Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1989:BQ8648

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
26-04-1989
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
1989-021 (kenmerk 21-1989)
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / 16A en 23A LIB / 1986

Beroep is tijdig indien het tijdig bij de inspectie is ingediend en buiten de termijn bij de Raad is ingekomen, indien in de voor beroep vatbare beslissing het adres van het Beroepsorgaan niet is vermeld. Als dan de appellant het beroep instelt op het adres van het orgaan dat de beslissing heeft gegeven is zulks in overeenstemming met algemeen aanvaarde regels van administratief beroep. De Raad heeft in zijn uitspraak van 7 juni 1988, no. 29/88 vastgesteld, dat onder “nagenoeg geheel op zijn kosten worden onderhouden” dient te worden verstaan, dat de belastingplichtige tenminste 90% van die kosten voor zijn rekening neemt, met dien verstande dat het gedeelte van de totale onderhoudskosten: dat door bijverdiensten of andere inkomsten van de ondersteunde niet ten laste van de belastingplichtige komt, ten hoogste f. 1.000,- bedraagt. Voor de berekening van de 90% norm moet uitgegaan worden van het werkelijk betaalde bedrag en niet van de onderhoudsnorm. Uit het wettelijke systeem blijkt dat het daarin bedoelde (“levens)onderhoud” steeds een suppletoir karakter draagt, namelijk (artikel 16A lid 1 sub a) “voorzover die personen niet bij machte zijn zelf inkomsten ter voorziening in hun levensonderhoud te verwerven.” Dit betekent dat op de onderhoudslasten eerst het eigen inkomen van de ondersteunde in mindering gebracht moet worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

26 april 1989

1989-021 (kenmerk 21-1989)

1. Procesverloop:

Bij brief van 30 november 1987 is door appellant bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag Inkomstenbelasting 1986 d.d. 30 oktober 1987, nr. xxxxx, waarbij zijn zuiver inkomen is vastgesteld op f. 63.906,-. Bij beschikking d.d. 28 maart 1988 (voor “eensluidend afschrift” getekend d.d. 21 april 1988) heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd. Tegen deze beschikking is appellant bij brief d.d. 10 juni 1988 in beroep gekomen; de brief was geadresseerd aan de “Regentesselaan”; bij nadere brief, ingekomen bij de Raad op 21 september 1988, geeft appellant een uiteenzetting omtrent de adressering van zijn eerste brief. Op 19 december 1988 is van de Inspecteur een vertoogschrift ingekomen, terwijl op 7 maart 1988 bij de Raad een verweerschrift is ingediend.

Bij de mondelinge behandeling op 14 april 1989 is het woord gevoerd door de Inspecteur, en door appellant en zijn gemachtigde. Door de Inspecteur is een pleitnota overgelegd.

Daarop is bepaald dat zo spoedig mogelijk uitspraak zal worden gedaan.

2. De ontvankelijkheid:

Het beroepschrift is aanvankelijk ingediend ter “Regentesselaan” het gebouw van de Inspectie. De Inspecteur beschouwt dit als een onjuiste wijze van beroep, doch verbindt daaraan geen consequenties.

De Raad acht de wijze van instelling van beroep niet onjuist, zolang in de voor beroep vatbare beslissing het adres van het Beroepsorgaan niet is vermeld. Als dan de appellant het beroep instelt op het adres van het orgaan dat de beslissing heeft gegeven is zulks in overeenstemming met algemeen aanvaarde regels van administratief beroep.

Het beroep is mitsdien tijdig en op de juiste wijze ingesteld, dat appellant daarin kan worden ontvangen.

3. Het standpunt van appellant:

Appellant voert - zakelijk weergegeven - aan dat de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslag de als buitengewone lasten ter vermindering van het onzuiver inkomen opgegeven uitgaven voor levensorderhoud van zijn dochter S ad f. 9.000,- ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen, nu de op hem drukkende uitgaven voor levensonderhoud van S dienen te worden gesteld op Esc. 86.500,- (Nafl. l.095,-) per maand ofwel Esc. 778.500,- over 9 maanden, terwijl S zelf ter voorziening in haar onderhoud een inkomen heeft genoten van Esc. 11.000,- (Nafl. 139,25) per maand ofwel Esc. 99000 over 9 maanden, zodat niet gezegd kan worden dat S geheel of nagenoeg geheel op zijn kosten werd onderhouden. Dit brengt mee, dat hij voor S geen recht heeft op kinderaftrek, zodat de uitgaven terzake het levensonderhoud van S op grond van het bepaalde in artikel 16 lid 1 onder a) van de Landsverordening op de Inkomstenbelasting (“LIB”) als buitengewone lasten in af trek kunnen worden gebracht.

4. Het standpunt van de Inspecteur:

De Inspecteur beeft de stellingen van appellant bestreden en daartoe - zakelijk samengevat - onder meer aangevoerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant, door hetgeen S zelf heeft bijgedragen, uitgaande van de totale kosten van het levensonderhoud, zijn dochter minder dan geheel of nagenoeg geheel (dat wil zeggen: voor minder dan 90%) heeft onderhouden.

Uitgaande van het kostenpakket van. S ad 778.500 Esc. heeft appellant daarin voor 712 .000 Esc. bijgedragen, ofwel meer dan 90%.

5. De beoordeling van het geschil:

5.1 De Raad heeft vastgesteld, dat beide partijen in detail bekend zijn met de uitspraak van de Raad d.d. 7 juni 1988, no. 29/88, zodat de Raad de daarin vastgelegde uitgangspunten hier niet meer in extenso behoeft uit te werken.

Voldoende is, dat de Raad alstoen heeft vastgesteld, dat onder “nagenoeg geheel op zijn kosten worden onderhouden” dient te worden verstaan, dat de belastingplichtige tenminste 90% van die kosten voor zijn rekening neemt, met dien verstande dat het gedeelte van de totale onderhoudskosten: dat door bijverdiensten of andere inkomsten van de ondersteunde niet ten laste van de belastingplichtige komt, ten hoogste f. 1.000,- bedraagt; met andere woorden: indien de belastingplichtige zich aldus meer dan f. 1.000,- of meer dan 10% daadwerkelijk en aantoonbaar aan totale onderhoudskosten bespaart, heeft hij geen recht op kinderaftrek maar kan hij de uitgaven ter voorziening in het levensonderhoud als buitengewone lasten in mindering brengen.

5.2 De Inspecteur heeft niet bestreden dat S een eigen inkomen heeft van 99.000 Esc., ofwel (a 79,-) f. 1.253,-. Evenmin heeft de Inspecteur gemotiveerd betwist, dat de totale onderhoudskosten van S bedragen 778.500,- Esc.

De Inspecteur nu voert aan dat appellant op die totale lasten van 778.500 Esc. een bijdrage levert van 711.000 Esc., ofwel 91,33%. Daarmee acht de Inspecteur - die de door de Raad bij laatstgemelde uitspraak aangebrachte verfijning verwerpt - de (verplichte) aanspraak op kinderaftrek voldoende gegrond.

5.3 De Raad kan zich met de zienswijze van de Inspecteur niet verenigen. Niet alleen omdat de Inspecteur miskent dat S, door een bedrag van f. 1.253,- bij te verdienen, appellant tenminste f. 1.000,- aan onderhoudskosten heeft bespaard, doch ook - en vooral - omdat de Inspecteur bij zijn betoog uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het in de Wet vastgelegde onderhoudsbeginsel.

Uit het in de artikelen 23A en 16A vastgelegde wettelijk systeem blijkt dat het daarin bedoelde (“levens)onderhoud” steeds een suppletoir karakter draagt, namelijk (artikel 16A lid 1 sub a) “voorzover die personen niet bij machte zijn zelf inkomsten ter voorziening in hun levensonderhoud te verwerven.”

Toegepast op de onderhavige zaak betekent dit, dat - uitgaande van het totaal aan onderhoudslasten van 778.500 Esc. (ofwel Nafl. 9.854,-) daarvan door S zelf gedragen is een gedeelte groot 99.000 Esc. (ofwel: Nafl. 1.253-), uitmakende 12,71% van het totaal. Het restant (tot de hier aangehouden onderhoudsnorm van 778.500 Esc.) ad 679.500 Esc. (ofwel Nafl. 8.601,—) is als “(levens)onderhoud door haar vader gesuppleerd. Hieruit volgt mede, dat hetgeen door appellant bóven de genoemde onderhoudsnorm ad 776.500 Esc. aan S is verstrekt, in fiscaalrechtelijke zin niet als “(levens)onderhoud” kan worden aangemerkt.

5.4 Naar het oordeel van de Raad heeft.appellant hiermede voldoende aannemelijk gemaakt, dat S hem niet alleen f. 1.000,- doch ook meer dan de 10% aan totale onderhoudskosten heeft bespaard; op grond hiervan komt de Raad tot het inzicht dat niet gezegd kan worden dat S door appellant nagenoeg geheel wordt onderhouden. Mitsdien kan appellant geen aanspraken terzake doen gelden op kinderaftrek.

Hieruit volgt weer dan appellant op grond van artikel 16A lid 1 sub a LIB zijn kosten tot voorziening in het noodzakelijk levensonderhoud van S als buitengewone lasten op zijn onzuiver inkomen in minder kan brengen. Zoals hierboven onder 5.3. reeds is overwogen, bedragen deze kosten ten hoogste f. 8.601,- welke als buitengewone lasten in aftrek kunnen worden gebracht.

Het zuiver inkomen van appellant dient derhalve als volgt te worden berekend:

(afgerond in hele guldens)

tabel

6. De slotsom:

Uit al het vorenstaande vloeit voort, dat de bestreden aanslag en beschikking behoren te worden vernietigd, en de aanslag verminderd tot een naar een zuiver inkomen van f. 57.257,-.

7. De beslissing:

DE RAAD, beslissende:

VERNIETIGT de aanslag en de beschikking waarvan beroep;

VERMINDERT de aanslag tot een naar een zuiver inkomen van f. 57.257,-.

mr. A.P.M. Houtman, mr. W.B. de Jong en mr. T.J.M. Kolfschoten