Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1988:BQ8622

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
07-06-1988
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
1988-029 (kenmerk 2-1988)
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / 1985 / Curaçao

Een belastingplichtige die een kind geheel of nagenoeg geheel onderhoudt, geniet kinderaftrek en kan van deze aanspraken geen afstand ook al zou dat hem fiscaal in een (veel) ongunstiger positie brengen. De aanspraak op kinderaftrek draagt een imperatief karakter. Het is duidelijk dat de in artikel 23 A lid 5 LIB voorziene kindaftreksom voor in het buitenland studerende kinderen (een bedrag van f. 1.000,- per jaar) iedere voeling met de werkelijkheid heeft verloren. Strikte toepassing van de redenering van de Inspecteur kan daarom tot grote onbillijkheden leiden en geeft aanleiding tot “constructies”. Het opzetten van “constructies” dient te worden ontmoedigd door het vaststellen van een richtlijn met betrekking tot de uitleg van het begrip “nagenoeg geheel onderhouden”. De Raad verstaat onder “nagenoeg geheel op zijn kosten worden onderhouden dat de belastingplichtige tenminste 90% van die kosten voor zijn rekening neemt, met dien verstande dat het gedeelte van de totale onderhoudskosten dat door bijverdiensten of andere inkomsten van de ondersteunde niet ten laste van de belastingplichtige komt ten hoogste fl. 1.000,- bedraagt. Indien de belastingplichtige zich aldus meer dan fl. 1.000,- of meer dan 10% daadwerkelijk en aantoonbaar aan totale onderhoudskosten bespaart, heeft hij geen recht op kinderaftrek, maar kan bij de uitgaven ter voorziening van het levensonderhoud als buitengewone lasten in mindering brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

7 juni 1988

1988-029 (kenmerk 2-1988)

1. Procesverloop:

Bij beschikking van 24 september 1987 heeft de Inspecteur, onder handhaving van de aan B d.d. 26 september 1986 opgelegde aanslag in de Inkomstenbelasting, belastingjaar1985, naar een zuiver inkomen van f 46.502,- voor een bedrag van f. 8.732,50, het bezwaarschrift van B tegen die aanslag verworpen.

De beschikking is op 7 december 1987 per aangetekende post aan B verzonden en door hem op 9 december 1987 ontvangen.

Tegen deze beschikking is B d.d. 1 februari 1988 schriftelijk bij de Raad in beroep gekomen.

Het beroepschrift strekt hiertoe, dat de Raad de beschikking op de aangevoerde gronden zal vernietigen en de aanslag zal verminderen tot een naar een zuiver inkomen van f. 27.250,-.

Op 7 maart 1988 is bij de Raad een vertoogschrift van de Inspecteur ingekomen, strekkende tot handhaving van de opgelegde aanslag. B heeft op 6 april 1988 een verweerschrift ingediend.

Bij de mondelinge behandeling van de zaak op 28 april 1988 hebben B en de Inspecteur beiden het woord gevoerd; de Inspecteur heeft daarvan aantekeningen overgelegd.

De Raad heeft daarop bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2. Ontvankelijkheid:

Het beroepschrift is tijdig er op de juiste wijze ingesteld zodat B daarin kan worden ontvangen.

3. De vaststaande feiten:

Ten processe moet van de navolgende vaststaande feiten worden uitgegaan:

- tot het gezin van B behoort een zoon, A, geboren op <datum>, die in 1985 voor studie aan de X Technical Institute te X in de Verenigde Staten verbleef, alsmede een eveneens in Florida studerende dochter;

- gedurende 1985 heeft B ten behoeve van beide kinderen overgemaakt US 18.347,- (naar een koers van 1.80: fl. 33.034,60);

- A heeft in 1985 zelf aan inkomsten genoten een bedrag van (omgerekend) fl. 2.623,05.

4. Het standpunt B

B voert - zakelijk weergegeven - aan dat de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslag de als buitengewone lasten ter vermindering van het onzuiver inkomen opgegeven uitgaven voor levensonderhoud van A ad fl. 19.252,80 ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen, aangezien de op hem drukkende uitgaven voor levensonderhoud van A dienen te worden gesteld op USS 22.420,—-. (a 1.80 = fl. 22.356,—), terwijl A zelf ter voorziening in zijn onderhoud een inkomen heeft genoten van fl. 2.623,05 zodat niet gezegd kan worden dat A geheel of nagenoeg geheel op zijn kosten werd onderhouden, hetgeen meebrengt dat B voor zijn zoon geen kinderaftrek geniet, zodat de uitgaven terzake het levensonderhoud van A op grond van het bepaalde in artikel 16 lid 1 onder a) van de Landsverordening op de Inkomstenbelasting 1943 (“LIB”) als buitengewone lasten in aftrek kunnen worden gebracht.

5. Het standpunt van de Inspecteur:

De Inspecteur heeft de stellingname van B bestreden en daartoe - zakelijk samengevat - onder meer aangevoerd, dat niet aannemelijk is gemaakt dat B, door hetgeen A heeft bijverdiend, uitgaande van de totale kosten van het levensonderhoud, zijn zoon minder dan geheel of nagenoeg geheel (dat wil zeggen: voor minder dan 90%) heeft onderhouden.

Ten onrechte gaat B , aldus de Inspecteur, ervan uit dat de totale kosten slechts moeten worden gesteld op US 12.420,- (= fl. 22.356,-) zijnde het door de school van A opgegeven schattingsbedrag op jaarbasis voor tuition and fees” en “living expenses”.

Daarbij moeten worden opgeteld uitgaven voor zakgeld, kleding, ziekte (verzekerings)kosten, reizen en diversen, welke niet buiten het totale kostenpakket voor levensonderhoud kunnen worden gehouden.

Het eindtotaal van al deze uitgaven beloopt een som, waarvan het tiende deel groter is dan fl. 2.623,05, waaruit de gevolgtrekking kan worden, gemaakt dat B in 1985 zijn zoon nagenoeg geheel heeft onderhouden en derhalve recht had op kinderaftrek als bedoeld in artikel 23 A lid 1 onder b) juncto lid 5 LIB waardoor aftrek wegens buitengewone lasten op grond van het bepaalde in artikel 16 lid 1 onder a) LIB wordt verhinderd.

6. Beoordeling van het geschil:

6.1 De Raad onderschrijft in beginsel het standpunt van de Inspecteur, dat indien een belastingplichtige een kind geheel of nagenoeg geheel onderhoudt, hij de in artikel 23 A LIB bedoelde kinderaftrek geniet, en dat hij van deze aanspraken geen afstand kan doen ook al zou zulks hem fiscaal in een (veel) ongunstiger positie brengen. De aanspraak op kinderaftrek draagt een imperatief karakter, en de wet verbindt daaraan in artikel 16 lid 1 onder a) LIB de consequentie dat deze belastingplichtigen niet voor aftrek van buitengewone lasten terzake in aanmerking komen.

De benedengrens van “nagenoeg geheel” trekt de Inspecteur bij 90% van de totale onderhoudskosten, waarbij dan nog de beperking geldt dat de bijverdiensten van de ondersteunde de belastingplichtige daadwerkelijk meer dan 10% aan onderhoudskosten moeten besparen. De Inspecteur baseert zich bij een en ander klaarblijkelijk op in Nederland gehanteerde maatstaven, doch naar het oordeel van de Raad gaat een vergelijking ten deze niet op.

De Inspecteur verliest uit het oog, dat in Nederland (tot 1 januari 1980) weliswaar een vergelijkbare regeling gold, maar dat daar voor gevallen als de onderhavige aanzienlijk hogere bedragen waren voorzien welke, anders dan in de Antilliaanse LIB, een min of meer (gemiddelde) reële benadering vormden van wat een kind “kost”.

Naast de kinderbijslag werd aldus voor een buitenshuis wonend kind van 18-27 jaar dat (nagenoeg) geheel op kosten van de belastingplichtige werd onderhouden een drievoudige kinderaftrek verleend. Het is aanstonds duidelijk dat de in artikel 23 A lid 5 LIB voorziene kindaftreksom voor in het buitenland studerende kinderen (een bedrag van f. 1.000,- per jaar) iedere voeling met de werkelijkheid heeft verloren. Op deze wijze keert het systeem zich geheel onbedoeld tegen hen die de zwaarste lasten dragen.

Strikte toepassing van de redenering van de Inspecteur kan in zaken als de onderhavige dan ook tot grote onbillijkheden leiden, en geeft, zoals ook de Inspecteur al bij de mondelinge behandeling moest erkennen, vaak aanleiding tot “constructies” door de belastingplichtige om maar tot iedere prijs onder de magische grens van 90% te komen. Met de Inspecteur is de Raad van oordeel dat het toevlucht nemen tot het opzetten van “constructies” dient te worden ontmoedigd, en wel door het vaststellen van een zodanige richtlijn met betrekking tot de uitleg van het begrip “nagenoeg geheel onderhouden”, dat daardoor aan de uiteindelijke bedoeling van de wetgever anders dan thans, recht wordt gedaan.

6.2 In dit verband acht de Raad het noodzakelijk om naast een procentueel criterium ook een nominaal bedrag als criterium te introduceren. Daarbij zoekt de Raad aansluiting bij het bedrag waarvoor kinderaftrek wordt genoten, te weten f. 1.000,-.

De Raad verstaat alsdan onder “nagenoeg geheel op zijn kosten worden onderhouden dat de belastingplichtige tenminste 90% van die kosten voor zijn rekening neemt, met dien verstande dat het gedeelte van de totale onderhoudskosten dat door bijverdiensten of andere inkomsten van de ondersteunde niet ten laste van de belastingplichtige komt ten hoogste fl. 1.000,- bedraagt. Indien de belastingplichtige zich aldus meer dan fl. 1.000,- of meer dan 10% daadwerkelijk en aantoonbaar aan totale onderhoudskosten bespaart, heeft hij geen recht op kinderaftrek, maar kan bij de uitgaven ter voorziening van het levensonderhoud als buitengewone lasten in mindering brengen.

De Raad is van oordeel dat met het vorenstaande een evenwicht wordt geschapen in de langzamerhand scheefgegroeide verhoudingen tussen enerzijds de hier te lande geldende sedert jaar en dag ongewijzigde kinderaftrekfaciliteiten en anderzijds de steeds zwaarder wordende lasten van ouders, die zich opofferingen getroosten om hun kinderen, dikwijls in het buitenland en in gevallen als deze vrijwel steeds zonder studiebeurs of -financiering, een goede opleiding te doen genieten.

6.3 Toegepast op de onderhavige zaak brengt het vorenstaande de Raad tot het oordeel, dat B in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt, dat zijn zoon A, door een bedrag van fl. 2.623,05 bij te verdienen, hem tenminste fl. 1.000,- aan onderhoudslasten heeft bespaard; op grond hiervan komt de Raad tot het inzicht dat niet gezegd kan worden dat A door B nagenoeg geheel wordt onderhouden. Mitsdien kan B geen aanspraak doen gelden op kinderaftrek terzake.

Hieruit volgt weer, dat B terecht op grond van artikel 16 A lid 1 sub a) LIB de kosten tot voorziening in het noodzakelijk levensonderhoud van A als buitengewone lasten op zijn onzuiver inkomen in mindering heeft gebracht.

6.4 Door B zijn die kosten tot voorziening in het noodzakelijk levensonderhoud van A gesteld op US 12.420,- à 1.80 = fl. 22.356,-. De Raad kan zich in deze opstelling vinden, nu deze haar grondslag vindt in een door de school van A ten behoeve van de U.S. Immigration Service gemaakte schatting.

Hierop dient dan in mindering te valideren het bedrag van fl.. 2.623,05 dat door A ten behoeve vaneigen onderhoud als inkomen is verworven.

De in aftrek te brengen buitengewone lasten voor A bedragen mitsdien fl. 19.732,95.

Het zuiver inkomen van B dient derhalve als volgt te worden berekend;

tabel

7. Beslissing:

De slotsom van het voorgaande moet zijn, dat de bestreden beschikking behoort te worden vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een zuiver inkomen van fl. 26.733,33.

Beslissende:

VERNIETIGT de beschikking waarvan beroep;

VERMINDERT de aanslag tot een naar een zuiver inkomen van fl.26.733,33.

mrs. A.P.M. Houtman, W.B. de Jong en T.J.M. Kolfschoten