Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1985:BS1087

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
30-05-1985
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
1985-007
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / 1976 / Aruba

Aankoopfacturen van NV, waarvan belanghebbende directeur-aandeelhouder is, zijn vervalst. De op die facturen vermelde bedragen zijn aanzienlijk hoger de bedragen (inclusief de bijkomende kosten) die in werkelijkheid voor dat materieel waren betaald. Voor een deel bestrijdt belanghebbende niet dat hij het geld heeft aangewend voor privé-doeleinden. Een deel zou overgeboekt zijn naar een derde in verband met diens bemoeienissen met de aankoop. Belanghebbende en de NV hebben dat niet aannemelijk kunnen maken. Uitdeling van winst.

Belanghebbende c.q. de NV moeten aantonen, dat reiskosten zakelijk waren, nu, door belanghebbende, in zijn functie van directeur van de NV, onregelmatigheden in de boekhouding van de NV zijn gepleegd, althans met medeweten van belanghebbende die onregelmatigheden zijn geschied als gevolg waarvan die boekhouding als ondeugdelijk dient te worden verworpen. Uitdeling van winst.

Kerstgeschenken plegen in het bedrijfsleven in het algemeen ten behoeve van bedrijfsrelaties te worden gegeven tot het bedrag dat de NV heeft gegeven.

Met betrekking tot de reiskosten van de stiefvader van belanghebbende naar Aruba heeft belanghebbende gesteld, dat de stiefvader geld ter beschikking van de NV heeft gesteld en dat betaling van de reiskosten van de stiefvader op grond van zakelijke motieven is geschied. De kosten zijn als winstuitdelingen aan te merken.

De reiskosten voor een uitje van belanghebbende en het personeel van de NV naar het carnaval in Trinidad dienen te worden aangemerkt als personeelskosten, nu het niet ongebruikelijk is, dat bedrijven met een zekere regelmaat - zulks ter bevordering van een goede stemming in het bedrijf - hun personeel op dergelijke uitjes trakteert.

Salaris van kind dat zich in het buitenland bevond is ten onrechte ten laste van de NV gebracht, nu voor dit “salaris” in het geheel geen arbeid is verricht. De uitgaven zijn als winstuitdelingen aan te merken.

De NV heeft drie dezelfde luxueuze automobielen. Twee daarvan worden gehouden om aan de persoonlijke wensen tegemoet te komen van belanghebbende als aandeelhouder in de NV. uitdeling van winst.

Een aantal depositorekeningen staan ten name van belanghebbende en/of (een aantal van) de kinderen van belanghebbende alsmede ten name van de stiefvader en een derde.

De inspecteur heeft niet aangetoond, dat belanghebbende zelf te zijnen gunste over die rente heeft beschikt. Gelet op het feit dat deze rekeningen ten name van belanghebbende en/of een andere persoon staan, is het aannemelijk dat minstens de helft van de rente-opbrengsten aan belanghebbende ten goede zijn gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

30 mei 1985

1985-007

Gezien het op 11 februari 1982 bij de Secretaris van de Raad ingekomen beroepschrift van L, wonende op Aruba, gemachtigde: eerst mr. R, later mr. L, gericht - tegen aan genoemde L - hierna verder te noemen: belanghebbende - opgelegde navorderingaanslag inkomstenbelasting over het jaar 1976, artikel <>, d.d. 28 december 1981 ten bedrage van f. 407.096,25;

Gezien de stukken en gehoord partijen;

OVERWEGENDE:

Bij voormeld beroepschrift is belanghebbende (formeel) in beroep gekomen tegen voornoemde navorderingsaanslag.

Vervolgens heeft belanghebbende bij op 30 augustus 1983 bij de Secretaris van de Raad ingekomen schriftuur dat beroepschrift doen toelichten.

Bij zijn op 25 november 1383 bij de Secretaris van de Raad ingekomen vertoogschrift heeft de Inspecteur de orderwerpelijke aanslag verminderd en nader vastgesteld naar een zuiver inkomen van f. 288.784,- met 100% verhoging; die aanslag bedraagt thans f. 259.282,50.

Bij zijn op 24 mei 1984 en 8 februari 1985 bij de Secretaris van de Raad ingekomen schrifturen heeft de Inspecteur zijn vertoogschrift aangevuld en nader toegelicht.

De Raad heeft aan aantal zittingen gehouden om partijen hun standpunten nader te doen uiteenzetten, laatstelijk ter zitting van 19 april 1985, waar alstoen uitspraak is gevraagd, welke is bepaald: zo spoedig mogelijk, uiteindelijk op heden is gegeven.

OVERWEGENDE VOORTS:

Belanghebbende is tijdig in beroep gekomen, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

Ten processe staat het volgende vast:

1. Belanghebbende is directeur en tevens aandeelhouder - voor na te melden tussen haakjes geplaatste percentage’s - in de na te noemen vennootschappen, alle gevestigd op Aruba:

- A NV. (55%);

- B NV. (75%);

- C NV. (100%).

2. Over het onderhavige jaar is belanghebbende, nadat door de Inspecteur enige correcties waren aangebracht in de betreffende aangifte, waartegen door belanghebbende geen bezwaar is gemaakt, in de inkomstenbelasting aangeslagen naar een zuiver inkomen van f. 26.385,-.

3. Bij een (nadien) door het Belasting Accountants Bureau (BAB) ingesteld boekenonderzoek bij de hiervoor genoemde vennootschappen, bleken een aantal onregelmatigheden in de boekhouding voor te komen, naar aanleiding waarvan de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd.

4. De nagevorderde bedragen vallen uiteen in na te melden onderdelen:

I. vermomde winstuitdelingen A NV. f. 134.733,-

II Idem B NV. f. 39.496,-

III. idem C NV. f. 9.617,-

IV. Niet aangegeven renteinkomsten f. 78.352,-

Uit een door het Belasting Accountants Bureau (BAB) ingesteld onderzoek bij A is, over het onderhavige jaar gebleken, dat door A, door bemiddeling van een zekere F een aantal stuk zwaar materieel in Miami U.S.A., zijn aangekocht.

De aankoopfacturen welke in de boekhouding van A waren verwerkt - aldus bleek de BAB, na de Amerikaanse Internal Revenue Service verzocht te hebben in deze zaak bijstand te verlenen – bleken te zijn vervalst, in dier voege, dat de op die facturen vermelde bedragen aanzienlijk hoger waren, dan de bedragen (inclusief de bijkomende kosten zoals vracht e.d. ,) die in werkelijkheid voor dat materieel waren betaald. Als gevolg van een en ander werd er een fictieve crediteurenpost in de boekhouding van A opgevoerd.

Van deze post werd een bedrag van f. 41.460,- door belanghebbende aangewend voor privé-doeleinden, terwijl een bedrag van f. 86.246,- werd overgeboekt naar een door genoemde F geopende bankrekening bij een bank in Miami, U.S.A..

Door belanghebbende, aldus nog steeds de Inspecteur, is op generlei wijze aangetoond, dat het laatstgenoemde bedrag is aangewend voor het doen van aankopen of het betalen van in de U.S.A. opgelopen kosten.

Belanghebbende heeft zich over het bedrag van f. 41.460,- in het geheel niet uitgelaten en zich tot dit bedrag kennelijk bij de navordering neergelegd.

Met betrekking tot het bedrag van f. 86.246,- heeft belanghebbende gesteld, dat dit bedrag aan F is toegevloeid grond van zijn bemoeienissen met de zaak, waarbij belanghebbende kennelijk doelt op de door F verrichte werkzaamheden in verband met de aanschaf van het zware materieel.

Belanghebbende - noch overigens A - heeft evenwel op enigerlei wijze aannemelijk kunnen maken, dat genoemd bedrag ook inderdaad ten goede is gekomen aan F; met name heeft belanghebbende c.q. A geen verklaring gegeven waarom een fictieve crediteurenpost moest wordén gecreëerd om daaruit betalingen aan genoemde F te doen voor de door hem verrichte werkzaamheden, waaruit de Raad afleidt, dat de door F in Amerika geopende bankrekening uitsluitend diende om belanghebbende ten laste van het vermogen van A te bevoordelen en wel in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van A. Ook tot het bedrag van f. 86.246 is derhalve terecht door de Inspecteur nagevorderd.

Voorts heeft de. Inspecteur gesteld, dat een bedrag van f. 540,- aan reiskosten alsmede een bedrag van f. 6.488,- aan kosten bedrijfsopening als onttrekkingen ten laste van het vermogen van A en ten gunste van belanghebbende - als aandeelhouder - dienen te worden aangemerkt.

Ter ondersteuning van die stelling voert de Inspecteur aan, dat aan het zakelijk motief van de reiskosten en de kosten in verband met bedrijfsopening “kan worden getwijfeld” omdat bewijsstukken omtrent die, door A gestelde, kosten niet konden worden getoornd.

Belanghebbende heeft daartegenover gesteld, dat aannemelijk is, dat die kosten zakelijk zijn, althans, dat de Inspecteur zal dienen aan te tonen, dat die kosten niet zakelijk zijn geweest.

Naar het oordeel van de Raad zal evenwel belanghebbende c.q. A hebben aan te tonen, dat die kosten zakelijk van karakter waren, nu, door belanghebbende, in zijn functie van directeur van A, onregelmatigheden in de boekhouding van A zijn gepleegd, althans met medeweten van belanghebbende die onregelmatigheden zijn geschied als gevolg waarvan die boekhouding als ondeugdelijk dient te worden verworpen.

Belanghebbende heeft evenwel niets concreets omtrent genoemde onkosten vermeld - bijvoorbeeld op welke reis genoemde kosten betrekking hadden, door wie die reis is gemaakt e.d. alsmede wanneer de bedrijfsopening van A heeft plaats gevonden; het aantal genodigden bij die opening; wat die genodigden geserveerd hebben kregen etc.- op grond waarvan de Raad van oordeel is, dat ook deze kosten terecht als onttrekkingen zijn aangemerkt.

Met betrekking tot de onttrekkingen bij B ten bedrage van f. 39.496, heeft de Inspecteur gesteld dat dit bedrag betrekking heeft op een post kerstgeschenken ten bedrage van f. 3.435,-, een post reiskosten van in totaal f. 1.141,- door de vennootschap betaald ten behoeve van zekere J – stiefvader van belanghebbende - W. L, C en P, een post van f. 23.5?5,- zijnde aan de kinderen van belanghebbende uitbetaalde salarissen alsmede een post autokosten van f. 11.936,- waarvan niet kan worden aangetoond, dat genoemde posten op grond van zakelijke motieven zijn betaald.

Wat betreft de kerstgeschenken is de Raad van oordeel, dat in het bedrijfsleven in het algemeen ten behoeve van bedrijfsrelaties kerstgeschenken plegen te worden gegeven en dat het aannemelijk voorkomt, dat door A tot een bedrag van f. 3.435,- op zakelijke gronden kerstgeschenken zijn gegeven. Met dit bedrag dient het nader vastgestelde zuiver inkomen te worden verminderd.

Met betrekking tot de reiskosten van J naar Aruba heeft belanghebbende gesteld, dat J gelden ter beschikking van A heeft gesteld en dat derhalve betaling van de reiskosten van J op grond van zakelijke motieven is geschied. Belanghebbende heeft evenwel niet concreet gesteld, waarvoor die reiskosten zijn gemaakt, met name niet welk zakelijk doel met die reiskosten was gediend, zodat het er voor gehouden moet worden - mede gezien de relatie waarin J tot belanghebbende staat - dat die kosten niet op grond van zakelijke motieven zijn gemaakt. Terecht zijn dan ook deze kosten door de Inspecteur als onttrekkingen bij de onderwerpelijke vennootschap ten gunste van belanghebbende aangemerkt.

De overige reiskosten zijn kennelijk gemaakt voor een uitje van belanghebbende en het personeel van de vennootschap naar het carnaval in Trinidad. Deze kosten dienen, naar het oordeel van de Raad, te worden aangemerkt als personeelskosten, nu het niet ongebruikelijk is, dat bedrijven met een zekere regelmaat - zulks ter bevordering van een goede stemming in het bedrijf - hun personeel op dergelijke uitjes tracteert. Nu evenwel de Inspecteur noch belanghebbende heeft aangegeven van welke omvang deze kosten waren, zal de Raad deze ex aequo et bono stellen op f. 850.

Met dit bedrag dient derhalve het nader vastgestelde zuiver inkomen te worden verminderd.

Ten aanzien van de aan de kinderen van belanghebbende betaalde salarissen heeft belanghebbende uitsluitend gesteld, dat een kind (M) wel in het bedrijf heeft gewerkt, zulks naar aanleiding van de stelling van de inspecteur dat het hier geen salarissen betrof omdat die kinderen niet in het bedrijf werkten.

M verrichtte in het onderhavige jaar werkzaamheden in het administratieve vlak, aldus belanghebbende, terwijl MP, die eveneens tot het huishouden van belanghebbende behoort, werkzaamheden verrichtte als koffiemeisje/schoonmaakster.

Uit de stukken blijkt, dat kennelijk Inspecteur de volgende salarissen als onttrekkingen heeft aangemerkt: van Ci: f. 8.137-; van M f. 7.251,- en van MP: f. 8.137,-.

Genoemde Ci bevond zich in het onderhavige jaar in het buitenland, zodat in ieder geval tot het bedrag van f. 8.137,— ten onrechte salaris ten laste van de vennootschap in gebracht, nu voor dit “salaris” in het geheel geen arbeid is verricht, terwijl de Inspecteur naar het oordeel van de Raad, met recht dit bedrag als onttrekking bij belanghebbende heeft nagevorderd.

Op grond van het feit, dat voornoemde Ci geen arbeid heeft verricht in het onderwerpelijke jaar en daarbij in aanmerking nemend, dat het BAB heeft geconcludeerd, dat het aantal personeelsleden onevenredig groot was met betrekking tot het in de onderwerpelijke vennootschap te verrichten werkzaamheden, heeft de Inspecteur ook de salarissen van voornoemde M en MP als onttrekkingen aangemerkt.

Naar het oordeel van de Raad, temeer nu belanghebbende stelt, dat M en MP wel werkzaamheden ten behoeve van de vennootschap hebben verricht, kan de Inspecteur niet volstaan met zijn hiervoor weergegeven stelling. Immers de Inspecteur zal hebben aan te tonen - gelijk hij bij Ci heeft gedaan - dat voor de salarissen van M en MP geen arbeid is verricht door die personen. Daarin is de Inspecteur niet geslaagd, zodat de Raad ervan uitgaat, dat die salarissen terecht zijn betaald.

Ten onrechte heeft derhalve de Inspecteur een bedrag van f. 15.388,- tot het nader vastgestelde zuiver inkomen gerekend.

Met betrekking tot de autokosten heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld, dat 2/3 van de autokosten, die betrekking hebben op de drie personenautomobielen merk Lincoln Continental 1975, welke ten laste van de onderwerpelijke vennootschap zijn gebracht als onttrekking gunste van belanghebbende dienen te worden aangemerkt. Daartoe voert de Inspecteur aan, dat niet wel valt in te zien, dat genoemde vennootschap uit zakelijke overwegingen drie dezelfde luxueuze automobielen nodig heeft en dat twee daarvan worden gehouden om aan de persoonlijke wensen tegemoet te komen van belanghebbende als aandeelhouder in de N.V..

Belanghebbende heeft daar tegenover gesteld, dat één van die automobielen wordt aangehouden ten behoeve van de directie en de overige twee ten behoeve van de zakenrelaties van de vennootschap.

Met de Inspecteur is de Raad evenwel van oordeel, dat belanghebbende - behoudens de hiervoor weergegeven blote bewering van belanghebbende - niet heeft kunnen aantonen, dat twee van genoemde automobielen om zakelijke redenen door de vennootschap worden aangehouden. Met name heeft belanghebbende niet aangegeven, welke dan wel de zakenrelaties zijn, voor wie die auto’s worden aangehouden en evenmin de frequentie, waarmee die auto’s voor die zakenrelaties worden gebruikt. Daarbij ligt het voor de hand, in geval eeñ zakenrelatie van een auto gebruik wenst te maken, dat alsdan een auto wordt gehuurd in plaats van het aanhouden van twee dure automobielen door de vennootschap.

Terecht is dan ook het onderwerpelijke bedrag in de navordering betrokken.

Met betrekking tot de onttrekkingen aan C:

Het betreft hier de volgende bedragen:

f. 7.241,- niet verantwoorde omzet;

f. 1.500,- niet verantwoorde juke-boxopbrengsten, welke naar de Inspecteur heeft gesteld, zijn geschat op basis van ervaringsregels en

f. 1.076,- niet zakelijke autokosten.

Belanghebbende heeft met betrekking tot bovengenoemde posten in het geheel niets gesteld, waaruit de Raad afleidt, dat tot de hiervoor genoemde bedragen onttrekkingen ten gunste van belanghebbende ten laste van genoemde vennootschap hebben plaats gevonden

Tenslotte heeft de Inspecteur een bedrag van f. 78.352,- terzake van genoten renteopbrengten nagevorderd.

Ter ondersteuning van deze handelwijze voert de Inspecteur aan, dat belanghebbende sinds 1972 de beschikking heeft gehad over een aantal depositorekeningen bij de A Bank ten name van belanghebbende en/of (een aantal van) de kinderen van belanghebbende alsmede ten name van zekere MP en J.

De inspecteur stelt nu, dat de rente over die depositorekeningen geheel is ten goede gekomen aan belanghebbende.

Echter in beginsel hebben rekeninghouders van die rekeningen recht op de op die rekeningen vergoede rente - hoezeer ook die rekeningen mogelijkerwijs dienen tot zekerheid voor de betaling van bedrijfsschulden - tenzij wordt aangetoond, dat belanghebbende zelf te zijnen gunste over die rente heeft beschikt. De Inspecteur heeft zulks evenwel niet aangetoond - bijvoorbeeld door het overleggen van bescheiden, waaruit zou kunnen worden afgeleid, dat de rente inderdaad geheel ten goede is gekomen - terwijl ook overigens de Raad niet is gebleken, dat vorenbedoelde rente - welk bedrag op geen enkele wijze door de inspecteur is gespecificeerd - geheel is ten goede gekomen aan belanghebbende.

Gelet evenwel op het feit dat deze rekeningen ten name van belanghebbende en/of een andere persoon staan, acht de Raad het in elk geval aannemelijk dat minstens de helft van de rente-opbrengsten aan belanghebbende ten goede zijn gekomen. In verband daarmee zal de Raad, ex aequo et bono oordelend, de helft van deze rente als inkomen van belanghebbende beschouwen

Uit al het vorenoverwogene volgt, dat de onderwerpelijke navorderingsaanslag dient te worden vernietigd en dat die aanslag dient te worden opgelegd naar een nader vastgesteld zuiver inkomen als na te melden, terwijl de verhoging van 100% dient te worden gehandhaafd.

BESCHIKKEND:

Vernietigt de navorderingsaanslag, waarvan beroep;

Vermindert de navorderingsaanslag tot een naar een nader vastgesteld zuiver inkomen van f. 229.935,- te verminderen met de kinderaftrek en onder handhaving van de door de Inspecteur opgelegde verhoging.

mrs. J.G.A. Molenaar, H. Warnink en A.P.M. Houtman