Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1989:BQ8643

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
09-03-1989
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
1989-010 (kenmerk 30/1988)
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

inkomstenbelasting / 20 en 21 LIB / 1983 / Curaçao

Artikel 21 lid 2 LIB hanteert als uitgangspunt voor de belastingberekening van buiten gemeenschap van goederen gehuwde (doch binnen de Nederlandse Antillen wonende) echtgenoten samentelling van, beider, afzonderlijk aangegeven zuiver inkomen, en vervolgens omslag in verhouding tot ieders eigen zuiver inkomen. De betaalde hypotheekrente is ten onrecht als persoonlijke last bij appellant in mindering gebracht. Bij appellant is aanvankelijk een te laag, en bij de vrouw een te hoog zuiver inkomen aangehouden. Over de samengestelde zuivere inkomens, is echter het juiste, gezamenlijke, belastingbedrag vastgesteld, doch de daarop volgende omslag is voor elk van beiden onjuist vastgesteld. Het omslagbedrag per belastingplichtige dient als de aanslag te worden aangemerkt; in het geval van appellant is een te lage aanslag opgelegd. Nieuw feit omdat dat appellant (en de vrouw) de Inspecteur aanvankelijk zelf op het verkeerde spoor hebben gezet door gezamenlijk aangifte te doen en daarin de man als de tot betaling der hypotheekrente gehoudene aan te merken. Geen ambtelijk verzuim als de Inspecteur over het hoofd heeft gezien dat het saldo-overzicht van de hypotheekbank ten name van de vrouw is gesteld. Geen verhoging; van een laakbare vorm van bewustheid van benadeling der fiscus is niet gebleken. De Inspecteur mag langs de weg der verhoging niet belasting invorderen die door de werking van de vijfjaarstermijn bij de echtgenote niet meer navorderbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

9 maart 1989

1989-010 (kenmerk 30/1988)

1. Procesverloop:

Bij brief d.d. 5 augustus 1988 bij de Raad ingekomen, komt de gemachtigde van appellant namens deze in beroep tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1983, artikelno. xxxxx, gedagtekend 8 juni 1988, en gesteld ten name van appellant.

Bij op 9 september 1988 bij de Raad ingekomen brief heeft de gemachtigde van appellant zijn beroep nader toegelicht.

Een vertoogschrift is niet ingekomen, waarna een dag voor de mondelinge behandeling is vastgesteld.

Aldaar heeft de inspecteur het woord gevoerd aan de hand van een pletnota en heeft hij stukken in het geding gebracht.

Aan de gemachtigde van appellant is daarop de gelegenheid geboden schriftelijk op de stellingen van de Inspecteur te antwoorden, welk antwoord op 13 december 1988 is ingekomen.

De inspecteur heeft daarop schriftelijk te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan voortzetting van de mondelinge behandeling.

De Raad heeft daarop bepaald dat zo spoedig mogelijk uitspraak zal worden gedaan.

2. De ontvankelijkheid:

Het beroepschrift is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellant daarin kan worden ontvangen.

3. De vaststaande feiten:

Tussen partijen kan voorshands van de navolgende vaststaande feiten worden uitgegaan:

- in 1983 was appellant buiten gemeenschap van goederen gehuwd met A (“de vrouw”); de door hen gezamenlijk bewoonde woning was in 1983 eigendom van de vrouw; het zuiver inkomen van de vrouw bedroeg in 1983 f. 30.362,24;

- over 1983 is door appellant voor zijn inkomen en dat van de vrouw op één formulier aangifte gedaan d.d. 8 mei 1984; appellant is in de inkomstenbelasting over 1983 aangeslagen naar een zuiver inkomen van f. 83.757,- voor een bedrag van f. 25.018,77;

- naar aanleiding van een door appellant op grond van artikel 21 lid 2 LIB gedaan verzoek om “splitsing” van de hem opgelegde aanslag, is bij beschikking d.d. 14 januari 1987 de aan appellant opgelegde aanslag verminderd tot een bedrag van f. 16.098,79 naar een zuiver inkomen van f. 53.895,—;

- bij de thans aangevallen navorderingsaanslag is het zuiver inkomen van appellant vastgesteld op f. 57.678,- en is een belasting van appellant nagevorderd een bedrag van f. 6.144,70,- bestaande uit een verschil in belasting van f. 1.228,98 en uit een vermeerdering bestaande uit een als in artikel 50 lid 1 LIB bedoelde viervoudige boete ten bedrage van f. 4.915,92;

- het verschil tussen het na de splitsing vastgesteld zuiver inkomen ad f. 53.895,- en het bij de navorderingsaanslag vastgestelde zuiver inkomen ad f. 57.678,- betreft het bedrag van f. 3.783,- een negatief inkomen uit onroerend goed, dat na de splitsing op het inkomen van de vrouw in mindering gebracht had behoren te worden.

4. Het standpunt van appellant:

Appellant is de opvatting toegedaan dat navordering ten deze niet mogelijk is, nu van een nieuw feit niet kan worden gesproken; immers het had de aanslagregelend ambtenaar reeds bij het toepassen van de splitsing duidelijk behoren te zijn dat bij de vrouw niet alleen de inkomsten uit dienstbetrekking, maar ook de negatieve inkomsten uit onroerend goed in aanmerking genomen hadden behoren te worden.

Daarnaast acht appellant geen gronden aanwezig voor de viervoudige verhoging, aangezien daarvoor ten miste grove nalatigheid zijdens de belastingplichtige aanwezig moet zijn.

5. Het standpunt van de Inspecteur:

De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat - nu aan geen der in artikel 48 LIB genoemde voorwaarden is voldaan - niet van navordering in de zin van dat artikel kan worden gesproken, doch slechts van het herstel van een onjuist verrichte administratieve handeling, zodat geen nieuw feit vereist is en de vijfjaarstermijn geen rol speelt.

Subsidiair, ingeval wel “navordering” moet worden aangenomen, betoogt de Inspecteur dat deze terecht gedaan is, aangezien wel degelijk sprake is van een “nieuw feit” nu van een ambtelijk verzuim niet kan worden gesproken.

Tenslotte is de Inspecteur van opvatting dat de verhoging terecht is opgelegd, aangezien deze op een wettelijke grondslag berust.

6. De beoordeling van het geschil:

6.1 De navordering

De Raad begrijpt het primaire standpunt van de Inspecteur niet. Niet alleen omdat niet valt in te zien hoe in het Nederlands-Antilliaans belastingstelsel het herstellen van een “onjuist verrichte administratieve handeling”, waardoor te weinig belasting is geheven, anders dan door “navordering” kan plaatshebben, maar ook omdat handhaving van zijn stellingname in dezen iedere grond onder de verderop door de Inspecteur verdedigde verhoging wegneemt.

De Raad is van oordeel dat ten deze kan worden gesproken van het in artikel 48 LIB bedoelde geval, waarin een te lage aanslag is opgelegd, en wel op grond van het navolgende.

Artikel 21 lid 2 LIB hanteert als uitgangspunt voor de belastingberekening van buiten gemeenschap van goederen gehuwde (doch binnen de Nederlandse Antillen wonende) echtgenoten samentelling van, beider, afzonderlijk aangegeven zuiver inkomen, en vervolgens omslag in verhouding tot ieders eigen zuiver inkomen. In casu is door de echtgenoten evenwel een gezamenlijke aangifte gedaan.

Aangezien, naar later is gebleken, bij de splitsing de betaalde hypotheekrente als persoonlijke last niet bij appellant, doch bij de vrouw in mindering had behoren te worden gebracht, is bij appellant aanvankelijk een te laag, en bij de vrouw een te hoog zuiver inkomen aangehouden. Over de samengestelde zuivere inkomens, is echter het – juiste -gezamenlijke belastingbedrag vastgesteld, doch de daarop volgende omslag is, als naar het - persoonlijk - onzuiver inkomen berekend, voor elk van beiden weer onjuist vastgesteld.

Dit omslagbedrag per belastingplichtige - en niet het aanvankelijk vastgestelde gezamenlijke belastingbedrag - dient, op de grond van het bepaalde in artikel 21 lid 2 LIB, als de aanslag te worden aangemerkt; in het geval van appellant is mitsdien een te lage aanslag opgelegd.

Appellant voert evenwel aan dat terzake niet kan worden nagevorderd aangezien een ‘nieuw feit” ontbreekt. De vraag is derhalve of er in casu een “nieuw feit” voor navordering is, dan wel, anders gezegd, of de Inspecteur bij het vaststellen van. de primitieve aanslag al dan niet een ambtelijk verzuim heeft begaan. Te dien aanzien geldt de regel dat een beletsel om tot navordering over te gaan slechts kan worden aangenomen in die gevallen waarin blijkt van een gemis aan zodanige zorgzaamheid bij het controleren van de ingediende aangiften als redelijkerwijs met het oog op de aard van de aan de Inspecteur opgelegde taak moet worden verwacht.

Met de thans aangevoerde feiten acht de Raad een zodanig beletsel niet aangetoond.

Daarbij is in doorslaggevende mate van belang, dat appellant (en de vrouw) de Inspecteur aanvankelijk zelf op het verkeerde spoor hebben gezet door - wellicht conform aan een aanvaarde gewoonte, doch strikt genomen in strijd met het stelsel van artikel 21 lid 1 LIB — gezamenlijk aangifte te doen en daarin, evenals onder meer bij het aanvragen van beschikkingen vermindering loonbelasting, de man als de tot betaling der hypotheekrente gehoudene aan te merken.

Daarnaast geldt ook, dat appellant bij zijn d.d. 5 december 1986 gedane verzoek om splitsing geen nadere inlichtingen omtrent de samenstelling van zijn zuiver inkomen heeft vermeld.

Tegen die achtergrond is de omstandigheid dat de Inspecteur daarbij over het hoofd heeft gezien dat het saldo-overzicht van de hypotheekbank ten name van de vrouw is gesteld, niet als een ambtelijk verzuim op te vatten.

Nu de Inspecteur eveneens binnen de in het artikel genoemde vijfjaarstermijn is gebleven, is de navordering derhalve op goede gronden gedaan.

6.2 De verhoging

De Raad deelt de bedenkingen van appellant tegen de door de Inspecteur toegepaste verhoging op de navordering.

Afgezien daarvan dat naar het oordeel van de Raad voor toepassing van - zoals in casu - de maximale verhoging tenminste van een – ten deze niet aangetoonde – laakbare vorm van bewustheid van benadeling der fiscus moet zijn gebleken, deugt evenmin het argument van de Inspecteur dat aldus langs de weg der verhoging kan worden ingevorderd die belastingopbrengst welke door de werking van de vijfjaarstermijn bij navordering thans voor de Inspecteur onbereikbaar is. Op deze wijze tracht de Inspecteur door een zijdeur alsnog datgene binnen te halen wat door genoemde termijn door de wetgever uitdrukkelijk is geblokkeerd.

Hiervoor zijn de bepalingen omtrent de verhoging niet geschreven.

Tenslotte, het beroep van de Inspecteur op de tekst van artikel 50 LIB gaat evenmin op. Lid 1 van dat artikel bepaalt, dat de navorderingsaanslag “kan worden verhoogd” met ten hoogste het viervoud daarvan, terwijl de leden 2/4 van dat artikel uitdrukkelijk aangeven in welke gevallen de verhoging achterwege dient te blijven.

Deze opsomming zou - anders dan de Inspecteur meent - slechts dan limitatief zijn, indien in genoemd lid 1 in plaats van “kan worden verhoogd” zou zijn vermeld: “wordt verhoogd”.

7. De slotsom:

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het beroep ongegrond is voor - zover gericht tegen de navordering, doch gegrond voorzover het de opgelegde verhoging bestrijdt.

8. De beslissing:

De Raad van Beroep voor Belastingzaken, beschikkende

VERNIETIGT de navorderingsaanslag waarvan beroep, doch uitsluitend voorzover in het bedrag der belasting een verhoging ad f. 4.915,92 is begrepen;

HANDHAAFT de bedoelde aanslag voor het overige.

mrs A.P.M. Houtman, T.J.M. Kolfschoten en E.J. Numann