Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1989:BQ8624

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
12-01-1989
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
1989-003 (kenmerk 29/1988)
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoerrechten en accijnzen / 1988 / Aruba

Overdracht goederen waarvoor vrijstelling van invoerrechten is verleend op grond van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw leidt niet tot vervallen vrijstelling indien de overnemer bedrijfsmiddelen dezelfde bestemming geeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

1989-003 (kenmerk 29/1988)

GEZIEN het op 5 augustus 1988 bij de Raad ingediende schriftuur, waarbij appellante in beroep komt tegen de beslissing d.d. 18 juli 1988 van de Inspecteur op het bezwaarschrift van appellante tact betrekking tot de naheffingsaanslag invoerrechten d.d. 30 mei 1988;

GEZIEN het vertoogschrift van de Inspecteur, bij de Raad ingekomen op 8 september 1988;

GELET op de mondelinge behandeling van de zaak op 25 november 1988;

Overwegende:

1. In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan. Appellante is een op Aruba gevestigde naam1oze vennootschap die ten doel heeft het verlenen en het doen verlenen van vervoersgelegenheid aan- en het organiseren van rondritten en excursies voor toeristen en voorts het arrangeren van al hetgeen het verblijf van toeristen op Aruba kan veraangenamen, met al hetgeen in het algemeen daartoe behoort of daarmede verband houdt.

Bij Landsbesluit d.d. 6 januari 1987 is appellante voor wat betreft de exploitatie van een transportbedrijf, aangemerkt als een bedrijf in de zin van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw, en is haar vrijstelling van invoerrechten vereend op goederen ten behoeve van de eerste inrichting van het transportbedrijf.

2. Op 1 januari 1987 heeft appellante ten behoeve van haar transportbedrijf zeven VOLVO autobussen met vrijstelling van invoerrechten ingevoerd. Deze bussen zijn nadien gebruikt voor het vervoer van toeristen.

In april 1988 zijn de aandelen van appellante verkocht aan X N.V., welke vennootschap het transportbedrijf met dezelfde bussen op dezelfde voet heeft voortgezet. Op 27 juni 1988 heeft

X NV de Gouverneur van Aruba verzocht het Landsbesluit d.d. 6 januari 1987 te wijzigen, in die zin dat X NV voor de toepassing van de Landsverordening in de plaats treedt van appellante.

Bij beschikking d.d. 30 mei 1988 heeft de Inspecteur besloten ten laste van appellante een naheffingsaanslag op te leggen van Afl. 109.594,23, zulks onder overweging dat appellante feitelijk afstand heeft gedaan van de aan haar verleende vrijstelling van invoerrechten op de bussen.

In de uitspraak d.d. 18 juli 1988 op het bezwaarschrift van appellante heeft de Inspecteur zijn beslissing nader gemotiveerd door te stellen dat het feit dat appellante de zeven bussen waarvoor zij vrijstelling van invoerrechten heeft genoten, heeft overgedragen aan X NV, met zich meebrengt dat aan deze bussen een andere bestemming is gegeven dan waarvoor de vrijstelling is verleend, hetgeen naar het oordeel van de Inspecteur in strijd is met artikel 14 lid 1 letter b van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw.

2. Artikel 14 van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Het is verboden aan goederen een andere bestemming te geven of te doen geven dan met het oog waarop de vrijstelling is verleend.”

3. Naar het oordeel van de Raad kan in casu niet worden gezegd dat aan de bussen een andere bestemming is gegeven. Vaststaat immers dat de bussen doorlopend, ook bij de bedrijfsvoering van appellante door X NV, zijn gebruikt voor het vervoer van toeristen.

4. Bij de beoordeling van deze zaak is voorts van belang het bepaalde in artikel 7 van meergenoemde Landsverordening, luidend als volgt:

“1. Indien een ondernemer, ten aanzien waarvan is verklaard dat zij als een bedrijf in de zin van deze Landsverordening moet worden aangemerkt, door een andere hier te lande opgerichte naamloze vennootschap dan die welke in het betreffende landsbesluit wordt genoemd, wordt overgenomen en voortgezet, wordt het landsbesluit op verzoek van de meest gerede partij dienovereenkomstig gewijzigd.

2. Voor de toepassing van deze Landsverordening treedt de latere rechthebbende in de plaats van de vorige rechthebbende.”

Naar het oordeel van de Raad kan het, gelet op het imperatieve karakter van deze bepaling, niet anders zijn dan dat positief moet worden beslist op het verzoek, ingediend op grond van het eerste lid van deze bepaling door X NV.

5. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft de Inspecteur betoogd van oordeel te zijn dat de aan appellante verleende vrijstelling eigenlijk niet gegeven had mogen worden, als zijnde niet passend binnen de bepalingen van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw.

Wat hier ook van zij, dit standpunt kan de Inspecteur niet baten, nu de vrijstelling eenmaal is verleend en deze niet door de Raad kan worden teruggedraaid.

6. Gelet op het vorenoverwogene zal de beschikking waarvan beroep vernietigd moeten worden, waarbij de overige grieven tegen die beschikking onbesproken kunnen blijven.

Beschikkende:

Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur d.d. 18 juli 1988.

mrs. A.P.M. Houtman, T.J.M. Kolfschoten en C.A.M. Heeregrave