Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1983:BR6187

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
07-11-1983
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
1983-006
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

7 november 1983

1983-006

Gezien het op 11 mei 1983 bij de Raad ingekomen beroepschrift, gericht tegen de uitspraak van de Inspecteur van 4 mei 1983 op een bezwaarschrift zijdens de vennootschap betreffende een navorderingsaanslag terzake van meer verschuldigde accijns op sigaretten van 16 januari 1974;

Gezien de op 15 juli 1983 ingekomen nadere toelichting op het beroepschrift zijdens de vennootschap, met de daarbij gevoegde bijlagen;

Gezien het op 15 juli 1983 ingekomen vertoogschrift zijdens de Inspecteur met de daarbij gevoegde bijlage;

Gezien tenslotte het op 24 augustus 1983 ingekomen verweerschrift zijdens de vennootschap;

Gehoord tijdens de mondelinge behandeling van 3 november 1983 zijdens de vennootschap L en de Inspecteur:

Overweegt als volgt:

1. Uit de aan de Raad overgelegde stukken blijkt het navolgende. Bij brief van 16 januari 1974 heeft de Inspecteur de vennootschap bericht dat deze f. 29.787,88 diende bij te betalen aan accijns op een hoeveelheid op 1 januari 1974 in de fabriek van de vennootschap aanwezige sigaretten.

Bij op 13 maart 1974 gedateerde en blijkens een stempel daarop op 21 maart 1974 ter inspectie ontvangen brief heeft de vennootschap bezwaar gemaakt tegen de mededeling van de Inspecteur dat zij genoemd bedrag moest bijbetalen. Hierop zijn van beide kanten enige brieven gevolgd en wel laatstelijk op 9 juli 1975 zijdens de Inspecteur. Daarop is een tijd lang niets gebeurd totdat de Inspecteur bij brief van 4 mei 1983 uitspraak heeft gedaan op het bezwaarschrift van de vennootschap. In deze uitspraak heeft de Inspecteur de vennootschap niet- ontvankelijk verklaard in haar bezwaar op de grond dat zij dit niet binnen een maand na de mededeling van de meer verschuldigde accijns had ingediend.

2. Tegen deze laatste uitspraak van de Inspecteur is de vennootschap in beroep gekomen bij de Raad. Zij deed dit binnen de in artikel 128b lid 3 van de Algemene Verordening I. U. en D. 1908 (P.B. 1949, nr. 62) gestelde termijn van een maand en kan daarom in haar beroep worden ontvangen.

3. De vennootschap voert primair aan dat de Inspecteur niet heeft gehandeld in overeenstemming met de beginselen van behoorlijk bestuur. De Inspecteur heeft volgens haar te kort gedaan aan het vertrouwen dat zij ten aanzien van de door de belastingadministratie te volgen gedragslijn heeft mogen ontlenen aan uitlatingen van de voor de dienst verantwoordelijke overheidsorganen.

Feitelijk heeft zij hiertoe gesteld dat uit de brieven van de Inspecteur uit 1974 en 1975 bleek dat de zaak in behandeling was waardoor de Inspecteur bij haar het vertrouwen wekte dat haar bezwaarschrift ontvankelijk was en dat de Inspecteur desondanks negen jaar later de mededeling heeft uit doen gaan dat dit niet het geval was.

4. De Inspecteur heeft hierop gereageerd met de stelling dat de wettelijke termijn waarbinnen de vennootschap bezwaar kon maken, van openbare orde is, om welke reden de vennootschap niet ontvankelijk was in haar bezwaar.

5. De Raad laat deze kwestie in het midden omdat de beslissing van de Inspecteur om de vennootschap niet te ontvangen juist is, zij het om een andere dan de daarvoor door de Inspecteur aangevoerde reden. Het gaat in casu om een bevel tot bijbetaling van accijns. Tegen een dergelijk bevel kan geen bezwaar worden gemaakt bij de inspecteur. In de Landsverordening accijns op sigaretten 1967 (P.B. 1970, nr. 96) is geen voorziening op dit punt getroffen terwijl artikel 128b van de Algemene Verordening I.U . en D. 1908 daarvoor evenmin een basis oplevert. In lid 1 van dat artikel, waar die basis in zou moeten worden gevonden, wordt namelijk alleen bezwaar mogelijk gemaakt tegen de berekening van invoerrechten of de toepassing van het tarief op ten invoer aangegeven goederen.

6. In hoeverre een mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een dergelijk bevel in het leven geroepen zou moeten worden, is een vraag die zich aan de beoordeling van de Raad onttrekt. In Nederland is deze vraag in positieve zin beantwoord door opneming van een nieuw artikel 22a in de Wet op de accijns van tabaksfabrikaten. De Raad verwijst hierbij naar deel 137 van de editie Schuurman & Jordens, blz. 502-503, waar ook een toelichting wordt gegeven betreffende de onderhavige kwestie.

7. De Raad wil hier wel aan toevoegen dat hij het betreurt en ongewenst acht dat de Inspecteur niet binnen korte termijn na indiening van het bezwaarschrift aan de vennootschap heeft bericht dat zij daarin niet kon worden ontvangen. De Inspecteur heeft de Raad geen verklaring gegeven waarom dit niet is gebeurd. Zoals al uit het bovenstaande blijkt kan de Raad hieraan echter niet het gevolg verbinden dat de Inspecteur de vennootschap niet meer niet-ontvankelijk mocht verklaren.

BESLIST:

Bevestigt met wijziging van gronden de beslissing van de Inspecteur van 4 mei 1983, waarvan beroep.

Mrs. P.A. Offers, J.G.A. Molenaar en D.M.E. de Sampayo Garrido-Nijgh