Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1984:BS1080

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
24-10-1984
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
1984-010
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

24 oktober 1984

1984-010

Gezien het op 1 maart 1984 bij de Secretaris van de Raad ingekomen beroepschrift van S, <> Nederland. V (hierna verder te noemen: belanghebbende) gericht tegen de beschikking van de Inspecteur der Belastingen d.d. 14 november 1983 op het bezwaarschrift tegen de aan belanghebbende over het jaar 1980 ope1egde aanslag in de Inkomstenbelasting, artikel <>, hiertoe strekkende dat de Raad genoemde beschikking in zoverre zal vernietigen, dat alsnog rekening wordt gehouden met een niet door de Inspecteur aanvaard bedrag aan verwervingskosten primair ad f. 585,-, subsidiair ad f. 266,67 en de aanslag over het onderhavige jaar dienovereenkomstig te verminderen.

Gezien het vertoogschrift van de Inspecteur alsmede het verweerschrift van belanghebbende;

Gezien de overige stukken:

OVERWEGENDE:

Belanghebbende is tijdig en uiteindelijk op de voorgeschreven wijze in beroep gekomen, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

De Inspecteur heeft, na bezwaar van belanghebbende, bij zijn onderwerpelijke beschikking - daarbij gedeeltelijk aan de bezwaren van belanghebbende tegemoetkomend - de aanslag verminderd tot een naar een zuiver inkomen van f. 26.074,- te verminderen met een kinderaftrek van f. 83,-.

Belanghebbende is van deze beschikking in beroep gekomen in de eerste plaats stellende, dat de Inspecteur ten onrechte niet het bedrag van de door belanghebbende, over het onderhavige jaar aangegeven kosten van verwerving heeft aanvaard, doch slechts een bedrag van f. 133,33.

Ter ondersteuning van deze stelling voert belanghebbende - kort en zakelijk samengevat - het volgende aan:

De door hen aangegeven kosten van verwerving over het onderwerpelijke jaar bedroegen in totaal f. 718,14, waarvan een bedrag van f. 543,41 betrekking had op kosten in verband met het vervoer per auto van zijn woning naar zijn werk v.v.

Deze vervoerskosten zijn aftrekbaar als kosten van verwerving, aangezien hij geen enkele invloed heeft kunnen uitoefenen op de hoogte van deze kosten, nu hem, bij het aangaan van zijn dienstbetrekking, eenzijdig door zijn werkgever een woning is toegewezen in J. Zelfs de aanschaf van een tweede auto werd hierdoor noodzakelijk bij gebreke van geschikt openbaar vervoer en/of door zijn werkgever geregeld vervoer.

Voorts had hij zich contractueel verbonden 24 uur per dag ter beschikking te staan van zijn werkgever, vanwege het continue karakter van het bedrijf van zijn werkgever - een raffinaderij -. Er werd op abnormale tijden een beroep op zijn aanwezigheid op het werk gedaan, doorgaans met een spoedeisend karakter.

De Inspecteur heeft betoogd, dat die kosten niet zijn aan te merken als verwervingskosten, doch als particuliere uitgaven van de werkende mens en beroept zich onder meer op BNB 1960/183.

Op de Nederlandse Antillen en meer in het bijzonder op Curaçao behoort, naar het oordeel van de Raad, in het algemeen het houden van een auto tot het persoonlijk levenspatroon van de gemiddelde belastingplichtigen gelijk belanghebbende, zodat de aanschaf van een (eerste of tweede) auto niet is te beschouwen als noodzakelijk voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking van belanghebbende terwijl bovendien belanghebbende op een betrekkelijk korte afstand woont van het bedrijf (minder dan 10 km) weshalve kosten als de onderhavige dienen te worden gerekend tot de normale, aan het leven van de werkende belastingplichtigen als belanghebbende, verbonden vervoerskosten, welke niet kunnen worden aangemerkt als kosten van verwerving in de zin van artikel 9 LIB; uit het voorgaande volgt dat aan een en ander niet afdoet, dat belanghebbende door zijn werkgever een woning kreeg toegewezen noch ook de aanschaf door belanghebbende van een tweede auto.

Belanghebbende heeft nog wel gesteld, dat hij 24 uur per dag ter beschikking van zijn werkgever diende te staan en op abnormale tijden een beroep op zijn aanwezigheid werd gedaan - zulks doorgaans met een spoedeisend karakter - maar nog daargelaten wat er van deze stelling overigens zij, belanghebbende heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld, waaruit zulks kan worden afgeleid, terwijl de inhoud van de bijlage bij de aangifte over het onderwerpelijke jaar, waarin een specificatie wordt gegeven van die kosten van vervoer huis/werk, eerder op het tegendeel wijst.

Uit het voorgaande volgt, dat deze stelling van belanghebbende dient te worden verworpen en dat de Inspecteur terecht het onderwerpelijke bedrag niet als kosten van verwerving heeft aanvaard.

Voorts heeft belanghebbende gesteld - voor het geval zijn vorenbedoeld standpunt niet zou worden aanvaard - dat de inspecteur ten onrechte het forfait, naar evenredigheid van het aantal hier te lande gewerkte dagen, heeft toegepast, nu daarvoor in de wet geen basis is te vinden.

Artikel 12 LIB bepaalt, voorzover hier van belang:

“De belasting wordt geheven over het in enig belastingjaar genoten zuiver inkomen. Heeft de belastingplicht slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar bestaan, dan treedt dit gedeelte (belastingtijdvak) daarvoor in de plaats.

Ter berekening van de dan verschuldigde belasting wordt het in het belastingtijdvak genoten zuiver inkomen .... herleid tot een voljaarsinkomen en is van de hierover te berekenen belasting over een vol jaar, zoveel driehonderdzestigsten verschuldigd als het aantal dagen bedraagt, waarover in het kalenderjaar belastingplicht heeft bestaan.”

Uit het voorgaande volgt, dat bij de berekening van de belasting over enig jaar, in beginsel alle bestanddelen van het zuiver inkomen dienen te worden herleid tot het volle jaar, waaronder derhalve tevens het forfait, waarna de evenredigheid dient te worden toegepast.

Dit betekent, dat de Inspecteur het forfait naar evenredigheid zal dienen toe te passen, terzijde belastingplichtige aantoont, dat de werkelijk gemaakte kosten over het betreffende deel van het jaar hoger waren dan het forfait (artikel 9, lid 3 LIB).

Zulks is het geval tot een bedrag van f. 175,-, zodat, naar het oordeel van de Raad, alsnog dit bedrag als kosten van verwerving in aanmerking zal dienen te worden genomen, nu de inspecteur tegen dat bedrag, op zichzelf, geen (gemotiveerde) bezwaren heeft ingebracht en de Raad die kosten aannemelijk en gegrond voorkomen.

De aanslag kan derhalve op dit punt niet in stand blijven.

Nu belanghebbende geen bezwaren heeft gemaakt tegen het niet aanvaarden van de Inspecteur van een negatieve post ten bedrage van f. 19,1l, gaat de Raad ervan uit, dat belanghebbende zich daarmee nader heeft kunnen verenigen.

BESLISSENDE:

Vernietigt de beschikking, waarvan beroep.

Vermindert de aanslag tot een naar een zuiver inkomen van f. 26.032,- (te verminderen met f. 83,- kinderaftrek).

mrs. J.G. A. Molenaar, H. Warnink en A.P.J. Houtman