Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBNAA:1983:BR5841

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
29-04-1983
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
1983-001
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / 1974 / Curaçao

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

29 april 1983

1983-001

Wederom gezien het beroepschrift van Mr. P, wonende te <>, Verenigde Staten van Noord-Amerika, gemachtigden: L te Curaçao, en M, advocaat te <>, Nederland van 21 september 1978 en gericht tegen de beschikking van de Inspecteur der Belastingen op Curaçao d.d. 18 mei 1978 op het door genoemde P (belanghebbende) d.d. 16 maart 1978 ingediende bezwaarschrift tegen de aan hem over het jaar 1974 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting, kohierartikel no. <>, bij welke beschikking de opgelegde aanslag werd gehandhaafd;

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook de uitspraak van de Raad van 22 oktober 1982 en het proces-verbaal van de op 10 december 1982 gehouden zitting.

<u>Overwegende ten aanzien van de feiten:</u>

Bij voormelde uitspraak van 22 oktober 1982 heeft de Raad een verschijning van partijen gelast ter terechtzitting op 10 december 1982, van welke zitting het hiervoor genoemde proces-verbaal is opgemaakt.

De inhoud van die uitspraak en genoemd proces-verbaal wordt geacht hier te zijn ingelast.

Vervolgens is uitspraak bepaald zo spoedig mogelijk en uiteindelijk op heden.

<u>Overwegende ten aanzien van het recht: </u>

1. Belanghebbende is tijdig in beroep gekomen, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

2. Blijkens zijn aangifte inkomstenbelasting voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende een zuiver inkomen van f. 287.085 aangegeven.

De bestanddelen van dit inkomen bestaan uit:

tabel 1

Blijkens het tegen de onderwerpelijke aanslag ingediende bezwaarschrift en het beroepschrift, stelt belanghebbende zich uiteindelijk op het standpunt dat zijn zuiver inkomen voor het onderhavige jaar dient te worden gesteld op f. 298.035,—.

3. De Inspecteur heeft de aanslag over het onderhavige jaar opgelegd naar een zuiver inkomen van f. 530.700,- na op de volgende bestanddelen van het (zuiver) inkomen de daarachter vermelde correcties te hebben aangebracht:

tabel 2

4. Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende geen bezwaren tegen de correcties dividend OM ad f. 950,- en repatriëringkosten ad f. 10.000,- gemaakt, zodat deze correcties niet in geschil zijn.

Voorts heeft de Inspecteur zijn standpunt dat belanghebbende in het onderhavige jaar ten aanzien van zijn debiteuren niet (meer) het zogenaamde kasstelsel zou kunnen volgen, laten varen en alsnog de correctie debiteuren ten bedrage van f. 75.000,— teruggenomen.

Gezien het feit dat belanghebbende slechts enkele jaren na het onderhavige jaar zijn op Curaçao gevestigde advocatenpraktijk c.a. heeft beëindigd en in aanmerking genomen de niet (voldoende) weersproken stelling van belanghebbende, dat het merendeel, althans een belangrijk deel van de op de Nederlandse Antillen opererende advocaten genoemd stelsel hanteren, komt dit stelsel de Raad in het onderhavige geval aanvaardbaar voor.

Een en ander houdt in dat belanghebbende de correctie debiteuren ten bedrage van f. .75.000,- terecht heeft bestreden, zodat de aanslag op dat punt niet in stand kan blijven.

5. Als grief van de verste strekking heeft belanghebbende aangevoerd, dat de Inspecteur in het onderhavige geding niet meer kan terugkomen op door belanghebbende bij zijn bezwaarschrift aangevoerde bezwaren, voor zover de Inspecteur in de beschikking waarvan beroep niet uitdrukkelijk op die waren is ingegaan, zodat - naar de Raad belanghebbende begrijpt die bezwaren als terecht voorgedragen in beroep niet meer aan de orde kunnen komen.

Deze grief is door de Inspecteur bestreden, naar het oordeel van de Raad terecht. Immers, anders dan belanghebbende kennelijk meent, vormt de bezwaarfase in een belastinggeschil als het onderhavige, niet de eerste aanleg van een belastingprocedure, maar een binnen de belastingadministratie plaats vindende hernieuwde toetsing van een (eerder) opgelegde aanslag. Daarenboven kent de fiscale wetgeving slecht één instantie, zodat partijen vóór het instellen van beroep niet geacht kunnen worden hun recht te hebben verwerkt om in die procedure haar conclusies te grondvesten op stellingen, die zij in een eerder stadium niet hebben aangevoerd (vgl. mr. P. Meyes, Fiscaal Procesrecht, tweede druk, blz. 91 e.v.). Deze grief dient dan ook te worden verworpen.

6. Belanghebbende klaagt er voorts over, in zijn verweer tegen de stellingen van de Inspecteur in ernstige mate te worden bemoeilijkt, omdat zijn boekhouding met betrekking tot het onderhavige jaar - zowel de boekhouding van zijn (voormalige) advocatenpraktijk als van het incassobureau - hem niet ter beschikking staat, maar berust onder de Inspecteur.

De Inspecteur heeft deze stelling niet bestreden, reden waarom de Raad heeft gemeend, dat belanghebbende alsnog in staat diende te worden gesteld, die boekhouding te raadplegen.

In verband hiermee - en mede omdat de Raad het noodzakelijk achtte, dat belanghebbende in persoon voor de Raad zou verschijnen - is belanghebbende, zulks door bemiddeling van de Inspecteur door de Ontvanger van het Eilandgebied voor een zekere periode een vrijgeleide verschaft op Curaçao met dien verstande, dat belanghebbende over de verschillende in geding zijnde jaren (1974, 1975, 1976 en 1977) de, op basis van zijn eigen aangiften inkomstenbelasting over die jaren verschuldigde inkomstenbelasting ten bedrage van f. 178.368,35 vóór zijn aankomst op Curaçao zou betalen. Daartoe was belanghebbende, o.a. blijkens zijn brief van 29 november 1982 gericht aan de Raad, niet bereid hoewel hij de hoogte van dit bedrag daarin niet heeft weersproken. Uit het proces-verbaal van de zitting van de Raad op 10 december 1982 blijkt dat belanghebbende ook niet voor de Raad is verschenen.

Belanghebbende stelt zich - afgezien van andere, naar het oordeel van de Raad niet terzake dienende argumenten - op het standpunt, dat hem destijds is toegezegd, dat de vrijgeleide onvoorwaardelijk zou zijn en verwijst in dit verband naar de processen-verbaal van de op 14 januari 1982 en op 26 april 1982 gehouden zittingen van de Raad.

In deze processen-verbaal wordt evenwel met geen woord gerept over een onvoorwaardelijke vrijgeleide, zodat alleen al hierom deze stelling van belanghebbende dient te worden verworpen.

Daarbij merkt de Raad nog op, dat het niet aangaat dat een belastingplichtige zijn op basis van eigen aangiften verschuldigde inkomstenbelasting over bepaalde jaren niet betaalt, zeker niet wanneer hij het bedrag daarvan niet heeft betwist. De voorwaarde dat belanghebbende dat zou doen, kon dan ook met recht aan de vrijgeleide verbonden worden.

Op grond van een en ander verwerpt de Raad de onderwerpelijke klacht. Belanghebbende heeft het aan zichzelf te wijten dat hij vorenbedoelde bescheiden niet heeft kunnen raadplegen.

7. Ter ondersteuning van zijn verweer tegen de door de Inspecteur gemaakte correctie representatiekosten ten bedrage van f. 6.000,- (welke evenwel uiteindelijk door de Inspecteur tot 1/3 derhalve f. 2.000,- zijn geaccepteerd) voert belanghebbende, voor zover hier van belang, aan, dat deze kosten uitgaven betreffen, gedaan ten behoeve van zijn beroepsuitoefening, zoals drank, sigaretten, maaltijden, cadeaux en zakelijke donaties aan instellingen, die echter niet als zodanig gespecificeerd zijn opgenomen, doch zijn vastgesteld aan de hand van een schatting, zulks in overleg met zijn accountant en belastingconsulent.

Naar het oordeel van de Raad is het bij beoefenaren van vrije beroepen - zoals belanghebbende - in het algemeen niet gebruikelijk, dat zij allerlei (kleinere) kosten als door belanghebbende genoemd, specifiek verantwoorden in hun boekhouding, temeer omdat veelal voor deze kosten geen boekhoudkundige bescheiden voorhanden zijn.

Onder dergelijke omstandigheden moet het aanvaardbaar geacht worden, dat die kosten aan de hand van een redelijke schatting worden vastgesteld. Uitgaande van de door belanghebbende in zijn jaarstukken over het onderhavige jaar aangegeven omzet ten bedrage van ruim f. 562.000,-

- wat er ook overigens van deze omzet zij - bedragen de onderwerpelijke kosten ongeveer 1% van die omzet, terwijl indien zou worden uitgegaan van het standpunt, dat de Inspecteur ten aanzien van die omzet inneemt, dat percentage niet onaanzienlijk onder de 1% zou liggen.

Dit percentage komt de Raad in het onderhavige geval niet onredelijk voor, zodat in deze belanghebbende in het gelijk kan worden gesteld.

Dit houdt in dat de aanslag ook op dit punt niet in stand kan blijven.

8. Met betrekking tot de correctie aanvullende autokosten ten bedrage van f. 3.000, voert belanghebbende aan, dat hij zijn eigen auto - zijn vrouw bezat, naar niet weersproken is, een auto voor haarzelf - tot zijn privé-vermogen heeft gerekend, waardoor er als zodanig geen afschrijving en overige koste ten laste van de resultaten van de praktijk zijn gebracht, maar dat de auto (nagenoeg) geheel voor zakelijke doeleinden werd gebruikt. Een en ander impliceert, aldus belanghebbende, dat het bedrag van f. 3.000 per jaar, boven de ten laste van de praktijk gebrachte f. 125,- per maand ter zake van deze auto zeker een juiste weerspiegeling is van de zakelijke kosten van die auto.

Hiertegen heeft de Inspecteur aangevoerd dat die kosten in het geheel niet zijn aangetoond en evenmin is aangetoond, dat de auto (nagenoeg) geheel voor zakelijke doeleinden werd gebruikt

Ingevolge artikel 9, lid 1 van de Landsverordening op de Inkomstenbelasting 1943 - voor zover hier van belang - wordt ter berekening van het zuiver bedrag de opbrengst uit onderneming verminderd met de kosten van verwerving, inning en behoud der opbrengst en met de op die opbrengst rustende lasten, zoals de bedrijfs- en beroepskosten, waaronder worden verstaan kosten nodig voor de uitoefening van een bedrijf of beroep of rechtstreeks daartoe betrekking hebbende.

Op grond van deze bepaling kan belanghebbende, in beginsel, de door belanghebbende met zijn eigen auto gemaakte kosten, voor zover gemaakt in het kader van de uitoefening van zijn beroep, als kosten rechtstreeks op het beroep betrekking hebbend, in mindering brengen op de opbrengst ervan.

Belanghebbende heeft evenwel geen enkel gegeven omtrent de onderwerpelijke kosten verschaft (zoals het totaal in het onderhavige jaar met die auto gereden kilometers, het aantal zakelijke kilometers en, bijvoorbeeld, de kosten per kilometer) zodat ervan moet worden uitgegaan, dat de voor deze auto ontvangen onkostenvergoeding van f. 125,- per maand, in beginsel kostendekkend was. Nu evenwel de Inspecteur die kosten tot op een bedrag van 1/3 van f. 3.000,- of te wel f. 1.000,- wil accepteren - er daarbij kennelijk van uitgaand, dat een onkostenvergoeding van f.125,- per maand in het onderhavige geval niet geheel toereikend is, waarmee de Raad zich kan verenigen - zal de Raad in deze de onderwerpelijke kosten op een bedrag van f. 1.000,- stellen. Ook ten aanzien van deze post kan derhalve de aanslag niet in stand blijven.

9. Met betrekking tot de correctie baten/lasten “A” ten bedrage van (voor het onderhavige jaar) f. 28.665,- komt het betoog van belanghebbende hierop neer, dat in 1977 over de jaren 1973, 1974, 1975, 1976 en 1977 tot en met 31 augustus door D, accountants, rapporten - c.q. jaarstukken - zijn opgemaakt van de bedrijfsresultaten van het incassobureau “A” na een daartoe door die accountants ingesteld (boeken-)onderzoek bij dat incassobureau. Uit die rapporten, aldus belanghebbende, blijkt dat de resultaten van dat bureau aanzienlijk slechter zijn dan uit de aanvankelijk - naar de Raad begrijpt: door B - opgestelde en in de aangifte over het onderhavige

jaar vermelde resultaten bleek. Daarbij voert belanghebbende tevens aan dat over het jaar 1973 de door D becijferde resultaten van het bureau wel door de Inspecteur zijn aanvaard, waaraan belanghebbende de conclusie verbindt, dat het beleid van de Inspecteur consequent dient te zijn en er geen enkele logische reden is voor 1974 tot en met 1976 te verwerpen wat voor 1973 is aanvaard, temeer, aldus nog steeds belanghebbende, omdat de BAD in de vele gesprekken met D nooit ook maar enige bedenkingen tegen het door D becijferde bedrijfsresultaat heeft laten blijken.

Ten aanzien van deze correctie heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld, dat controle op die post door de Belastingaccountantsdienst niet mogelijk was door het ontbreken van een gedeelte van de administratie en het niet aansluiten van de subadministratie debiteuren en crediteuren met de financiële administratie, daarbij verwijzende naar het bij vertoogschrift overgelegde rapport van D. Daartegen voert belanghebbende (in zijn commentaar op de op 6 oktober 1982 vanwege de Inspecteur aan de Raad toegezonden stukken d.d. 30 november 1982) aan dat zijn gehele administratie, na beëindiging van het onderzoek, door de accountants eigenhandig aan de Inspecteur is overgedragen, waarmee, naar de Raad begrijpt, belanghebbende bedoelt te zeggen, dat de Inspecteur over alle in de onderhavige zaak van belang zijnde administratieve gegevens beschikt.

10. In de eerste plaats merkt de Raad op dat, anders dan belanghebbende stelt, de Inspecteur met betrekking tot het opleggen van een aanslag over enig jaar, (de gegevens over) dat jaar afzonderlijk beziet en derhalve, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, zoals een schriftelijke of uitdrukkelijke mondelinge toezegging, die te dezen niet zijn gesteld, niet gebonden is aan een beslissing ten aanzien van een zelfde post genomen in een ander jaar.

Aan een en ander doet niet af dat, zoals belanghebbende stelt, de BAD nimmer bedenkingen tegen de door D becijferde resultaten heeft laten blijken, nu niet de BAD, maar de Inspecteur - eventueel na advies van de BAD - uiteindelijk over de op te leggen aanslag beslist.

Voorts blijkt uit het door de Inspecteur overgelegde rapport van D, dat deze geen verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen voor de cijfers over de jaren 1976 en 1977. Blijkens dit rapport lag dit aan het volgende:

“1. Begin 1977 is een gedeelte van de administratie op onverklaarbare wijze verdwenen.

2. De subadministraties debiteuren en crediteuren vormden geen sluitend geheel, noch ten opzichte van elkaar noch met de financiële administratie.

3. Het systeem van interne controle was beneden het vereiste niveau”.

Uit het hiervoor onder 1 geciteerde blijkt, dat anders dan belanghebbende stelt, de Inspecteur in ieder geval over de jaren 1976 en 1977 niet de beschikking had over de volledige administratie van het incassobureau. Verder blijkt uit een door belanghebbende overgelegde brief d.d. 5 december 1977 - door belanghebbende geschreven en gericht aan B dat de administratie, kennelijk van de advocatenpraktijk en het incassobureau, op z’n zachtst gezegd geen juist beeld gaf van het financiële gebeuren over de jaren 1974 tot en met 1976, gelet op het feit dat in die brief staat vermeld dat de accountants, die “er meer dan een jaar” mee bezig zijn geweest “er zelfs in die tijd niet in geslaagd (zijn) om behoorlijke orde in de chaos te scheppen.”

Uit een en ander leidt de Raad af, dat ook de boekhouding met betrekking tot het onderhavige jaar, niet aan het ”vereiste niveau” voldeed, zodat de inspecteur terecht die boekhouding als ondeugdelijk heeft verworpen. Een en ander brengt met zich mee, dat de aanslag op dit punt in beginsel dient te worden gehandhaafd zo niet blijkt dat en in hoeverre die aanslag onjuist is (artikel 45, lid 1, Landsverordening op de Inkomstenbelasting 1943) zodat de Raad uitsluitend zal dienen te onderzoeken of de Inspecteur in redelijkheid heeft kunnen komen tot een correctie als de onderwerpelijke.

Daarbij merkt de Raad op, dat, behoudens het (uiteindelijk) door de Inspecteur overgelegde aangiftebiljet van belanghebbende, met de daarbij behorende bijlagen waarin uitsluitend het resultaat, zonder nadere specificaties, van het incassobureau is vermeld en accountantsrapporten waarvoor de accountants geen verantwoording nemen overigens geen gegevens (administratieve bescheiden) aan de Raad ter beschikking staan die mogelijker wijze enig licht zouden kunnen werpen op de resultaten van het incassobureau.

De Inspecteur heeft geen cijfermatige benadering gegeven van de onderwerpelijke correctie, bijvoorbeeld door een indicatie geven van de, naar zijn mening, niet verantwoorde inkomsten en/of uitgaven van het incassobureau.

Uit een en ander volgt, dat deze correctie niet op zichzelf bezien kan worden, doch slechts in het kader van het gehele door belanghebbende uitgeoefende beroep: advocatenpraktijk en incassobureau

11. In dit verband dienen thans ook aan de orde te komen de correcties “omzetmarge” en “inkomsten uit vermogen”.

In zijn brief van 7 juli 1981 aan Mr. M heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende over de jaren 1974, 1975 en 1976 respectievelijk f. 325.000,- f. 140.000,- f. 250.000,- voor privé-doeleinden aan zijn praktijk heeft onttrokken en vervolgens een overzicht gegeven van die onttrekkingen. (vervolgblad 5, sub IV) een en ander is door belanghebbende niet weersproken.

In het licht van de door belanghebbende over die jaren aangegeven zuivere inkomens, zeker, nadat die inkomens nog eens worden verminderd met de door belanghebbende nadien als verliezen van “A” aangegeven bedragen, lijken dergelijke privé-onttrekkingen niet wel mogelijk, zo niet onmogelijk. Uit een en ander kon de Inspecteur redelijkerwijs het vermoeden ontlenen, dat er niet in de boekhouding vermelde inkomsten zijn geweest.

Voorts heeft de Inspecteur nog aangevoerd dat er een tweetal bankrekeningen in respectievelijk de U.S.A. en Venezuela te weten: de Chase Manhattan Bank te New Vork en de Banco del Centro Consclidado te Caracas niet waren vermeld in een door belanghebbende aan hem overgelegde vermogensopstelling en dat door belanghebbende nimmer bankafschriften van die rekeningen zijn overgelegd, hoewel daarom uitdrukkelijk is verzocht; dat in 1974 belanghebbende via MCB een bedrag ad f. 20.88921 in privé heeft opgenomen door middel van een cheque, zijnde de tegenwaarde van een cheque op de Chase Manhattan Bank te New York, ten bedrage van $ 11.488,86 en over de herkomst van dit bedrag geen uitsluitsel heeft willen geven; dat belanghebbende heeft nagelaten een rekening bij de Stichting Nutsspaarbank te ‘s-Gravenhage, Nederland, te vermelden, waarop, volgens de Inspecteur zakelijke bedragen zijn ontvangen.

Tegen een en ander heeft belanghebbende zich verweerd als weergegeven in, met name zijn handgeschreven brief aan de Inspecteur d.d. 30 januari 1982 en zijn verweerschrift, welk verweer, kort en zakelijk weergegeven op het volgende neerkomt:

Zijn, belanghebbende’s, privé uitgaven waren hoog in verband met de grootte van zijn gezin (vier kinderen); het hebben van dure hobbies (onder meer sportvliegen); aanzienlijke belastingbetalingen; het uit privé middelen bijspringen van “A”, terwijl belanghebbende volstaat met te vermelden, dat zijn rekening bij voormelde Venezolaanse bank nauwelijks enig saldo vertoonde en zich over de Amerikaanse bankrekening en voormelde op deze bank getrokken cheque, niet - althans niet terzake dienend - uitlaat. Wel heeft belanghebbende bij brief van 2 juli 1982 aan G, BAD, overgelegd een overzicht van de mutaties op voormelde rekening bij de Nutsspaarbank met betrekking tot de jaren 1974, 1975 en 1976 - zonder daarop overigens enige toelichting te geven.

12. Gezien de omvang van de over de jaren 1974 tot en met 1976 uit de praktijk opgenomen gelden voor privé-doeleinden - en gezien de uiteindelijk door belanghebbende aangegeven zuivere inkomens over die jaren had het op z’n minst voor de hand gelegen, dat belanghebbende, al was het maar een globale reconstructie had pogen te maken en over te leggen van zijn bestedingspatroon, met name over het onderhavige jaar, te meer omdat het in het algemeen gesproken niet aannemelijk is, dat (zelfs) een gezin met vier kinderen voor consumptieve doeleinden bedragen in een omvang als de hiervoor genoemde besteedt.

Voorts had het tevens op de weg van belanghebbende gelegen bankafschriften over te leggen van zijn bankrekeningen in Venezuela en de U.S.A.. Belanghebbende beroept zich er weliswaar op, althans wat de Venezolaanse bankrekening betreft, dat hij de betreffende bankafschriften niet meer bezit en de bank op zijn verzoeken tot het zenden van fotokopieën niet reageert, doch hoe dit ook zij, het niet (kunnen) overleggen van bescheiden, welke van betekenis kunnen zijn voor de vaststelling van de aanslag over enig jaar is voor rekening en risico van belanghebbende.

Voorts blijkt uit het mutatieoverzicht van belanghebbende’s rekening bij de Stichting Nutsspaarbank, dat er in de jaren 1974, 1975 en 1976 een niet gering aantal “bij”(dan wel credit-) mutaties hebben plaats gevonden variërend van geringe, minder geringe tot zeer aanzienlijke mutaties.

Gezien het feit dat belanghebbende op Curaçao woonde en werkte gedurende voormelde jaren en, naar belanghebbende stelt: die rekening een privé-rekening was, valt zonder toelichting van belanghebbende en overlegging van de op die mutaties betrekking hebbende bescheiden niet te verklaren, uit welke bronnen die “bij” of credit-mutaties afkomstig zijn. Belanghebbende heeft echter, ondanks het verzoek daartoe van de Inspecteur, behoudens hetgeen hij terzake in zijn brief van 4 februari 1982 aan de Inspecteur heeft opgemerkt, nagelaten omtrent die mutaties opheldering te verschaffen.

13. Uit een en ander volgt, naar het oordeel van de Raad, dat de Inspecteur terecht kon vermoeden dat belanghebbende inkomsten uit vermogen had over genoemde jaren en met name het onderhavige jaar, terwijl de Inspecteur eveneens terecht ook de boekhouding van het advocatenkantoor over dat jaar als ondeugdelijk heeft verworpen.

Met betrekking tot het antwoord op de vraag of de Inspecteur in redelijkheid de aanslag kon opleggen naar een zuiver inkomen, waarin onder meer de vorenbedoelde correcties: vermogensinkomsten ad f. 20.000,-, lasten/baten “A” en omzetmarge ten bedrage van respectievelijk 28.665,- en f. 100.000,- zijn verwerkt, overweegt de Raad als volgt.

Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de Inspecteur geen cijfermatige benadering gegeven – althans geen cijfermatige opstelling gemaakt - van de wijze waarop hij tot de bedragen van de onderwerpelijke correcties (te weten vermogensinkomsten, lasten/baten A, winst uit advocatenpraktijk is gekomen.

Wel heeft de Inspecteur in zijn brief van 7 juli 1981 aan Mr. M onder meer, althans voor het jaar 1976, aan de hand van bankstortingsbewijzen aangetoond, dat er bedragen zijn gestort, welke niet in belanghebbende’s boekhouding zijn terug te vinden en deze belopen althans voor het jaar 1976 rond f. 85.000,- in totaal, waarbij opgemerkt wordt dat er kennelijk ook bedragen in de boekhouding waren vermeld, waartegenover geen storting(sbewijs) stond. (Vgl. vervolgblad 1 sub f, welke in vorenbedoeld bedrag van f. 85.000,- zijn verwerkt). Hiertegen voert belanghebbende aan, dat de boekhoudingen van het advocatenkantoor en het incassobureau nauw verweven waren en dat een verklaring van de hiervoor genoemde onregelmatigheden gelegen zou kunnen zijn in het feit, dat A, wanneer op enig tijstip geen contanten aanwezig waren (bijvoorbeeld voor de uitbetaling van salarissen) bij het advocatenkantoor cheques inwisselde tegen contanten. Een en ander, aldus belanghebbende, leidt er uiteraard toe, dat het advocatenkantoor een cheque op haar bankrekening stort, die in haar boekhouding niet als ontvangst is geboekt.

Deze stelling gaat alleen al hierom niet op, omdat zoal het advocatenkantoor cheques van het incassobureau inwisselde tegen contanten, een dienovereenkomstige boeking zou hebben dienen plaats te vinden in de administratie van beide ondernemingen, zodat bij latere verzilvering van de cheques zou blijken, dat de betreffende cheques geen betalingen van cliënten van het advocatenkantoor betroffen, doch tegen contanten “in betaling gegeven” cheques van het incassokantoor. Een en ander is evenwel kennelijk niet uit de boekhouding af te leiden - althans de Raad is niet gebleken dat zulke boekingen zijn gedaan -, zodat gevoegelijk kan worden aangenomen dat, althans voor het jaar 1976, in ieder geval een bedrag van rond f. 85.000,- niet in de boeken van belanghebbende is verantwoord.

Verder heeft de Inspecteur onweersproken, in ieder geval onvoldoende weersproken, gesteld, dat er telkenjare, ook in het onderhavige jaar, sprake was van negatieve kassaldi, die werden “afgedekt” met betalingen uit privé-middelen, hetgeen er tenminste op wijst, dat er inkomsten niet in de boekhouding werden verwerkt.

Hiervóór is er reeds op gewezen, dat belanghebbende niet verklaarbare bedragen op zijn rekening heeft ontvangen bij de Stichting Nutsspaarbank en op het niet overleggen van verificatoire bescheiden met betrekking tot zijn rekeningen bij de Banco del Centro Consolidado en de Chase Manhattan Bank.

Nu omtrent de stortingen in het onderhavige jaar geen cijfers bekend zijn - en derhalve niet kan nagegaan worden, voor welke bedragen stortingen zijn gedaan, die niet in de boekhouding waren te traceren - gaat de Raad er van uit, dat het niet onaannemelijk is, dat in het onderhavige jaar ongeveer eenzelfde bedrag als in het jaar 1976 als niet in de boekhouding verantwoord kan worden aangehouden, derhalve rond f. 85.000,-.

14. Tevens blijkt dat in het onderhavige jaar de “bij”mutaties op de rekening van belanghebbende bij de Stichting Nutsspaarbank ongeveer f. 56.000,- hebben bedragen, hetgeen tegen een gemiddelde koers in 1974 van NAf. -,66 NAf. 36.960,- oplevert, waarop de Raad in verband met eerder vermelde opgave van belanghebbende van 4 februari 1982, waartegen de Inspecteur onvoldoende heeft aangevoerd, ex aequo et bono NAf. 7.000,- in mindering zal brengen, terwijl belanghebbende een niet nader toegelichte cheque ten bedrage van f. 20.889,21 (de tegenwaarde van een cheque van $ 11.488,86 trokken op de Chase Manhattan Bank heeft geïncasseerd.

Belanghebbende heeft niet kunnen aantonen, dat het bureau A in het onderhavige jaar het door hem uiteindelijk als verlies aangegeven verlies heeft geleden, terwijl belanghebbende in zijn brief aan B die al eerder is vermeld, schrijft dat de accountants over 1974 tot een winst van niet meer dan f. 5.000,- kwamen.

De Inspecteur heeft geen concrete gegevens verstrekt omtrent het resultaat van dit bureau, zodat de Raad termen aanwezig acht niet een verlies doch een winst van f. 5.000,- aan te nemen en derhalve het resultaat (de winst uit onderneming met betrekking tot het incassobureau A) te stellen op f. 5.000,-.

15. Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat bij de berekening van het zuiver inkomen rekening gehouden dient te worden met de volgende in ieder geval niet op regelmatige wijze in belanghebbende’s boekhouding verantwoorde bedragen: f. 5.000,- (niet verantwoorde stortingen), f. 29.960,- (niet verklaarde mutaties Stichting Nutsspaarbank), f. 21.000,- (niet verklaarde cheque-inkomsten) en winst incassobureau A f. 5.000,-.

16. Op grond van al het voorgaande dient, naar het oordeel van de Raad, het zuiver inkomen te worden gesteld f. 287.085,- (het door belanghebbende aangegeven zuiver inkomen voor het onderhavige jaar) verminderd met f. 4.622,- (het verschil tussen de verrekende en de aangenomen winst van het incassobureau A) en vermeerderd met f. 10.000,- (repatriëringkosten), f 950,- (dividend), f. 2.000,- (aanvullende autokosten) alsmede het totaal van de hiervoor bedoelde bedragen (f. 85.000,- + f. 29.960,- + f. 21.000,-) derhalve op f. 431.373,-.

<u>Uitspraak doende:</u>

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Vermindert de aanslag tot een naar een zuiver inkomen van f.431.373,- (te verminderen met de kinderaftrek).

mrs. P.A.Offers, D.J. van Dijk en J.G.A. Molenaar