Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1990:BT1832

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
23-11-1990
Datum publicatie
16-09-2011
Zaaknummer
1990-016 (zie ook 1990-015) (kenmerk 45/1988)
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoerrechten en Accijnzen / 1982-1987 / Aruba

Belasting kan alleen geheven worden van de persoon die de aangegeven goederen heeft ingevoerd en de aangifte heeft verzorgd, ook voor zover op het document een ander als aangever staat vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

23 november 1990

1990-016 (zie ook 1990-015) (kenmerk 45/1988)

1. Loop van het geding

1.1. Voor de loop van het geding tot dusverre ver wijst de Raad naar zijn tussenbeschikkingen van 30 januari 1989 en 12 maart 1990.

1.2. Ter uitvoering van laatstvermelde beschikking heeft de Inspecteur bij brief van 9 april 1990 de in die beschikking bedoelde documenten aan de Raad doen toekomen. Afschriften daarvan zijn aan appellante afgegeven.

1.3. De derde mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van de Raad op 30 mei 1990, gehouden op Aruba. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van appellante, als mede de Inspecteur.

1.4. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

2. Overwegingen omtrent het geschil

2.1. De Raad neemt over hetgeen hij in vorengemelde beschikkingen heeft overwogen.

2.2. Uit de gedingstukken blijkt dat door appellante, dan wel één of meer anderen in de periode van februari 1982 tot en met juli 1997 op zodanig onregelmatige wijze goederen zijn ingevoerd dat door een bedrag van f 255.093,68 aan invoerrechten is ontdoken.

2.3. De invoer geschiedde:

a. deels zonder douanedocument;

b. deels met een C-document Waaraan valse of vervalste facturen ten grondslag lagen;

c. deels nadat valselijk een B-document was opgemaakt, en

d. deels nadat een valselijk een VZ-document was opgemaakt; de goederen die op laatstbedoelde wijze zijn ingevoerd waren tevens voorzien van een C-document waaraan valse of vervalste facturen ten grondslag lagen.

2.4. De aldus ontdoken invoerrechten beliepen respectievelijk:

a. f 42.54905

b. f 147.816,19,

c. f 5:3.801,53 en

d. f 10.926,91.

2.5. Uit de geproduceerde processen-verbaal blijkt dat de directeur van C NV, C tezamen met één van haar werknemers T, en met behulp van één of meer douaneambtenaren en/of anderen, goederen heeft ingevoerd met gebruikmaking van valse of vervalste bescheiden (-facturen en documenten).

2.6. Voor zover ten behoeve van de frauduleuze invoer documenten zijn afgegeven, zijn deze alle namens C N.V. ondertekenden vermelden zij - behoudens enkele uitzonderingen - ook de naam C N.V. als aangeefster.

2.7. De Raad leidt uit een en ander af, vooreerst dat C en T niet als privé-personen maar namens C zijn opgetreden en voorts dat C de aangegeven goederen heeft ingevoerd en de aangifte heeft verzorgd, ook voor zover op het document een ander als aangever staat vermeld. De conclusie moet dan ook zijn dat, voor zover documenten zijn gebezigd, C en niet appellante de belasting heeft ontdoken.

2.8. De Inspecteur stelt nu dat, aangezien C als bijzondere gemachtigde van appellante is opgetreden, het bepaalde in artikel 53, lid 4, van de Landsverordening I.U. en D. (hierna: LIUD) meebrengt dat appellante hoofdelijk aansprakelijk is voor de door C ontdoken belasting, zodat die belasting niet alleen van C maar ook van appellante bij beschikking kan worden nagevorderd.

2.9. Die stelling is onjuist aangezien aan de Raad niet is gebleken dat C optrad als een bijzondere gemachtigde van appellante. Integendeel, uit het onder 2.5 tot en met 2.7 hiervoor overwogene blijkt dat C als aangeefster op eigen naam moet worden aangemerkt. Appellante is dus niet hoofdelijk aansprakelijk voor de door C ontdoken belasting.

2.10. Voor zover goederen zonder document zijn ingevoerd heeft de Inspecteur naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat zulks op het conto van appellante moet worden geschreven.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene komt de Raad tot de slotsom dat het beroep van appellante gegrond is. Mitsdien moeten zowel de uitspraak van de Inspecteur als diens beschikking tot navordering worden vernietigd.

3. Beslissing

De Raad vernietigt de uitspraak waarvan beroep, alsmede de beschikking tot navordering.

mrs. T.J.M. Kolfschoten voorzitter J.K. Moltmaker en J.W. van den Berge, leden

<b>Tussenbeschikking van 30 januari 1989</b>

Procesverloop

Bij op 10 oktober 1988 bij de Raad ingekomen beroepschrift is appellante, onder overlegging van produkties, in beroep gekomen van de beslissing van de Inspecteur, d.d. 7 september 1988, welke blijkens het desbetreffende poststempel op 12 september 1988 ter post is bezorgd.

Bij deze beslissing heeft de Inspecteur het verzoek van appellante, d.d. 4 augustus 1988, afgewezen om de brief van appellante van 13 juli 1988 aan te merken ais bezwaarschrift tegen de beschikking van 21 juni 1988 nr. 1268/88, waarbij aan appellante een naheffingsaanslag van Afl.255.093,68 is opgelegd.

De Inspecteur heeft bij vertoogschrift geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van appellante.

Bij de behandeling van de zaak hebben de gemachtigde van appellante en de Inspecteur de wederzijdse standpunten nader toegelicht aan de hand van overgelegde produkties, terwijl de gemachtigde van appellante ook nog zijn pleitaantekeningen heeft overgelegd.

Beoordeling van de zaak

1. In deze zaak gaat het om de vraag of de brief van appellante, d.d. 13 juli 1988, wel of niet als een bezwaarschrift kan worden aangemerkt. Het antwoord op deze vraag is van belang in verband met. de in artikel 128b lid 1 Algemene Verordening In-, Uit- en Doorvoer 1908 bedoelde termijn van één maand waarbinnen een bezwaarschrift bij de Inspecteur moet worden ingediend.

2. Appellante stelt zich op het standpunt dat die brief in elk geval is te beschouwen als een pro forrna bezwaarschrift, nu zij op 13 juli 1988, derhalve binnen de termijn van één maand, schriftelijk aan de Inspecteur heeft laten weten dat zij via haar advokaat bezwaar tegen de navorderingsaanslag zal aantekenen, waarbij zij tevens verzocht heeft om uitstel in verband met de uitlandigheid van haar advokaat.

3. Naar de mening van de Inspecteur is de brief van 13 juli 1988 een gewone brief waarin uitstel van de bezwaartermijn verzocht wordt. Een verlenging van die termijn is niet mogelijk, omdat die van openbare orde is.

4. De Raad stelt voorop dat een bewaarschrift niet aan enige vorm gebonden is en niet met redenen omkleed behoeft te zijn. De wet schrijft dit niet voor. Voldoende is dat de belanghebbende binnen de bezwaartermijn een geschrift indient, waaruit blijkt dat hij tegen de aanslag bezwaar heeft. De onderhavige brief van 13 juli 1988 voldoet aan dit vereiste. Het feit dat daarin uitstel wordt verzocht, dient niet te worden opgevat als een verzoek om een verlenging van de bezwaartermijn, maar als een verzoek om de appellante nog een zekere termijn te gunnen voor de aanvulling van haar ongemotiveerde bezwaarschrift.

5. De Raad komt derhalve tot de conclusie dat de Inspecteur ten onrechte het verzoek van appellante om haar brief• van 13 juli 1988 als bezwaarschrift aan te merken heeft afgewezen. Die beslissing dient te worden vernietigd. De Raad zal appellante in de gelegenheid stellen om binnen één maand na de dagtekening van de beslissing van de Raad alsnog haar pro forma bezwaarschrift aan te vullen met een motivering.

BESLISSING

De Raad:

vernietigt de beslissing, waarvan beroep;

stelt appellante in de gelegenheid om binnen één maand na de dagtekening van deze beslissing van de Raad alsnog haar pro forma bezwaarschrift aan te vullen met een motivering.

<b>Tussenbeschikking van 12 maart 1990</b>

PROCESVERLOOP

Bij zijn beschikking nr 1268/88, dd. 21 juni 1988, is door de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag ten belope van f 255.093,66 opgelegd, zulks op grond dat belanghebbend goederen heeft ingevoerd met gebruikmaking van valse of vervalste bescheiden, waardoor er invoerrechten zijn ontdoken.

Bij brief van 13 juli 1988 is belanghebbende tegen deze beschikking opgekomen.

Bij beschikking van 7 september 1988 heeft de Inspecteur bedoelde brief als bezwaarschrift van de hand gewezen.

Belanghebbende is op 10 oktober 1988 van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Raad. Bij beschikking van 30 januari 1989 heeft de Raad beslist dat de Inspecteur ten onrechte het verzoek van belanghebbend om haar brief van 13 juli 1988 als bezwaarschrift aan te merken heeft afgewezen, en heeft belanghebbende diensvolgens in de gelegenheid gesteld om binnen één maand na de dagtekening van die beslissing alsnog. haar pro forma bezwaarschrift aan te vullen met een motivering. Bedoelde motivering is op 27 februari 1989 ter Inspectie ingekomen.

Ter uitvoering van een beschikking van de Raad dd. 30 januari 1989, waarbij de Inspecteur - in enkele andere vergelijkbare zaken - verzocht is oin de bescheiden in bet geding te brengen waarop hij zich beroept ter staving van zijn stelling dat valsheid in geschrifte is gepleegd en dat er invoerrechten ontdoken zijn, heeft de Inspecteur bij brief van 30 mei 1989 ook in de onderwerpelijke zaak aan de Raad en aan Beautilities de door de Raad in meergenoemde beschikking bedoelde documenten in afschrift aangeboden.

In de reeds genoemde andere zaken heeft een nadere mondelinge behandeling plaatsgehad op 7 april 1989, waarbij door de Raad is besloten de behandeling aan te houden in afwachting van een onherroepelijke beslissing in de aangebrachte strafzaken. De Raad zou (red: waarschijnlijk ontbreekt hier een regel)

In november 1989 is de Voorzitter van •de Raad gebleken dat de ontwikkelingen in de strafzaken ook in de onderhavige zaak een voortzetting van de mondelinge behandeling rechtvaardigden. De behandeling is hervat ter terechtzitting van 20 december 1989, alwaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Tevens is tegenwoordig geweest mr W, Officier van Justitie te Aruba, die aan de Raad inlichtingen heeft verstrekt.

Beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.

DE BEOORDELING

Met het oog op een proceseconomische voortgang der zaak heeft de Raad met instemming van partijen de pleitaantekeningen van de Inspecteur opgevat ale een fictieve afwijzing van (de motivering op) het bezwaarschrift, en die van belanghebbende als een fictief beroepschrift, zodat deze zaak gelijktijdig met de overige ter behandeling kan komen.

De Officier van Justitie heeft omtrent het verloop der strafzaken - zakelijk samengevat - onder meer medegedeeld, dat een beslissing van de strafrechter omtrent de vraag naar de bewezenverklaring van de telastegelegde onwettige invoer (art.233 e.v. LIUD) den wel valsheid in geschrifte (art. 230 WvSRA) niet meer te verwachten is.

In de zaak tegen een der verdachten welke onlangs is aangebracht heeft de Rechter het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard op grond van niet toelaatbare termijnsoverschrijding (‘undue delay’), terwijl een afgerond proces-verbaal tot dusverre niet is ingekomen.

Niettemin kan naar zijn overtuiging in een aantal gevallen zonder voorbehoud gesproken worden van fraude met facturen, hetgeen blijkt uit een aantel verklaringen welke in 1987 en 1988 door verschillende verdachten aan de Douanerecherche en de Rechter-Commissaris zijn afgelegd.

De Officier van Justitie heeft zich bereid verklaard om de daarop betrekking hebbende stukken welke zich in zijn dossier bevinden, een de Raad en aan partijen over te leggen.

De gemachtigde van belanghebbende heeft tegen overlegging van bedoelde stukken als zodanig geen bezwaar aangevoerd, doch verzet zich ertegen dat die stukken thans op de zitting - namens de Inspecteur - aan de Raad worden overhandigd zonder dat er afschriften voor de wederpartij beschikbaar zijn.

De Raad heeft ter zitting de juistheid van deze bedenking onderkend en heeft de bedoelde stukken aan de Officier van Justitie teruggegeven, onder mededeling dat de Raad zich zal bereden over de vraag of overlegging van die stukken voor het verloop van het geding noodzakelijk moet worden geoordeeld.

De overweging is de Raad tot de slotsom gekomen dat bedoelde stukken, welke in een viertal mappen zijn samengevat, voor de beantwoording van verschillende nog aan de orde komende vragen van doorslaggevende betekenis kunnen zijn.

De Raad geeft er derhalve de voorkeur aan dat de Inspecteur de meergenoemde stukken alsnog in het geding brengt, en wel op dezelfde wijze als door de Raad is beslist in de hierboven genoemde beschikking van 30 januari 1989.

DE BESLISSING

DE RAAD, BESCHIKKENDE:

VERZOEKT de Inspecteur binnen een maand na dagtekening van deze beschikking de documenten als hiervoren bedoeld in originali aan de Raad ter beschikking te stellen, met afgifte van afschriften aan (de gemachtigde van) belanghebbende;

HOUDT iedere verdere beslissing AAN.