaarschrift nader is vastgesteld, moet worden bevestigd voor zover niet van de onjuistheid van de naheffingsaanslag blijkt. Het was aan de N.V. dat te doen blijken. Uit hetgeen onder 5.1. is overwogen volgt dat de N.V. daarin niet is geslaagd. De bestreden beschikking zal daarom worden bevestigd.

6. Beslissing:

De Raad bevestigt de beschikking van de inspecteur.

Mrs. T.J.M. Kolfschoten, J.K. Moltmaker en J.W. van den Berge